Read De havezate Windesheim text version

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

DE HAVEZATE WINDESHEIM

DOOR MR. A. RAGA

Over de havezate Windesheim is zeer WeInIg gepubliceerd en al even weinig bekend. In de "Beschrijving van de havezathen in Overijssel" in de Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren van de jaren 1844-1849 worden in laatstgenoemde jaargang hoofdzakelijk mededelingen gedaan over het klooster Windesheim, die moesten camoufleren, hoe weinig men over de havezate van die naam eigenlijk wist. In het thans niet meer verschijnende geïllustreerde weekblad "Buiten" van 7 en 14 Januari 1922 verscheen een artikel van de toenmalige redacteur Mr. A. Loosjes, dat een beschrijving gaf van het huis Windesheim en zijn omgeving alsmede van het prachtige interieur, en dat vooral zijn belang ontleent aan een tiental fraaie foto's, die het artikel illustreren. Immers op 20 October 1944 werd het huis door een Engelse bom getroffen en brandde geheel uit. De illustraties in "Buiten" zijn het enige, dat ons nog een indruk kan geven van het eertijds zo deftige huis en zijn kunstzinnig interieur 1). Wanneer is nu de havezate Windesheim gebouwd? Was zij reeds in de middeleeuwen bekend en is zij na verval door een ander, het ons bekende Windesheim, vervangen? Loosjes zinspeelt daarop, wanneer hij zegt, dat het oude kasteel, dat hier vroeger

1) Later is dit artikel met de foto's opnieuw geplaatst in het 3de deel (tekst Mr. A. Loosjes) van H. Jongsma's Kasteelen, buitenplaatsen, tuinen en parken van Nederland. (Scheltema en van Holkema, Amsterdam z.j.)

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

48 moet hebben gestaan, omstreeks 17202) voor het thans (1922) bestaande moest plaats maken, waarbij alleen de toren, zij het ook gerestaureerd, van het voormalige kasteel bewaard bleef. Dat er ook vóór 1720 reeds een havezate Windesheim moet hebben bestaan is duidelijk: verscheidene leden van het adellijk geslacht Schaep zijn in de l Zde eeuwervan verschreven in de ridderschap van Overijssel. Maar van een middeleeuws kasteel wordt nergens in de geschiedenis gerept. Er moge op worden gewezen, dat lang niet alle havezaten, die wij in de 17de en 18de eeuw kennen, middeleeuwse kastelen zijn geweest. Zo zijn, om slechts enkele te noemen, de havezaten Luttenberg en Schoonheeten eerst. bij besluit van Ridd. en Steden van 8 Nov. 1633, Bergentheim en Krijtenberg eerst 15 Sept. 1649 als havezaten erkend. Het ontstaan van de havezate Windesheim kan het best benaderd worden aan de hand van de leenregisters 'ler proosdij van Lebuinus te Deventer. Het huis of havezate Windesheim, waarvan de leenhorigheid op 31 Dec. 1737 werd afgekocht, was vóór dien een leen van genoemde proosdij en in de genoemde leenregisters vindt men dan ook de verschillende bezitsovergangen ge· noteerd. Nu zijn deze leenregisters, naar mij gebleken is, niet altijd met die nauwkeurigheid gehouden, die men ervan zou mogen verwachten, Zo wordt b.v. op 14 Nov. 1622 Reinier Schaep tot Winshem beleend met de nabeschreven erven, tienden en goederen, hem aangeërfd na dode zijns vaders Henrick Schaep t..w.: "het goed Daarboven en het goed Middelsdorp, gelegen in het kerspel Zwolle, buurschap Wins hem met de daaronder hoorende goederen als 't goed ten Colcke, KeIre (Kerler?) by zuyden te Wapenvelde (?) tienden over Bomdynck, Middelwyck, Malberg, smalle tienden over de Heege int kerspel Wesepe, buurschap Warmelo (sic!) een waer in Heino en in Herxen 3) . Dat deze akte slordig is geregistreerd blijkt genoegzaam daaruit,

2) Deze datering is ontleend aan de Voorloopige lijst der Nederl, monumenten van geschiedenis ,en kumet, VIT (Overijssel), blz. 184. 3) Op deze belening komen wij in ander verband nog meermalen terug.

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

49

TABEL

Hendrik Schaep X Adriana van der Hoeven

t

1549

I

Hendrik Schaep tot den Dam X 1562 Agnes van Echten

t

kort vóór 2 Aug. 1622

I

Adriana Schaep Reinier Schaep (I) Johan Schaep Hendrik Lutgera Schaep de Jonge X 1596

t

1601

t

7 Juni

1623

ten Oesterhof

bouwt huis Windesheim X Anna van Echten

v. Voërst tot de Grimberg

I

Hieruit de tak Schaep van den Dam

Hendrik

Schaep

Reinier geb. 1598, Anna Elisabeth

Schaep (II)

X Utrecht 12-1-1633 Susanna de Voge1aer

t

vóór 1636

X 1624 van der Hoeven 1658/9

t

Anna Lucretia Schaep

I

Reinier dijkgraaf Adriana Schaep (1 II)

t

2-1·1706

van Salland, X 1656 Geertruida

t

1679

X 1655 Willem van Broeckhuisen tot den Doorn

van Renesse

t17l6

o·la.

Reinier Schaep (IV) Helmieh Maximiliaan Schaep,

t

1724

geb. 1661.

t

1689

X 1711 Anna Geertruida van Heeckeren tot Nettelhorst geb. 1691,

t

Zwolle 1775 in 1730 aan

Zij verkoopt Windesheim

Gysbert van Dedem tot de Gelder.

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

51 dat in latere beleningen met deze erven en tienden gesproken wordt van Wanneperveen i.p.v. Wapenvelde. (Wat in dezen juist is, doet hier minder ter zake). Een buurschap Warmelo in het kerspel Wesepe heeft nimmer bestaan; bedoeld is de buurschap Averlo, Een en ander wettigt de veronderstelling, dat van de leenakten eerst een concept werd gemaakt, dat mogelijk niet al te duidelijk was geschreven en dat men later deze concepten in het net deed schrijven door iemand, die met plaatsnamen niet al te best op de hoogte was. De concepten werden waarschijnlijk op losse vellen geschreven, (hetgeen het zoekraken van een of meer akten in de hand werkte) en later vernietigd. Wij zouden aan deze (vermoedelijke) gang van zaken niet zoveel woorden wijden, als niet juist het o.i. verloren gaan van zulk een concept-akte bij de beleningen met Windesheim moet hebben plaats gehad, waardoor men tot verkeerde afstammingsconclusies zou komen. Gaan we nu de beleningen met Windesheim na vóór dat de leenhorigheid der havezate werd afgekocht, dan vinden wij dat op 26 Maart 1725 barones van Heeckeren, douarière Schaep tot Winsheim voor haar en haar minderjarige kinderen beleend werd met het huis en havezate Winsheim met de hoven en landen, daarbij en onder gemelde havezate gehorende, terwijl haar man Helmich Maximiliaan Schaep, ritmeester, op 9 Febr. 1716 beleend was met de erven Daarboven, Middelsdorp, mitsgaders de havezate Windesheim met alle onderhorige landerijen en zulks na dode van deszelf heer vader en broeder Reinier Schaep (zie de tabel). Zijn oudste broeder, Reinier Schaep (IV) was reeds in 1689 overleden en zijn vader Reinier Schaep (III) dijkgraaf van Salland, gehuwd met Adriana Geertruida van Renesse, was hem reeds in 1679 in de dood voorgegaan. Vermoedelijk heeft zijn moeder, Adriana Geertruida van Renesse tot kort voor haar dood het vruchtgebruik gehad en heeft de belening van Helmich Maximiliaan Schaep eerst daarna plaats gehad. Zijn moeder werd te Zwolle 28 Augustus 1716 begraven, nadat zij op 23 Mei tevoren voor schepenen van Zwolle een besloten testament had overgegeven, dat 19 Nov. 1716 werd geopend en geregi-

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

52 steerd 4). Behalve Helmich Maximiliaan Schaep waren van haar nakomelingen toen alleen nog in leven haar dochter Henriette Lucretia Schaep en de kinderen van wijlen haar dochter Adriana Geertruida Schaep, bij Jurrien Willem van Oberswalt verwekt. Reinier Schaep (IV), de broeder van Helmich Maximiliaan, heeft Windesheim slechts drie jaren bezeten, nadat hij 5 Mei 1686 met Windesheim en alle daaronder behorende goederen was beleend "gelijk wijlen zijn vader (Reinier III) 29 Juni 1658 met lediger hand daarmee beleend was geweest". Deze Reinier Schaep (III) was 20 Febr. 1637, nog onmondig, als zoon van wijlen kapitein Reinier Schaep (II) met meergenoemde erven en tienden beleend "gelijk zijn vader Reinier Schaep (II) op 30 Maart 1625 daarmee beleend was". Vermoedelijk was op een dezer erven de havezate Windesheim gebouwd, hoewel zij niet in de leenacte wordt vermeld. Een huis, door een leenman op leengrond gebouwd, bleef diens eigendom. Zoals we reeds zagen werd in latere leenacten de havezate mede onder de leengoederen opgesomd. Dat zij in 1637 reeds bestond, blijkt uit een resolutie van Ged. Staten van 20 Augustus 1636: "is verstaen, dat die haves~ete van wijlen den capitein Reynier Schaep te Windshem int stuck van de contributie niet zal kormen worden gevrijt, aengesien deselve, bij tijde de vyant de contributie getrocken, niet gevrijt is geweest". Daarentegen was bij een andere resolutie van Gedep. Staten van 16 April 1603 aan Reinier Schaep (I) reeds toegestaan, de verponding in de buurschap Windesheim te vrijen. Wij zagen, dat volgens de laatstgenoemde belening van Reinier Schaep (III) in 1637 diens vader Reinier Schaep (II) op 30 Maart 1625 met dezelfde erven etc. was beleend. Deze belening nu is in de leenregisters der proosdij niet te vinden, maar blijkens een marginale aantekening zou deze voorgaande belening niet op 30 Maart 1625 maar op 14 Nov. 1622 hebben plaats gehad. Deze marginale aantekening kan niet juist zijn, want vast' staat,dat

4) Gesloten testamenten der stadt Zwolle, deel IV, blz -, 112 vlgg.

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

53 de vader van Reinier (II) was Reinier Schaep (I), gehuwd met Anna van Echten tot Oldengaerde, terwijl volgens de belening van 14 Nov. 1622 de vader van de toen beleende Reinier moet zijn Hendrick Schaep 5). Het is duidelijk, dat in de leenregisters de overgang der bedoelde lenen van Reinier I op Reinier II ontbreekt en dit zal juist de belening van 30 Maart 1625 zijn; temeer waarschijnlijk, daar wij weten, dat Reinier Schaep (I) op 7 Juni 1623 te Zwolle was overleden 6). Resumerende, moeten o.i. de beleningen als volgt hebben plaats gehad: Reinier Schaep (I) tot Winshem, beleend 14 Nov. 1622 "na dode zijns vaders Henrick". Reinier Schaep (II) beleend 30 Maart 1625 (na dode zijns vaders Reinier ). Reinier Schaep (III), onmondig, beleend 20 Febr. 1637, "gelijk zijn vader Reinier 30 Maart 1625 beleend was". Idem, met lediger hand 29 Juni 1658. Reinier Schaep (IV) tot Winshem, beleend 5 Mei 1686, "gelijk wijlen zijn vader 19 Juni 1658 beleend is". In de hier aangehaalde leenakten wordt eerst in die van 29 Juni 1658 en volgende naast de erven Daarboven, Middelsdorp, ten Colcke enz. (zie de volledige opsomming in de leenakte van 14 Nov. 1622 in het begin van dit artikel) uitdrukkelijk melding gemaakt van het huis Windesheim. Dat het huis als havezate reeds in 1637 bestond, zagen we reeds. Onze veronderstelling, dat het huis Windesheim op leengoed was gebouwd, wordt bevestigd

5) Vgl. v. Doorninck, Geslachtk. Aant. blz. 50 en 88. Treslong Prins, Gen. en herald. gedenkwaardigheden in en uit de kerken in Overijssel, blz. 298. Van Doorninck, a.w. blz. 51 maakt nog melding van een tweede huwelijk van Reinier Schaep (1) met Margaretha van Arnhem op 2 Juli 1623! De ondertrouw te Zwolle had in Mei plaats, maar het huwelijk is door de spoedig gevolgde dood van de bruidegom niet voltrokken. Er mag wel eens op worden gewezen, dat van Doorninck talrijke Zwolse huwelijken verkeerd heeft gedateerd. Waar in margine van de ondertrouwakte geen datum van huwelijksvoltrekking stond, nam hij aan, dat de marginale datum van de vóórgaande inschrijving óók voor de volgende gold, terwijl het m.i. betekent, dat Of het huwelijk niet is voltrokken Of dat die voltrekking elders heeft plaats gehad.

6) Bloys van

·

.:

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

54 door een akte van 31 Mei 1621 in het leenregister der proosdij. Daarbij heeft Reinier Schaep tot Winshem (1) in conformiteit van zijn testament met wijlen zijn vrouw Anna van Echten 7) op 25 Augustus 1613 voor schepenen van Zwolle gemaakt 8), aan zijn oudste zoon als leenvoordeel gegeven "het huis te Winsum en tghene daerinne nagelI - und paelvast is benevens de hof en camp, daar 't voorsz. huis op staat en getimmert is, item. de Ruynemathe off het brinxken daerzelfs achter 't clooster gelegen, mits uitkeerende daarvoor die som van duysent daler à 28 st". De redactie van deze akte maakt op den onbevooroordeelden lezer o.i. wel de indruk, dat de bouw van het huis Windesheim nog niet zo lang geledenmoet hebben plaats gevonden. De familie Schaep was een oud riddermatig geslacht, welks leden reeds in 1478 - en vermoedelijk reeds eerder - in de ridderschap van Overijssel compareren en op de havezate den Dam bij Hellendoorn woonden. Bij zijn admissie in de ridderschap op 22 October 1596 heet Reinier Schaep (1) dan ook Reinier Schaep van Hellendoorn. Maar zijn voorouders bezaten reeds toen goederen in de buurschap Windesheim: Op 23 Nov. 1562 werd Hendrik Schaep, vader van Reinier (1) als oudste zoon van wijlen zijn vader, eveneens Hendrik Schaep geheten, door de proosdij beleend met de goederen Daarboven, Middelsdorp, met wat daartoe behoort, ten Colck, Kerler enz. enz., waarmede zijn nazaten in opvolgende generaties werden beleend, zoals we reeds hebben gezien. Vermoedelijk is Reinier (1) kort na zijn admissie in 1596 begonnen, op een dezer erven een havezate te bouwen; hij krijgt nI. bij resolutie van Ridd. en Steden van 12 Oct. 1599 permissie, zijn goederen onder Windesheim te vrijen, hetgeen er op .wijst, dat hij toen zijn woonstede aldaar had. Zekerheid in deze was niet te verkrijgen, daar in de 16de en het begin der 17de eeuw noch bij de admissie, noch bij de opschrijving van de ter vergadering van Ridd. en Steden comparerende edelen regel was te vermelden,

7) Zij was overleden te Zwolle 2 Januari 8) Dit testament is niet meer aanwezig.

1620.

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

55 van welke havezate zij werden verschreven. De conclusie moet dus luiden, dat de bouw van de havezate Windesheim tussen 1599 en 1613 heeft plaats gehad. Anderhalve eeuw lang heeft dit huis stand gehouden, totdat het in de 18de eeuw geheel is vernieuwd, waarbij alleen een deel van de toren van het oude huis is bewaard gebleven. Deskundigen stellen de nieuwbouw op circa 17209). Wij zullen aantonen, dat deze nieuwbouween 20- tot 25-tal jaren later moet hebben plaats gehad. Op 26 Januari 1730 geeft baron Gijsbert van Dedem aan, dat hij op 16 Januari j.l. heeft aangekocht van de douarière Schaep tot Winshem de havezate Windesheim cum annexis voor f 12.80010), welke verkoop 10 April 1732 door de proosdij van Lebuinus werd geapprobeerd, waarna op dezelfde dag de belening van Gysbert van Dedem volgde. Deze kocht op 31 December 1737 de leenhorigheid van de havezate met de onderhorige landerijen, van ouds genoemd Daarboven en Middelsdorp, af voor f 250,-, doch overleed reeds in 1738, terwijl zijn vrouw hem een jaar later in de dood volgde. De koopsom van f 12.800 van de havezate Windesheim doet niet veronderstellen, dat wij hier met de luxueuse havezate te maken hebben, zoals wij die van vóór de laatste wereldoorlog kenden. Noch Helmich Maximiliaan Schaep (t 1724), noch zijn vrouw Anna Geertruida van Heeckeren (t 1775) zullen trouwens tot zulk een kostbare verbouwing in staat zijn geweest; laatstgenoemde verkeerde zelfs in 1749 11) "in een bekommerlijke toestand van zaken". Een tijdgenoot geeft ons tevens de bevestiging, dat de havezate in 1730 in een min of meer vervallen staat verkeerde. Andries Schoemaker 12) in zijn "Korte beschrijving van Overijssel", zegt

9) Voorloopige lij8t der Neâerl, monwmenten. van ge8chiedenis en kun8t, VII (Overijssel), blz. 184. 10) Register van aangifte voor de 50e penning van Zwollerkerspel. 11) Zie resolutien van de Ridderschap van 25 April 1749. 12) Zie G. J. Doornink; Andrie8 Sohoemaker ,en zijn geïllustreerde be8chl·ijving van Ovel·ij88el. (Veral, en Med. Ov. Regt en Gesch. LIl (1936), blz. 176 en vlgg.

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

56 in het 2e deel fol. 114: "Ill den jaar 1730 bezag ik Winsheym en bevond het sleght en vrij klijn te wezen". Ook de in genoemd jaar optredende nieuwe eigenaar Gysbert van Dedem, die met zijn vrouwen 9 kinderen op de Gelder woonde en bleef wonen, zal de verbouwing van de havezate Windesheim niet ter hand genomen hebben. Maar zijn opvolger,Paulus Benelle Jr. een rijke Amsterdamse koopmanszoon, meende daartoe ongetwijfeld wel in staat te zijn. Met deze nieuwe bewoner van Windesheim treedt een merkwaardig heerschap naar voren, een zieltje zonder zorg, die met het geld van zijn vrouw (en van anderen!) wel raad wist, als een grand seigneur wenste te leven en het goede der aarde te genieten. Alvorens zijn betrekkingen tot Windesheim te releveren, is het nodig, zijn verleden eerst onder de loupe te nemen. Hij was de zoon van Paulus Benelle, een refugié uit Metz en een Waalse moeder. Een brave jongen was hij zeker niet, want in 1725 had hij zijn vader voor f 18.000 opgelicht en de vlucht genomen naar het buitenland. Zijn vrouw, met wie hij kort na zijn verschijning op Windesheim in ondertrouw werd opgenomen, was eveneens een Amsterdamse en evenmin van onbesproken gedrag. Zij heette Anna Divera Kick, dochter van Mr. Daniel Kick, raad der stad Amsterdam van 1719-1742, en van Geertruid Paneras, die reeds anderhalf jaar na hun huwelijk van tafel en bed gescheiden waren. Bij wie van beide de dochter is opgevoed, is mij niet bekend. Haar vader werd in 1742 geschat op een inkomen van ruim f 20.000 en hield een koets met twee paarden en vier dienstboden. Te Heemstede bezat hij de hofstede Duyn en Vaart en hij kon dus voor een gefortuneerd man gelden. Op 19-jarige leeftijd, in 1726, huwde de dochter Anna Divera Kick met Mr. Nicolaas Cornelis Hasselaer, schepen van Amsterdam en vrijheer van Westerdijkshorn (Gr.), welk huwelijk tien jaar later oritbonden werd omdat Divera een al te intieme verhouding had aangegaan met een van haar lakeien. Niet alleen volgde echtscheiding, maar Divera werd bovendien in het Verbeterhuis te Amsterdam opge-

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

57 sloten, waaruit zij het volgend jaar echter wist te ontsnappen en zich naar Emmerik begaf 13) . Enige jaren later keerde zij in het vaderland terug en ontmoette er Paulus Benelle junior, met wien zij ongehuwd enige wittebroodsweken doorbracht op de havezate Bonkenhave (bij VoIIenhave), die hij had gehuurd van Alard Johan Gansneb genaamd TengnageI. Kort daarop, 2 Dec. 1741, werden zij te Windesheim in ondertrouwopgenomen. De inschrijving luidt: "Jonkheer (!) . Paulus Bennelle junior, wonende op huyse Windesheim met vrouwe Anna Divera Kick, vrijvrouw van Westerdijkshorn, gewezen vrouw van wijlen de heer Nicolaas Cornelis Hasselaer, oud-schepen der stad Amsterdam, gecommitteerde in de Admiraliteit van Zeeland". Een jonkheerstitel kwam Benelle natuurlijk in het geheel niet toe. Ook te Zwolle had op dezelfde dag de intekening plaats; het huwelijk werd in Januari 1742 te Scheveningen voltrokken. Des winters bewoonde het echtpaar een huis te 's-Gravenhage. In een artikel "de Rijkdom" van 's-Gravenhage in 1742 14) vinden wij vermeld: Paul Benelle, Heer van Westerdijkshom, rentenier, heeft een jaarlijks inkomen van f 6000, bewoont een huis van f 1240 huurwaarde, heeft een koets met 2 paarden en 4 dienstboden. Aanvankelijk had Benelle de havezate in huur, maar op 21 Juli 1744 maakte hij bekend, van de mombers van freule Christina Arnaldina barones van Dedem te hebben aangekocht op 17 Juni jI. de havezate Windesheim cum annexis voor f 16.000 en op 18 Juni van de weduwe van Gerrit van Sonsbeeck de plaats, bij Mensa Rietberg bewoond, voor f 24.000, terwijl hij op 23 Januari 1745 aangaf, van Antoni baron van Dedem tot de Gelder te hebben aangekocht het erve Vrijhof voor f 20.000; tenslotte deed hij op 13 Febr. 1745 nog aangifte, van de wed. Lipperus het halve erve Odinckhof voor f 9500 te hebben aangekocht, alles gelegen in de

13) Zie VOOr het voorgaande Johan E. Elias, De vroedschap van Amsterdam 1578-1795, dl. II, 731, 732. 14) Zie Alg. Ned. Familieblad. 1883-1884, no. 127, blz. 4a.

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

58 buurschap Windesheim 15). In totaal dus een bedrag van bijna f 70.000. Waar Benelle al dat geld vandaan haalde, is niet duidelijk. Uit zijn (geschat) inkomen van f 6000 (zie hiervóór) was dit niet mogelijk, maar zijn vrouw schijnt zeer gefortuneerd te zijn geweest. In elk geval is de koopsom van Windesheim kort daarop betaald, want het transport voor den schout van Zwollerkerspel had 5 Maart 1745 plaats, zonder dat hij een hypotheek op het huis nam. Op 23 Mei 1745 werd hem een zoontje geboren, Gerbrand Lieuwe Pancras, dat echter naar alle waarschijnlijkheid de volgende dag reeds overleed; de naam van het kind is in de overlijdens·akte niet genoemd. Op de lijst van ingezetenen van Zwollerkerspel van Augustus 1748 vinden we het echtpaar genoemd met één dochter, Anna Paulina, beneden de 10 jaar (mogelijk in den Haag geboren) benevens 4 knechten en 3 meiden. Hij voerde dus een grote staat! Eerst met St. Miehiel (29 Sept.) 1749 werd Paulus Benelle lidmaat der Herv. Kerk op belijdenis; zijn vrouw volgde dit voorbeeld op St. Jan (24 Juni) 1750. Paulus Benelle werd nog steeds als kredietwaardig beschouwd want in laatstgenoemd jaar kocht hij van Alexander Carel baron van Heiden ook nog de havezate den Dam voor f 39.000, waarvan het transport op 9 Febr. 1750 voor het schoutengericht van Hellendoorn plaats vond en waarbij de verkoper hem f 29.000 hypotheek gaf. Maar nu kwam Benelle toch langzamerhand in financieele moeilijkheden. Op 7 Oct. 1750 leende hij van Balthasar Muntz te Zwolle f 42.000, waarvoor bij een hypotheek gaf op de havezate Windesheim met de behangsels) spiegels en vaste schilderijen en alles wat aldaar aard-, muur- of nagelvast is) benevens op het erve Wittengoed en het erve Vrijhof. Wanneer wij nu in herinnering brengen, dat Benellede havezate

15) Zie de aangiften van aankoop ning, gericht Zwollerkerspel.

in de registers

van de 50e pen-

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

59 1744 voor f 16.000 had gekocht en dat hij 6 jaar later op datzelfde huis annex twee boerderijen f 42.000 hypotheek kreeg, waarbij speciaal de behangsels, spiegels, schilderijen etc. als mede in de hypotheek begrepen, worden opgenoemd, dan mogen wij met zekerheid concluderen, dat het Benelle is geweest, die het huis het prachtige interieur heeft gegeven, zoals wij dat vóór de laatste oorlog hebben gekend, na eerst het huis zelf vrijwel geheel te hebben herbouwd. Bijzonder aantrekkelijk waren de prachtige gobelins en het nog fraaier stucwerk in gang en plafonds 16), dikwijls van een speelse en humoristische aard en vervaardigd door een Italiaanse stucwerker Manoli 17) . Lang mocht Benelle echter niet meer van zijn kostelijk bezit genieten. In 1751 had hij de havezate reeds verhuurd aan baron van Huffel, heer van Verburgh en landdrost van Salland en op 26 Juni van dat jaar relateert de gerichtsdienaar van Zwollerkerspel, dat hij namens de wed. van Dr. E. Podt onder de heer van Huffel beslag heeft gelegd op de huurpenningen, verschuldigd aan Benelle en op diens meubelen, die in een kamer van het huis waren besloten, waarvan de sleutel in het bezit was van diens rentmeester de Man 18). Reeds op 5 Mei 1742 was Alard Johan Gansneb genaamd Tengnagel tegen Benelle gaan proeederen wegens onbetaalde huur van het huis Bonkenhave,waar hij in 1741 enige tijd met zijn geliefde had gewoond, doch waarvan hij later de huurovereenkomst ontkende. Dit proces 19) wist Benelle jaren lang te rekken, maar aan de catastrofe was niet meer te ontkomen. Uit het register van contentieuse zaken van Zwollerkerspel van 15 April 1752 blijkt, dat Paulus Benelle te 's-Gravenhage voor schulden is gegijzeld, maar uit de gijzeling is ontsnapt; men weet niet, waar hij zich bevindt. Mogelijk is hij over de grens gevlucht en men heeft nooit meer iets van hem gehoord. Zijn vrouw liet

III

Zie de beschrijving en de foto's in het in noot 1) vermelde werk. Zie Maandblad van de Nederl. Leeuw, 1924, kol. 378. Register van contentieuse zaken van Zwollerkerspel. Zie o.a. het register van contentieuse zaken van Zwollerkerspel van 5 Mei 1742 en 17 Dec. 1746.

16) 17) 18) 19)

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

60 zich hetzelfde jaar van hem scheiden van tafel en bed en overleed te Amsterdam in 1769. Intussen waren de schuldeisers van alle kanten losgekomen en reeds op 8 Mei 1752 volgde de executoriale verkoop van Windesheim; die van de havezate den Dam bij Hellendoorn volgde in het najaar. In de Nederl. Jaarboeken van dat jaar, blz. 529 leest men: In 't laatste der vorige Bloeimaand zijn bij executie verkocht de heerlijke goederen en havezate Windesheym, met tuinen, molen, en twee grote erven, nieuw en prinselyck gebouwd, voor een somma van f 59.500, schoon de huizing alleen wel f 100.000 van timmeren gekost heeft. De kooper is de Hoogedelgeb. Heer Gerrit Helmich baron van Voërst tot Bergentheim 20). Ook uit dit nieuwsbericht blijkt ten overvloede, dat de luxueuse inrichting van het huis pas uit de laatste tijd dateerde en dan kan, zoals we reeds zagen, alleen Benelle als stichter van de nieuw gebouwde havezate in aanmerking komen. De gerechtelijke overdracht van het huis c.a. had 26 Januari 1753 plaats en dezelfde dag nam de koper f 35.000 hypotheek op het huis, verstrekt door Catharina ter Borch, wed. Derk van der Wyck, welke op 16 Januari 1766 aan haar tweede echtgenoot Balthazar Muntz werd afgelost. Gerrit Helmich van Voërst had nI. in 1765 de havezate benevens het erve Wittengoed verkocht aan Carel graaf van Wartensleben en zijn vrouw Conradine barones van Qnaedt voor f 13.50021) en het transport volgdè op 30 Januari 1766. Het grote verschil met de vorige koopprijs is wellicht te verklaren, doordat de koper de hypotheek van f 35.000 zal hebben afgelost. De nieuwe eigenaar werd op 10 April 1767 van deze havezate in de Ridderschap van Overijssel verschreven, doch verkocht haar in 1786 aan Joachim baron van Plettenburg voor f 47.00022),

20)

Vgl. het register van de 50e penning van ZwollerkerspeI, 21 Mei

Geslachtk. Aant.

1752. Alsvoren 26 April 1765. Alsvoren, 5 October 1786. Van Doorninck, blz. 369.

21) 22)

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

61 terwijl de overdracht voor het schoutengericht op 6 Juli 1787 plaas vond. In deze tijd van patriottische woelingen kreeg van Plettenburg - die niet in de Ridderschap van Overijssel verschreven was - moeilijkheden met het vrijcorps te Windesheim, waarover in het oud-archief der gemeente Zwolle nog vcrscheidene getuigenverhoren aanwezig zijn 23). Van Plettenburg vond het daarom beter, voor enige tijd naar Leeuwarden te verhuizen, doch keerde later op Windesheim'terug, waar hij op 18 Aug. 1793 overleed. Zijn vrouw Cornelia Charlotte Feith stierf aldaar eerst op 5 Nov. 1812. Hare erfgenamen verkochten de havezate publiekelijk en op 16 Juni 1813 had door de rechtbank te Zwolle de definitieve toewijzing plaats aan Hendrik Antonie Zwier, baron de Vos van Steenwijk, genaamd van Essen, wonende te Vollenhove, voor de somma van f 37.205 24). In deze familie is het huis steeds van vader op zoon vererfd, totdat het in October 1944 aan de oorlog ten offer viel.

23) Zie J. Geesink: Uit ZwolZe'~ 'Verleden, blz. 149. Register van toewijzing, aangelegd ingevolge art. 751 van de Code de procédure civile (Archief rechtbank Zwolle 1811-1838).

24)

VORG, Verslagen en mededeelingen 74 (1959)

Information

De havezate Windesheim

15 pages

Find more like this

Report File (DMCA)

Our content is added by our users. We aim to remove reported files within 1 working day. Please use this link to notify us:

Report this file as copyright or inappropriate

748865


You might also be interested in

BETA
De havezate Windesheim