Read jrg-juni2007-teunisse-leerkrachtenlerensignaleren.pdf text version

Zorgplan Motoriek

Leerkrachten leren signaleren

Jolijn Teunisse Een van de grote problemen bij veel kinderen van deze tijd is, dat ze een minder gezond leven leiden dan kinderen van een aantal jaren geleden. Hun eetgewoontes zijn ongezond en ze krijgen te weinig dagelijkse beweging. Door op deze manier te leven hebben zij een groter risico op achterstand in hun lichamelijke ontwikkeling en lopen ze meer kans op overgewicht en obesitas. Helaas begint dit al op heel jonge leeftijd. Uit cijfers van een rapport van de Jeugdmonitor Rotterdam is bijvoorbeeld gebleken dat 11 procent van de onderbouwleerlingen in het basisonderwijs overgewicht heeft; 6 procent heeft obesitas (Jeugdmonitor, 2006). 'Voor de lichamelijke ontwikkeling van een kind is het uiterst belangrijk dat het al op jonge leeftijd veel beweging krijgt. Dit zorgt voor de ontwikkeling van de motoriek en de zintuigen. En dat leidt tot het besef van verhoudingen van de wereld om zich heen. Verder bevordert een regelmatig gebruik van de spieren en belasting van botten een goede en evenwichtige groei', zegt jeugdarts Xandra de Bruijn van de GGD RotterdamRijnmond. Omdat de buitenruimte kleiner wordt, vaak omkaderd is en toezicht moeilijk is, spelen kinderen vaker binnen. 'Daarom is het erg belangrijk dat ze op school veel beweging krijgen en daar ook wordt gelet op lichamelijke ontwikkeling,' aldus De Bruijn. Zij is betrokken geweest bij het Zorgplan Motoriek voor basisscholen in Rotterdam. Verderop meer over dit project.

Anita Riemersma

Mogelijke oorzaken

Het gezondheidsprobleem van kinderen heeft vele factoren. Volgens een rapport van TNO Kwaliteit van Leven (De Vries e.a., 2005) ligt het voornamelijk aan het gebrek aan beweging. Vooral kinderen in steden halen niet de dagelijkse behoefte van één uur beweging. Slechts 20 procent van de kinderen zou dit uur beweging krijgen (Zeijl e.a., 2005). Dit zijn dan voornamelijk de kinderen die veel bij sportverenigingen zitten en daarbij ook veel buiten spelen. Dit blijkt namelijk een verband te hebben: kinderen die veel sporten, spelen

Neem na schooltijd eens een kijkje op straat. Wat je ziet is eigenlijk wat je niet ziet: kinderen. Ook al op jonge leeftijd spelen kinderen vaak binnen. Wat zijn hier de consequenties van? Welke invloed heeft dit op de ontwikkeling van een kind? En kan bijvoorbeeld de school hier invloed op uitoefenen? 344

De wereld van het jonge kind | juni 2007

ook vaker buiten en komen eerder aan die dagelijkse behoefte van één uur beweging. Een andere oorzaak is dat kinderen minder naar school lopen of fietsen. 'De kinderen laten fietsen en lopen vinden ouders vervelend door gebrek aan tijd om ze te begeleiden en vanwege de gevaren in het verkeer. Toch is dat beetje intensievere beweging per dag wel nodig voor de lichamelijke ontwikkeling van een kind,' zegt Xandra de Bruijn. Men spreekt ook wel van 'achterbankkinderen': het zijn de kinderen die de ouders op weg naar hun werk met de auto op school afzetten, omdat dat beter uitkomt. Achterbankkinderen hebben het druk en een van de oorzaken zou gelegen zijn in het schuld- en prestatiegevoel van de ouders (Onderwijsbureau, 2003). Ouders willen het allerbeste voor het kind, maar omdat ze vaker weg zijn vanwege hun baan voelen zij zich schuldig. Ze willen de gemiste tijd goedmaken door hun kind te geven wat het wil. Daarnaast willen ouders ervoor zorgen dat hun kinderen zich ontwikkelen op veel vlakken door ze actief te laten zijn bij een groot aantal verschillende verenigingen en clubjes. Een kind veel te willen leren door een ruim aanbod aan activiteiten kan goed zijn voor de ontwikkeling van het kind, maar is in meerdere opzichten ook schadelijk. Doordat het kind een volle agenda krijgt, is er geen tijd meer om vrij te spelen. Deze tijd is juist heel erg belangrijk voor de creatieve ontwikkeling. Daarnaast zal het kind ook vaak met de auto van activiteit naar activiteit gereden worden wat de dagelijkse beweging weer benadeelt. Ook het ontregelde eetgedrag van de kinderen speelt een rol in hun gezondheidsprobleem. Volgens het Voedingscentrum eten kinderen niet méér, maar eten ze váker op een dag. Deze tussendoortjes bestaan dan vaak uit een product met veel calorieën en weinig voedingsstoffen. Ook ontbijten kinderen te weinig en/of niet fatsoenlijk. Uit cijfers van GGD Rotterdam-Rijnmond blijkt dat 10 procent van de kinderen niet vijfmaal per week ontbijt. Xandra de Bruijn: 'Veel ouders geven het kind een vervangend ontbijt mee wat ze tijdens het eerste eetmoment, vaak rond een uur of tien, op school opeten. Doordat de kinderen tot die tijd geen energie binnen krijgen, zal hun lichaam ook later op gang komen en zal de concentratie tot die tijd ook lager zijn. Hun eetritme is ook ontregeld wanneer ze pas om tien uur voor het eerst eten, waardoor ze nauwelijks honger hebben met de lunch en om drie uur een tussendoortje moeten nemen tegen de trek.'

aan een aantal projecten die het probleem van kinderen en bewegen aanpakken. Zo zijn er productconcepten bedacht met lichtgevende tegels waarmee kinderen actieve spelletjes kunnen doen; er zijn concepten waarbij kinderen geluid kunnen maken door te bewegen; en er is een idee neergelegd voor een driedimensionaal interactief speeltoestel van elastiek. Veel ontwikkelde concepten stimuleren de kinderen om meer te bewegen en vooral om dit buiten te doen. De concepten met lichtgevende tegels zijn voor de jongere doelgroep ontwikkeld. Dit spel kan in de buurt van thuis gespeeld worden en stimuleert grove motorische bewegingen zoals rennen en springen. Tot nog toe blijven dit soort projecten nog steken in de ideefase omdat er nog geen geld en markt is voor verdere ontwikkeling.

Zorgplan Motoriek

In de praktijk zien we nu wel al projecten die in samenwerking met scholen en artsen worden opgezet om de kinderen weer meer te laten bewegen in combinatie met goede voeding. Zorgplan Motoriek is zo'n voorbeeld. Het project is in Rotterdam opgezet, in samenwerking met verzekeringsmaatschappij Achmea, Weer Samen Naar School (WSNS), Rotterdam Noord en Lage Land Oefentherapie Cesar & Fysiotherapie. In dit zorgplan, geleid door Ria Oudeboon, Edward Hijzen en Famke de Wilde, worden kleuters die achterlopen in hun motorische ontwikkeling, gesignaleerd en geholpen. Door een combinatie van interne begeleiding, bewegingsonderwijs en oefentherapie wil men de achterstand in ontwikkeling van kleuters opvangen. `De kracht van het programma ligt bij de leerkrachten,' zegt Ria Oudeboon, intern begeleider en verantwoordelijk voor de coördinatie van het onderwijs en de zorg. `Wij leren de leerkrachten achterstand in ontwikkeling signaleren; daarna is het aan ons om samen met deze leerkrachten en oefentherapeuten de ontwikkeling van de kinderen weer te stimuleren en te activeren.' De leerkrachten worden getraind om planmatig bewegingsonderwijs te geven. Daarnaast leren ze omgaan met een leerlijn `Extra motorische oefeningen' en worden ze geacht minimaal vier keer per week met de `zorgleerlingen' deze oefeningen te doen. Met behulp van de Rotterdams Kleuterscreening leren leerkrachten om motorische achterstanden te signaleren. Kinderen die hierop uitvallen worden nader bekeken door medewerkers van WSNS (mrt'er), mogelijk samen met de leerkracht. Binnen een maand wordt bij de zorgleerlingen, na toestemming van de ouders, op school de movement-ABC afgenomen. Deze test, uitgevoerd door een oefentherapeut cesar- of kinderfysiotherapeut, is bestemd voor kinderen die geen aantoonbare neurologische aandoening hebben. Ze bestaat uit items voor vier leeftijdsgroepen. Bij elke leeftijdsgroep komen dezelfde items terug, maar met een andere uitvoering. Drie items meten de fijne motoriek, twee de balvaardigheid en drie het statisch of dynamisch evenwicht. Hierna volgt individuele behandeling op school. De leerkrachten signaleren zo eerder problemen en werken zelf mee

Zijn er oplossingen?

De grote vraag is natuurlijk hoe je dit probleem oplost. Hoe voorkom je dat de kinderen achterlopen in lichamelijke ontwikkeling en dik worden? Dat deze vraag ook voor toekomstige productontwikkelaars leeft, blijkt wel uit het feit dat studenten van de faculteit Industrial Design van de Technische Universiteit Eindhoven, in samenwerking met onder andere TNO Kwaliteit van Leven, elk semester werken

De wereld van het jonge kind | juni 2007

345

aan de oplossing, waardoor alle kinderen een beter startpunt hebben als ze naar groep 3 gaan en de fundamentele kleutervaardigheden moeten beheersen. Ook Xandra de Bruijn vindt dat de school mede verantwoordelijk is om achterstand in ontwikkeling aan te pakken: 'Als leerkrachten beter kunnen signaleren wanneer een kind motorisch minder goed ontwikkeld is dan voor zijn of haar leeftijd gebruikelijk is, kan het ook echt eerder en dus beter aangepakt worden.' Wel is het belangrijk dat leerkrachten leren hoe ze moeten kijken, zodat er niet te vroeg aan de bel getrokken wordt. Kinderen hebben allemaal hun eigen ontwikkelingstempo en daarmee moet de leerkracht rekening houden.

Conclusie

Moeten we in samenwerking met de scholen aan een oplossing werken, is het een opvoedingskwestie of moeten we de kinderen met behulp van nieuwe producten weer aan het bewegen krijgen? Belangrijk is dat ouders en opvoeders zich gaan realiseren dat ze hun kinderen andere eetgewoontes moeten bijbrengen. Een goed ontbijt is het halve werk. Ook moeten ze zich realiseren dat een volle agenda niet goed is voor een kind. Dit zijn grote en ingewikkelde stappen. Signaleren op scholen is zeker een aanzet in de goede richting om beweging te stimuleren. Als leerkrachten al op vroege leeftijd van het kind achterstand in ontwikkeling kunnen ontdekken en dit in samenwerking met specialisten kunnen aanpakken, krijgen de kinderen in ieder geval een goede basis en daarmee een goede start om zich verder te ontwikkelen. Dit signaleren kan bijvoorbeeld al op het schoolplein door goed te kijken wat de kinderen aan het doen zijn. Zo gaf Edward Hijzer van het Zorgplan Motoriek een voorbeeld: 'Kijk bijvoorbeeld eens naar dat meisje dat altijd zo lief andere kinderen helpt bij de balanceerbalk. Zelf probeert zij het nooit. Een leerkracht moet dat signaleren en kan het meisje motiveren om ook zelf eens over de balk te lopen.' Als scholen zich inzetten om leerkrachten te leren signaleren en daarbij de professionele ondersteuning ontvangen in de vorm van projecten als Motoriek, kunnen al veel problemen voorkomen worden. In dit project was helaas de participatie van jeugdartsen wegbezuinigd, maar een dergelijke samenwerking kan voor de gezondheid van het kind wel betekenisvol zijn. De jeugdarts kan extra adviseren over de gezondheid van de kinderen en over hun eetgewoontes. De wisselwerking tussen opvoeders en specialisten is een goede basis om de problemen verder aan te

pakken. Ook ouders moeten gemakkelijk toegang krijgen tot specialisten op scholen en tot de Jeugdgezondheidszorg voor hulp bij de opvoeding van het kind. Als deze lijnen steeds korter worden, heeft dat een positieve uitwerking op de gezondheid van het kind en zijn toekomst. Jolijn Teunisse studeert aan de Technische Universiteit Eindhoven, derdejaars bachelor faculteit Industrial Design ([email protected]).

Literatuur

Jeugdmonitor (2006), Overgewicht in Rotterdam. Rotterdam. Onderwijsbureau (2003), Informatief on-2003-01. Meppel. Vries, S.I. de, I. Bakker, K. van Overbeek, N.D. Boer, M. Hopman-Rock (2005), Kinderen in prioriteitswijken: lichamelijke (in)activiteit en overgewicht. TNO Kwaliteit van Leven, Leiden. Zeijl, E., M. Crone, K. Wiefferink, S. Keuzenkamp, M. Reijneveld (2005), Kinderen in Nederland. Sociaal en Cultureel Planbureau, TNO Kwaliteit van Leven, Leiden.

346

De wereld van het jonge kind | juni 2007

Anita Riemersma

Information

3 pages

Report File (DMCA)

Our content is added by our users. We aim to remove reported files within 1 working day. Please use this link to notify us:

Report this file as copyright or inappropriate

491340


You might also be interested in

BETA
untitled