Read Puncties text version

onbewaakte kopie

Protocollenboek Voorbehouden en Risicovolle en Overige handelingen Hoofdstuk Puncties

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 1

Inhoudsopgave Bloedglucosewaarden bepalen ......................................................................................................................... 1 Cholesterolwaarden bepalen............................................................................................................................. 7 Ascitespunctie.................................................................................................................................................... 9 Venapunctie voor bloedafname....................................................................................................................... 14 Meterbeschrijving: Accutrend GC.................................................................................................................... 16 Meterbeschrijving: Ascensia Breeze 2 ............................................................................................................ 18 Meterbeschrijving: Precision Xceed ................................................................................................................ 20 Meterbeschrijving Securject Pro...................................................................................................................... 22

© Vilans 21-01-2011

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 1

Bloedglucosewaarden bepalen 1

Inleiding

Het bepalen van de bloedglucosewaarde (=bloedsuikerwaarde) is voor de cliënt met diabetes een belangrijk onderdeel van de behandeling. Mensen met diabetes mellitus leren over het algemeen zelf de bloedglucose te meten (=zelfcontrole). Zelfcontrole is een essentieel onderdeel van diabeteseducatie. Bij voldoende inzicht en kennis van de cliënt over de diabetes biedt zelfcontrole bovendien de mogelijkheid om de bloedglucose zelf bij te sturen (=zelfregulatie). Zelfregulatie geeft cliënten de mogelijkheid minder afhankelijk van de zorgverlening te zijn. Het meten van de bloedglucosewaarde wordt ook gedaan bij het stellen van de diagnose diabetes mellitus. Om de bloedglucosewaarde te bepalen, wordt een druppel bloed uit de vinger (capillair) of uit de ader (veneus) op een teststrook opgevangen of opgezogen. Met behulp van een bloedglucosemeter wordt de bloedglucosewaarde bepaald. Afhankelijk van de meter en de gebruikte teststrook wordt de bloedglucosewaarde gemeten in volbloed of in het bloedplasma.

Volbloed versus plasma 2

Bloedglucosewaarden kunnen bepaald worden in volbloed of in plasma. Bij het meten in plasma verkrijgt men hogere referentiewaarden dan bij het meten in volbloed (zie afbeelding 1). Hiermee dient rekening te worden gehouden als men de waarden onderling vergelijkt. De verklaring hiervoor is als volgt: In volbloed zitten bloedcellen. Glucose wordt opgelost in het waterige deel van het bloed. Een meting in volbloed wordt gemeten in het waterige deel, maar uitgedrukt in de concentratie volbloed (dit is inclusief het volume bloedcellen). In plasma zitten geen bloedcellen. Het volume wordt kleiner waardoor een hogere concentratie glucose gemeten wordt. Plasma bestaat voor 95% uit water en volbloed uit 84% water. Hierdoor wordt het verschil van 12-15% (afhankelijk van de hematocrietwaarde van de cliënt) verklaard tussen beide type metingen van de bloedglucosewaarde. Houweling geeft in zijn artikel aan dat capillaire metingen geschikt zijn om een behandeling te evalueren, maar niet om de diagnose diabetes mellitus te stellen. Hij geeft aan dat draagbare bloedglucosemeters 10 tot 15% afwijkend meten. Mede daarom kan men daarmee niet vaststellen of iemand diabetes mellitus heeft. Laboratoria bepalen de bloedglucosewaarde vrijwel altijd in veneus plasma. Draagbare bloedglucosemeters, waarbij bloed verkregen wordt door middel van capillair bloed (bijvoorbeeld door een vingerprik), zijn gekalibreerd op bepaling van de glucosewaarde in capillair volbloed (volbloed gekalibreerd) of de waarde wordt omgerekend in plasma (plasmagekalibreerd). Hoe de kalibratie is afgesteld staat vermeld in de bijsluiter die door de fabrikant wordt meegeleverd. Op plasmagekalibreerde teststroken staat een internationaal symbool dat staat voor plasmakalibratie. Zie hieronder.

1 2

Uit: Diabetes Informatiemap. december 1999. ST Houweling; artikel DiabetesSpecialist, maart 2006, jaargang 5, nummer 18; Draagbare glucosemeter niet geschikt voor stellen diagnose diabetes.

Achtergrondinformatie Bloedglucosewaarden bepalen: 1 (van 6)

© Vilans 24-10-2010

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 2

Bloedglucosewaarden

In de NHG-standaard 3 staan de volgende bloedglucosewaarden genoemd (zie afbeelding 1) die gehanteerd worden bij het vaststellen of iemand diabetes mellitus heeft. Als een bloedglucosewaarde gevonden wordt die daarop wijst, wordt een aantal dagen erna opnieuw gecontroleerd. Afbeelding 1 Bloedglucose waarden: Evaluatie Normaal Gestoord Diabetes mellitus glucose nuchter glucose niet nuchter glucose nuchter glucose nuchter glucose niet nuchter Capillair volbloed < 5,6 mmol/l < 7,8 mmol/l 5,6 en 6,0 mmol/l > 6,0 mmol/l > 11,0 mmol/l Veneus plasma < 6,1 mmol/l < 7,8 mmol/l 6,1 en 6,9 mmol/l > 6,9 mmol/l > 11,0 mmol/l

Bij de behandeling van mensen die al diabetes mellitus hebben wordt gestreefd naar normale bloedglucosewaarden. Dit houdt voor diabetespatiënten in dat de bloedglucosewaarde: nuchter: tussen 4 en 7 mmol/l is; twee uur na het eten: onder 11 mmol/l.

Bloedglucosecurve

Een curve bestaat uit een reeks van bloedglucosewaarden die op verschillende vaste momenten op de dag worden bepaald. De tijdstippen waarop dit gebeurt worden in overleg met de cliënt vastgesteld. Hieronder staan voorbeelden van een 4, een 5 en een 8 puntcurve. Vierpuntscurve Een vierpuntscurve is opgebouwd uit een nuchtere waarde direct na het opstaan, vervolgens de waarde vóór het middagmaal, de waarde vóór de avondmaaltijd en de waarde vóór het naar bed gaan. Vijfpuntscurve Bij een vijfpuntscurve wordt de bloedglucosewaarde, naast de vier meetmomenten bij een vierpuntscurve, eveneens gemeten vóór het slapen gaan. Afhankelijk van de therapie worden de precieze tijdstippen vastgesteld.

3

Uit: NHG-standaard Diabetes Mellitus type II; Nederlands Huisartsen Genootschap; laatste rectificatie 05-09-2006.

Achtergrondinformatie Bloedglucosewaarden bepalen: 2 (van 6)

© Vilans 24-10-2010

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 3

Achtpuntscurve Een achtpuntscurve is de hiervoor beschreven vierpuntscurve, aangevuld met drie waarden steeds 1,5 tot 2 uur ná iedere maaltijd en een nachtwaarde omstreeks drie uur `s nachts. Als van de nachtelijke bepaling wordt afgezien spreken we van een zevenpuntscurve.

Afnemen van bloed

In laboratoria wordt de bloedglucosewaarde vrijwel altijd bepaald in plasma door middel van een venapunctie verkregen (veneus plasma). Capillair bloed wordt afgenomen uit de vinger, hiel of oorlel (niet bij volwassenen). De geschikte vingers om in te prikken zijn voor volwassenen de ring- en middelvingers en pinken. De wijsvinger en de duim worden meestal ontzien omdat deze het meest gebruikt worden en gevoeliger zijn. De zijkant van de vingertop is het minst pijnlijk, aangezien daar minder (tast)zenuwen zitten. Bij baby's wordt bij voorkeur in de zijkanten van de hiel geprikt. Bij hoge uitzondering in de oorlel (is lastiger). Het ligt aan de grootte van het kind, maar pas vanaf een leeftijd van 6 ­ 12 maanden wordt de vinger als prikplaats gebruikt 4 . In een brief van de Inspectie voor de Gezondheidszorg 5 worden belangrijke aandachtspunten genoemd bij het meten van de bloedglucosewaarden via capillair bloed: De inspectie benadrukt dat om te voorkomen dat uitslagen onjuist zijn de hulpverlener vóór het prikken de handen goed moet wassen of desinfecteren met handalcohol. De cliënt dient de prikplaats goed te reinigen met (bij voorkeur warm) water. Desinfectie van de vinger is niet noodzakelijk als de handen goed gewassen worden met water. Als de vinger goed droog is dient na het prikken de eerste bloeddruppel te worden weggeveegd 6 . Op deze manier wordt beïnvloeding van het testresultaat door vuil of achtergebleven desinfectans voorkomen. De Inspectie geeft ook aan dat een bloedglucosemeting alleen mag worden verricht uit een bloeddruppel die eenvoudig en zonder stuwen is verkregen (het "melken" van de vinger). Dit omdat dan naast bloed ook ander vocht in de druppel terechtkomt en het testresultaat beïnvloedt. Ook wordt in de brief vermeld dat het testveld direct goed gevuld dient te zijn met bloed. Als er onvoldoende bloed op het testveld is gekomen, mag er niet bijgevuld worden. De test moet in dat geval worden herhaald met een nieuwe teststrook.

Bloedprikapparaten

Voor het aanprikken van capillair bloed zijn verschillende apparaatjes beschikbaar. Deze bieden de mogelijkheid om dieper of ondieper te prikken, afhankelijk van de huiddikte van de cliënt. Voor iedere bloedglucoseprik dient een nieuw lancetje gebruikt te worden.

4 5

6

A. Geluk; kinder diabetesverpleegkundige UMCG Groningen (2009). Brief Inspectie voor de Volksgezondheid; Point-of-Care bloedglucosemeters d.d. 3 april en 23 juli 2008. De inspectie wijkt hier af van het advies van de EADV (2004). EADV en inspectie zijn hierover nog in overleg. EADV zal in 2009 met een nieuwe richtlijn komen.

Achtergrondinformatie Bloedglucosewaarden bepalen: 3 (van 6)

© Vilans 24-10-2010

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 4

De lancetjes moeten na gebruik altijd zorgvuldig in een naaldenbeker gedeponeerd worden. De gebruikte teststroken worden eveneens in de naaldenbeker gedaan omdat er bloed op zit. Sommige bloedprikapparaten hebben een lancettenhouder met meerdere lancetten. Dit houdt in dat niet voor iedere bloedsuikercontrole een nieuwe lancet in de pen geplaatst wordt, maar dat de gehele lancettenhouder na een aantal keren prikken vervangen wordt. Een gebruikte lancet wordt direct na de prik in de naaldenbeker geworpen. Dit gaat met behulp van een uitwerpmechanisme. Men houdt de pen boven de naaldenbeker en werpt de gebruikte lancet met behulp van het uitwerpmechanisme in de naaldenbeker (bijvoorbeeld bij de Accu-Chek Softclix). Uitzondering hierop is de Accu-Chek Multiclix. Bij dit bloedprikapparaat is er geen direct contact met de lancetten. Een gebruikte lancet verdwijnt in de lancethouder. De lancetten worden weergegeven met cijfers. Men kan goed zien hoeveel ongebruikte lancetten er nog over zijn. Als de lancettenhouder leeg is verschijnt er een rode streep. De gehele lancettenhouder wordt dan vervangen door een nieuwe. De gebruikte lancettenhouder hoeft niet via een naaldenbeker te worden afgevoerd, maar kan `in z'n geheel' (dus met de gebruikte lancetten) in de afvalbak weggegooid worden en met het huisvuil worden afgevoerd. De houder biedt voldoende bescherming om prikaccidenten te voorkomen 7 . Keuze bloedglucosemeter Bij Zorggroep Almere (ZGA) is een gebruikersraadpleging georganiseerd onder cliënten om voorkeursmeters aan te kunnen wijzen 8 . De ervaringen van cliënten vindt men té belangrijk ongebruikt te laten. Keuze voor een klein assortiment bloedglucosemeters biedt de professional tevens de mogelijkheid de meters beter te kennen en daarmee ook de instructie aan de cliënten te verbeteren. Aspecten in de gebruikersraadpleging waren onder andere: Vormgeving bloedglucosemeter Gebruiksgemak bloedglucosemeter Kwaliteit van de bijbehorende prikpen Door 23 cliënten van Zorggroep Almere zijn de volgende bloedglucosemeters als best getest: Accu-Chek Compact Plus GT Breeze 2 One Touch Vita

Techniek van het bepalen van bloedglucosewaarden

Voor de meting van de bloedglucosewaarde bestaan twee verschillende technieken: methode via elektrische geleiding; deze methode wordt het meest gehanteerd; methode via fotoreflectie (fotometrische kleurbepaling). Beide technieken worden uitgevoerd met behulp van een bloedglucosemeter. Teststroken zijn geschikt voor éénmalig gebruik. Bloedglucosemeters werken op batterijen. Vroeger werd ook gebruik gemaakt van een chemische methode. Hierbij werd de controle uitgevoerd met een teststrook die afgelezen werd op kleur; al dan niet met behulp van een bloedglucosemeter. Deze methode is foutgevoelig en verouderd en wordt hier niet meer beschreven.

7 8

Accu-Chek-Multiclix; Roch Diagnostics; 2010. Inge Beers, Henk Kole Zorggroep Alemere. De meter gemeten. Artikel EADV Magazine. mei 2010.

Achtergrondinformatie Bloedglucosewaarden bepalen: 4 (van 6)

© Vilans 24-10-2010

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 5

Werkwijze Er wordt gebruik gemaakt van bloedglucosemeters waarbij slechts een klein beetje bloed voldoende is om de meting te starten. Het bloed wordt op de teststrook gedeponeerd of het bloed wordt `opgezogen' door de teststrook die in het bloed gehouden waarna de bloedglucosewaarde vanzelf op het afleesvenster verschijnt. Is de cliënt niet in staat de gecontroleerde waarde te noteren bestaat bij veel bloedglucosemeters de mogelijkheid om de waarden in het geheugen op te slaan. Bij een aantal meters is het mogelijk om met de geschikte software de meter aan te sluiten op een computer en de glucosewaarden te printen. Iedere merk bloedglucosemeter heeft specifieke bijbehorende teststroken en gebruiksaanwijzing. Bloedglucosemeters worden steeds gevoeliger. Dit betekent dat er steeds minder bloed nodig is om de bloedglucose te meten. Het is echter wel van belang dat er voldoende bloed wordt opgebracht of opgezogen. Sommige meters starten niet als er onvoldoende bloed is aangebracht. Als er voldoende bloed is opgezogen wordt dit zichtbaar op het afleesvenster door middel van een piepje of doordat de meting automatisch start.

Controle van de meter

Bij de meeste meters behoort een controlestrip of controlevloeistof, waarmee de betrouwbaarheid van de meter en/of teststroken gecontroleerd kan worden.

Algemene aandachtspunten gebruik bloedglucosemeters

Het meten van glucosewaarden in het bloed is een risicovolle handeling. De Inspectie voor de Gezondheidszorg wijst er in een brief op 9 dat bloedglucosemeters die bestemd zijn voor gebruik in de thuissituatie ten zeerste afgeraden worden voor gebruik bij meerdere mensen. Meters voor thuisgebruik zijn specifiek bestemd voor gebruik door één persoon en niet bedoeld voor een groep cliënten. De Inspectie geeft in de genoemde brief aan dat bij twijfel over de verkregen uitslag de volgende stappen moeten worden ondernomen: ­ De test herhalen in een vinger van de andere hand. ­ Bij blijvende twijfel de test herhalen met behulp van een laboratoriumtest die gebaseerd is op een andere techniek (met veneus plasma dat via venapunctie is verkregen). ­ Bij cliënten die niet voldoende aanspreekbaar zijn verdient regelmatige controle met een laboratoriumbepaling in door venapunctie afgenomen bloed de voorkeur. ­ In geval van aanhoudende afwijkingen van apparatuur beveelt de inspectie aan om de oorzaak te onderzoeken en de fabrikant te informeren. Neem kennis van de gebruiksaanwijzing van het bloedprikapparaat en de bloedglucosemeter. Voor een goede meting met behulp van een bloedglucosemeter is een goede techniek vereist. Dit geldt zowel voor het ­ uitvoeren van de vingerprik; ­ het gebruik van de meter; ­ het juist noteren van de gevonden waarden. Het buisje met teststroken moet direct na gebruik weer goed gesloten worden. Bewaar de teststroken op kamertemperatuur (10º -30 ºC).

9

© Vilans 24-10-2010

Brief Inspectie voor de Volksgezondheid; Point-of-Care bloedsuikermeters d.d. 3 april 2008.

Achtergrondinformatie Bloedglucosewaarden bepalen: 5 (van 6)

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 6

Zorg ervoor dat de meter gecodeerd is. Bij sommige meters moet de meter bij iedere nieuwe verpakking teststroken gecodeerd worden. De maateenheid die gehanteerd wordt bij het meten van de bloedglucosewaarde is in Nederland mmol/liter. Let er op dat de meter hierop is ingesteld. Controleer de houdbaarheid van de teststroken. Teststroken zijn houdbaar tot 6 maanden na openen van de koker. Noteer zo nodig de datum van openen van de koker. De omgevingstemperatuur bij het gebruik van een bloedglucosemeter heeft invloed op het testresultaat. Over het algemeen wordt een temperatuur tussen 8º en 35 ºC aangeraden. Het verdient de voorkeur als de meter én de teststroken voor gebruik ongeveer gelijk van temperatuur zijn. Er kan sprake zijn van defecten in zowel de meter als de teststrook. Tussen de meters van hetzelfde type blijken grote verschillen in de metingen voor te kunnen komen (Houweling ST; 10 ­ 15 %). De nauwkeurigheid van de bloedglucosemeter neemt nog verder af als er sprake is van te lage of juist te hoge bloedglucosewaarden. De levensduur van bloedglucosemeters is verschillend, het varieert van 480-1000 tests. Gebruikte literatuur Papendrecht-Poelman ACM. Diabetes informatiemap 2004. Pronounce, Zaltbommel. Houweling ST et al, Protocollaire diabeteszorg, mogelijkheden voor taakdelegatie. Isala Series, 2006.

© Vilans 24-10-2010

Achtergrondinformatie Bloedglucosewaarden bepalen: 6 (van 6)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 7

Cholesterolwaarden bepalen

Inleiding

Een verhoogd cholesterolgehalte is één van de belangrijkste risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Het bepalen van de cholesterolwaarde is daarom vooral voor risicogroepen van belang. Om de cholesterolwaarde in het bloed te bepalen, wordt een druppel bloed uit de vinger op een teststrip opgevangen of opgezogen. De teststrip wordt afgelezen door een meter of het testveld wordt vergeleken met een kleurenschaal.

Wat is cholesterol?

Cholesterol is een vetachtige, niet in water oplosbare stof, die in het lichaam onder andere als bouwstof wordt gebruikt. Tevens speelt cholesterol een rol bij de productie van hormonen en bij de spijsvertering. Cholesterol zit veel in dierlijke en plantaardige voedingsproducten; maar wordt eveneens gemaakt door het lichaam, met name in de lever. Een teveel aan cholesterol in het bloed is slecht voor de gezondheid. Cholesterol kan zich ophopen aan de binnenzijde van de vaatwanden waardoor deze kunnen vernauwen of dichtslibben. Hierdoor kunnen uiteindelijk hart- en vaatziekten ontstaan zoals een hartinfarct, een beroerte, etalagebenen. Er wordt gesproken over twee soorten cholesterol: de `goede' en de `slechte' cholesterol. De `goede' cholesterol oftewel HDL-cholesterol verwijdert het teveel aan cholesterol uit het bloed en van de vaatwanden. De `slechte' cholesterol oftewel LDL-cholesterol kan zich vasthechten aan de binnenkant van de vaatwanden waardoor hart- en vaatziekten kunnen ontstaan.

Waarom testen op cholesterol?

Een verhoogd cholesterolgehalte van het bloed geeft in eerste instantie geen klachten. Omdat een verhoogd cholesterol een belangrijke risicofactor is voor hart- en vaatziekten is het van belang om de waarde in de gaten te houden. Het cholesterolgehalte in het bloed kan te hoog worden door het eten van te veel onverzadigde vetten. Het kan ook verhoogd raken ten gevolge van diabetes mellitus, overgewicht en door een erfelijke aanleg (familiaire hypercholesterolemie). Het cholesterolgehalte kan laag gehouden worden door goed op de voeding te letten (vooral eten van minder verzadigde vetten), meer te bewegen en niet te roken. Indien dit niet voldoende is om het cholesterolgehalte laag te houden, zijn er medicijnen die het cholesterolgehalte kunnen verlagen. Deze kunnen worden voorgeschreven door een huisarts of specialist. Het is voor iedereen verstandig om op de hoogte te zijn van het cholesterolgehalte in het bloed, maar vooral voor mensen met: diabetes mellitus; een hoge bloeddruk; een erfelijke aanleg voor een te hoog cholesterolgehalte. Of en hoe vaak gecontroleerd moet worden, hangt af van de aanwezige risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Als cholesterolverlagende medicijnen worden gebruikt, wordt vooral het LDL-cholesterol na enkele weken tot een paar maanden gecontroleerd. Daarna wordt jaarlijks gecontroleerd waarbij naar alle risicofactoren wordt gekeken.

© Vilans 17-07-2007

Achtergrondinformatie Cholesterolwaarden bepalen: 1 (van 2)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 8

Cholesterolwaarden

De hoogte van de cholesterolwaarde wordt uitgedrukt in miligram per deciliter (mg/dl) en/of milliml per liter (mmol/l). Als men de hoeveelheid cholesterol van mg/dl wil omrekenen naar mmol/l dient het door 38,6 gedeeld te worden. Of de waarden van het cholesterolgehalte normaal zijn of te hoog wordt niet alleen bepaald door de hoogte van het getal maar ook door de aanwezigheid van hart- en vaatziekten en risicofactoren, zoals bijv. roken, hoge bloeddruk of suikerziekte. Zo zal een LDLcholesterolgehalte van 3,5 mmol/l ideaal zijn voor een persoon zonder hart- en vaatziekten maar te hoog voor een persoon met hart- vaatziekten en suikerziekte. Een duidelijk overzicht van de richtlijnen voor normaalwaarden van totaal cholesterol, HDL-cholesterol, LDL-cholesterol en triglyceriden is te vinden op website www.bloedlink.nl.

Prikplaatsen

De geschikte vingers om te prikken zijn de ring- en middelvingers en pinken. In de wijsvinger en de duim wordt meestal niet geprikt omdat deze het meest gebruikt worden en dus gevoeliger zijn. De zijkant van de vingertop is het minst pijnlijk, aangezien daar minder (tast)zenuwen zitten. Voor het prikken van cholesterol is het van belang om de handen goed te wassen. De eerste druppel dient te worden weggeveegd. Vervolgens dient een tweede druppel geproduceerd te worden; er moet sprake zijn van een `liggende of hangende druppel'. Zo nodig wordt de productie gestimuleerd door de vinger vanuit de basis naar de top te stuwen. De druppel mag echter niet met te veel kracht uit de prikplaats gestuwd worden omdat dan naast bloed ook ander vocht in de druppel terechtkomt. Desinfectie van de vinger vóór het aanprikken is niet noodzakelijk.

Bloedprikapparaten

Voor het aanprikken van een bloeddruppel zijn verschillende apparaatjes beschikbaar. Deze bieden de mogelijkheid om dieper of ondieper te prikken, afhankelijk van de huiddikte van de patiënt. Voor iedere prik dient een nieuw lancetje gebruikt te worden. Deze lancetjes moeten na gebruik altijd zorgvuldig in een naaldenbeker gedeponeerd worden. De gebruikte teststrips worden eveneens na gebruik in de naaldenbeker gedaan omdat er bloed op zit. Bron: www.cholesterol.nl.

© Vilans 17-07-2007

Achtergrondinformatie Cholesterolwaarden bepalen: 2 (van 2)

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 9

Ascites en ascitespunctie1

Ascites

Ascites is een pathologische vochtophoping in de vrije buikholte (de peritoneaalholte). Als er sprake is van ascites als gevolg van kanker wordt van maligne ascites gesproken. Ascites ontstaat ten gevolge van de combinatie van verhoogde toevoer en een verminderde afvoer van vocht. Ascitesvocht is meestal heldergeel. Bij maligne oorzaken kan het vocht ook troebel of bloedering zijn. Een hoog eiwitgehalte maakt het ascitesvocht troebel.

Oorzaken van ascites

Ascites kan niet-maligne of maligne oorzaken hebben: Niet-maligne oorzaken: levercirrose; ontsteking van het hartzakje (pericarditis); hartfalen (decompensatio cordis); infecties (peritonitis, tuberculose en parasitair) ; trombose van de leverader (vena hepatica); verlaagd eiwitgehalte in het bloed (serumalbumine). Maligne oorzaken: peritoneale metastasen; uitgebreide levermetastasen; obstructie onderste holle ader (vena cava inferior) of leverader (vena hepatica) door tumorgroei; beschadiging van lymfvaten door tumorgroei.

Verschijnselen van ascites

Verschijnselen die kunnen wijzen op ascites zijn: geleidelijk toenemende buikomvang; buikpijn; gewichtstoename; weinig eetlust / snel vol gevoel, soms zuurbranden, misselijkheid of braken; kortademigheid (dyspnoe); enkeloedeem; vermoeidheid en verminderde mobiliteit. Cliënten die eenmaal bekend zijn met ascites kunnen vaak heel goed de klachten die passen bij (een toename van) ascites herkennen. Ascites leidt in wisselende mate tot klachten bij de cliënt. Volgens de Landelijke Richtlijn Ascites is in de eerste en tweede lijn een proefpunctie met een 10-ml-spuit met een lange naald (diameter 0,8 mm) de eerst aangewezen methode om ascites vast te stellen. Een echografie kan de diagnose bevestigen. Analyse van het ascitesvocht kan informatie geven over de oorzaak van de ascites.

Behandeling ascites

Behandeling van ascites is gebaseerd op: behandeling van het onderliggende lijden (chemotherapie of chirurgische resectie van metastasen);

1

© Vilans 04-06-2010

Bron: Landelijke Richtlijn Ascites, Versie 2.0; 19-01-2010; www.pallialine.nl

Achtergrondinformatie Ascitespunctie: 1 (van 5)

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 10

symptomatische behandeling, bijvoorbeeld: ­ ontlastende ascitespunctie of continue drainage; ­ een peritoneoveneuze shunt (bij levensverwachting van enkele maanden); ­ medicamenteuze behandeling, o.a. diuretica (het effect van diuretica bij maligne ascites is beperkt); ­ peritoneale toediening van radioactief fosfor (bij levensverwachting van enkele maanden). Goede verzorging van de buikhuid (met name als er sprake is van een sterk opgezette buik) en adviezen ten aanzien van houding en kleding zijn van belang. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de ascitespunctie, -drainage, bijwerkingen en complicaties en de peritoneoveneuze shunt.

Ascitespunctie en drainage

Een ontlastende ascitespunctie en drainage zijn geïndiceerd als zich klachten voordoen zoals een volle gespannen buik, onvoldoende voedselinname door een vol gevoel, dyspnoe en/of belemmeringen van de ADL. Cliënten die al eerder een ontlastende punctie hebben ondergaan, kunnen meestal heel goed zelf aangeven wanneer een volgende punctie noodzakelijk is. In 90% van de gevallen treedt een tijdelijke verlichting van de symptomen op, meestal gedurende 1 ­ 2 weken. Een ascitespunctie is een weinig belastende ingreep die ook heel goed in de thuissituatie verricht kan worden. Herhaalde puncties zijn vaak noodzakelijk. De klachtenvrije periodes worden vaak steeds korter.

Techniek

Er wordt bij voorkeur aan de linkerkant van de buik aangeprikt omdat rechts de inhoud van de buikholte minder vrij beweegt; kans op het aanprikken van de darm is rechts groter. Voordat de ascitespunctie wordt uitgevoerd, wordt eerst een proefpunctie gedaan. Proefpunctie De punctieplaats wordt bepaald door een vinger op het uitsteeksel van het bekken links te leggen en van daaruit een denkbeeldige lijn naar de navel te trekken. Leg de middelvinger van een hand gestrekt op de buik bij de navel en klop met een vinger van de andere hand op de gestrekte middelvinger, volg al kloppend de denkbeeldig getrokken lijn. Het geluid klink eerst hol en vervolgens gedempt, op deze overgang ligt de beste punctieplaats. Dit punt (het contralaterale punt van McBurney) ligt op ongeveer tweederde afstand van lijn tussen navel het uitsteeksel van het bekken, de spina iliaca anterior superior (zie tekening). Controleer nogmaals of het uitgerekende punt gedempt klinkt bij kloppen. Markeer het punt met een viltstift.

© Vilans 04-06-2010

Achtergrondinformatie Ascitespunctie: 2 (van 5)

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 11

Door palpatie wordt bepaald of er lokaal geen tumorgroei aanwezig is. Na het markeren van de punctieplaats wordt deze ontsmet en verdoofd. Tijdens de ingreep hoeven geen steriele handschoenen gedragen te worden indien de no touch methode wordt gehanteerd. Dit houdt in dat de naald van de canule en de overige naalden niet aangeraakt worden. Vervolgens wordt de proefpunctie uitgevoerd. Bij de toediening van lokale anesthesie wordt geprobeerd of ascitesvocht kan worden opgezogen. De naald wordt loodrecht op de huid ingebracht, de lokale verdoving wordt toegediend en er wordt verder geprikt tot weerstand (het buikvlies) gevoeld wordt. De naald wordt zachtjes door de weerstand heen gedrukt, terwijl de zuiger teruggetrokken wordt. Er verschijnt na het doorprikken van het buikvlies ascitesvocht in de spuit. Het komt sporadisch voor dat darminhoud/lucht wordt opgezogen. Dit is niet te voorkomen en geeft zelden complicaties omdat het kleine gaatje in de darmwand zich als regel spontaan sluit. Indien de darm wordt aangeprikt wordt met nieuw materiaal opnieuw gepuncteerd. Bij twijfel of bij een negatieve proefpunctie kan de beste plaats voor een ascitespunctie worden bepaald via een echogram. Punctie Voor de ascitespunctie maakt men gebruik van een kunstofcanule met mandrijn of een Pleurocathnaald die men loodrecht op de huid op de gemarkeerde plek inbrengt. Wanneer geen weerstand meer gevoeld wordt, bevindt de naald zich in de buikholte. Hierdoor/-over voert men de drain op tot in de peritoneale ruimte. De kunststofcanule moet ongeveer een centimeter dieper worden ingebracht dan de naald waarmee de verdoving en proefpunctie zijn gedaan, zodat deze zich niet door de ademhalingsbeweging terugtrekt door het buikvlies. Als er geen ascitesvocht komt is het mogelijk dat de canule te kort is. De punctie moet dan met een langerer naald of op een andere plaats herhaald worden. Hierna wordt de mandrijn/voernaald verwijderd. Aan de drain wordt een infuusslang gekoppeld waarvan de spike en de luchtkamer is afgeknipt. Het uiteinde wordt in een opvangsysteem gehangen op een lager niveau. Dit opvangsysteem kan een willekeurige bak of emmer zijn. Er is ook een speciaal ascitesdrainagesysteem op de markt met opvangzak en aftapkraan. Men kan tot vijf liter vrij laten aflopen bij niet-maligne ascites. Te veel en te snel af laten lopen van ascitesvocht kan leiden tot metabole problemen, eiwitverlies en circulatieproblemen. Het tempo wordt bepaald in overleg met de arts. De duur van het aflopen van ascitesvocht bedraagt maximaal 4 uur. Bij voortijdig stoppen van de drainage (door verstopping of aanzuigen van een darm) kan de drain iets teruggetrokken worden. Het vocht kan soms ook weer gaan aflopen wanneer de cliënt door te draaien van houding verandert. Wanneer geen vocht meer afloopt, kan de drain verwijderd worden. De punctieplaats wordt afgeplakt met een pleister. Bij lekkage kan de opening afgeplakt worden met een stomazakje. Het is aan te raden dat de cliënt na afloop van de behandeling ongeveer een half uur rustig blijft liggen. Permanente ascitesdrainage Indien vaak ontlastende puncties nodig zijn en de levensverwachting langer is dan enkele weken, kan besloten worden tot permanente ascitesdrainage. Er wordt dan in het ziekenhuis (al dan niet onder echografische controle) een drain met een zogenaamde `'pigtail'' in de buik geplaatst. Aan de drain kan een zakje worden gekoppeld waardoor de ascitesvocht permanent kan aflopen. Maar ook kan er voor gekozen worden de drain meerdere malen per week te laten aflopen en de drain daarna te sluiten. Over het algemeen zal in eerste instantie begonnen worden met het vocht intermitterend te laten aflopen. De hoeveelheid vocht die de cliënt per keer laat aflopen kan door de cliënt zelf bepaald worden. Er is geen medische reden om niet meer dan een bepaalde hoeveelheid af te laten lopen; wel kunnen er praktische redenen zijn om niet alles te laten aflopen. De belangrijkste reden om de hoeveelheid te beperken is de tijdsduur die het aflopen in beslag kan nemen.

© Vilans 04-06-2010

Achtergrondinformatie Ascitespunctie: 3 (van 5)

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 12

De frequentie van het aflopen wordt eveneens door de cliënt zelf bepaald. Vanuit het oogpunt van hygiëne en materiaalkosten wordt echter geadviseerd niet vaker dan 2 keer per dag het vocht te laten aflopen. Er kan voor gekozen worden om het ascitesvocht gedurende enkele uren te laten aflopen, bijvoorbeeld gedurende de nacht. Is dit onvoldoende dan kan worden overgegaan op continue drainage. Toepassing van intermitterende en permanente drainage vindt in de praktijk steeds vaker plaats. Het is van belang dat de cliënt en mantelzorgers goed geïnformeerd zijn.

Complicaties en bijwerkingen

De belangrijkste complicaties van intermitterende of permanente ascitesdrainage zijn: infecties: huidinfecties bij de insteekplaats, buikvliesontsteking (bacteriële peritonitis) en bloedvergiftiging (sepsis); verstopping van de drain; lekkage bij de insteekplaats; pijn; darmperforatie (zelden). Getunnelde drains geven minder kans op infectie dan ongetunnelde drains. Bij troebele en bloederige ascites is de kans op verstopping groter. De volgende bijwerkingen kunnen optreden tijdens of als gevolg van de ascitesdrainage: voorbijgaande bloeddrukdaling, vooral in staande houding; voorbijgaande pijn en/of darmkrampen, eiwitverlies en daling van serumalbumine. Als de cliënt zich duizelig voelt, kan met de rollerklem de afvoerslang worden dichtgezet. Eventueel kan de arts geraadpleegd worden. Als er bloed zichtbaar is in het ascitesvocht is dit meestal niet erg. Als het ascitesvocht helemaal donkerrood is raadpleegt men de arts. Bij lichte pijn kan een pijnstiller worden toegediend. Als de cliënt pijn krijgt tijdens de drainage moet eerst gekeken worden of de drain nog loopt. Sluit de drain af als veel vocht is afgelopen en er duidelijk minder spanning op de buik staat. De pijn kan ontstaan als de smerende werking van het vocht tussen de vliezen wegvalt. Dit trekt vanzelf weg als er weer nieuw vocht wordt geproduceerd.

Peritoneoveneuze shunt

Bij cliënten met een te verwachte levensduur van meer dan enkele maanden is ascitesdrainage door middel van de peritoneoveneuze shunt te overwegen. De shunt is een verbinding tussen de peritoneaalholte en een grote ader. Een klepmechanisme zorgt ervoor dat het vocht alleen van de peritoneaalholte naar de ader loopt. Door drukverschil wordt het vocht uit de peritoneaalholte afgevoerd in het veneuze stelsel. Inbrengen van een shunt betekent een chirurgische ingreep waarvoor de cliënt moet worden opgenomen in het ziekenhuis. In de praktijk wordt weinig gebruik gemaakt van deze behandeling omdat veel cliënten met maligne ascites een korte levensverwachting hebben en omdat de behandeling veel risico geeft op complicaties. Ook is er niet in alle centra voldoende deskundigheid om deze behandeling toe te passen.

© Vilans 04-06-2010

Achtergrondinformatie Ascitespunctie: 4 (van 5)

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 13

Verzorgen van een permanente drain 2

Verzorgen van de insteekopening

Door het tijdig en op de juiste wijze verzorgen van de insteekopening kunnen infecties worden voorkomen. De insteekopening dient 2 maal per week verzorgd te worden. Inspecteer bij de verzorging de insteekplaats op roodheid en lekkage. De drain zit weliswaar niet vast met een hechting, maar kan er niet zo maar uitvallen door de stugge krul die er aan het uiteinde in ziet en die hem de naam "pigtail" heeft gegeven. De huidfolie over de insteekopening fixeert de drain. Soms wordt de drain vastgehecht. Deze hechting mag niet verwijderd worden. Het gebruik van gazen rond de insteekopening onder de huidfolie wordt sterk afgeraden in verband met de broedplaats van bacteriën in vochtige gazen. Hetzelfde geldt voor betadine zalf.

Plaaten en verwisselen van een fixatiepleister

Wanneer ascitesvocht langs de insteekopening lekt, fixeert de huidfolie de drain niet goed meer. Er kan dan een fixatiepleister (bijv. Statlock) worden gebruikt. Over de insteekopening kan dan een gaas geplaatst worden om het vocht op te vangen; deze gazen dienen regelmatig verschoond te worden. De gazen en fixatiepleister worden niet afgeplakt met huidfolie.

Verwisselen van het kraantje, tussenstuk, stopje en drainzak

Op de drain zit een kraantje en een tussenstuk, dat afgesloten wordt met een stopje. Allen worden in verband met de hygiëne 1 x per week vervangen. Geadviseerd wordt om deze handeling te combineren met het aansluiten van de drainzak voor de drainage.

Eenmalig laten aflopen van de ascitesvocht

De cliënt kan enkele malen per week het ascitesvocht laten aflopen door een drainzak op het kraantje aan te sluiten. Vanuit hygiënisch oogpunt wordt geadviseerd om niet vaker dan 2 x per dag het vocht af te laten aflopen. De drainzak mag gedurende 1 week gebruikt worden. Tussendoor kan deze doorgespoeld worden met leidingwater uit een flink stromende kraan. Wanneer de drainzak niet op de drain is aangesloten dient het aansluitpunt met de bijbehorende afsluitdopje beschermd te worden.

Doorspuiten van de drain

Ascitesvocht kan dik en stroperig zijn, waardoor de drain kan verstoppen. Om de drain doorgankelijk te houden is het in geval van intermitterende drainage noodzakelijk om de drain dagelijks door te spuiten en in ieder geval bij het afkoppelen van de drainzak. Bij continue drainage is doorspuiten niet standaard nodig. Als de drain niet goed meer doorloopt is het doorspuiten wel aan te raden.

Bron: Landelijke Richtlijn Ascites, Versie 2.0; 19-01-2010; www.pallialine.nl Permanente ascitesdrainage in de thuissituatie. Handelingsprotocol voor wijkverpleegkundige en de patiënt. Erasmus MC Rotterdam. Maart 2009.

2

Uit: Permanente ascitesdrainage in de thuissituatie. Handelingsprotocol voor wijkverpleegkundige en de patiënt. Erasmus MC Rotterdam. Maart 2009.

Achtergrondinformatie Ascitespunctie: 5 (van 5)

© Vilans 04-06-2010

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 14

Venapunctie voor bloedafname

Onder een venapunctie wordt het aanprikken van een ader om bloed op te vangen verstaan. Meestal wordt een venapunctie in de elleboogplooi verricht; andere, minder gebruikte, mogelijkheden zijn aders in de pols, de handrug, of de voet. Het gebruik van beenaders voor een venapunctie moet zoveel mogelijk vermeden worden in verband met een verhoogde kans op tromboflebitis en embolieën 1

Venapunctie

Om het bloed op te vangen kan gebruikt gemaakt worden van een vacuümsysteem of de naald kan aan een injectiespuit bevestigd worden. Er mag niet gepuncteerd worden (in de arm): aan de kant waar een borstamputatie is gedaan, vanwege infectierisico; waar een infuus is ingebracht; met een arterioveneuze shunt (nierdialysepatiënten); vlak bij een geïnfecteerde plek. Bij patiënten met stollingsstoornissen of bij patiënten die antistolling krijgen, moet na de venapunctie ten minste 5 minuten druk op de punctieplaats worden uitgeoefend nadat de naald is verwijderd. Het kan nodig zijn om na de bloedafname een drukverband aan te leggen.

Vacuümsysteem voor bloedafname

Voor het afnemen van bloed kan gebruik gemaakt worden van een zogenaamd vacuümsysteem (bijv. het Vacutainer®-systeem). Dit systeem bestaat uit drie basisonderdelen (zie plaatje 2 ):

a) een dubbelzijdige naald met een schroefdraad in het midden; b) een holle naaldhouder waar een bloedbuis in past; c) een of meer bloedbuizen waarin onderdruk heerst. Op de rechter afbeelding is te zien hoe de drie onderdelen in elkaar passen (d). Met dit systeem kunnen meerdere buisjes bloed worden afgenomen.

1

2

Hamilton HK, Rose MB. Verpleegkundige handelingen en procedures. De praktijk van het verplegen. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 1998. Bouma MR, Kerstens JAM, Klei LD, Oldenburger H. Vaardigheden specifieke verpleegkunde. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 1998.

Achtergrondinformatie Venapunctie voor bloedafname: 1 (van 2)

© Vilans 26-09-2006

onbewaakte kopie

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen Puncties 15

De werking van het systeem berust op de onderdruk in de bloedbuizen. Wanneer de ene kant van de dubbelzijdige naald in verbinding met de bloedbaan staat en met de andere kant een bloedbuis wordt aangeprikt, vult deze buis zich vanzelf met de juiste hoeveelheid bloed.

© Vilans 26-09-2006

Achtergrondinformatie Venapunctie voor bloedafname: 2 (van 2)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 16

Meterbeschrijving: Accutrend® GC

De Accutrend® GC is een meter voor de bepaling van bloedsuiker- en cholesterolwaarden in het bloed. Het is tevens mogelijk om met het apparaat triglyceriden en lactaat te bepalen. Dit wordt niet beschreven in de geprotocolleerde werkinstructie. Aan de voorzijde zitten de insteltoetsen en het display. De meter werkt op batterijen. De metingen worden uitgevoerd met twee soorten teststrips. Teststrips speciaal voor het meten van de bloedsuikerwaarden én teststrips speciaal voor het meten van de cholesterolwaarden. De teststrips worden aan de onderkant van de meter ingebracht.

Afmetingen en gewicht

Afmetingen van de meter: Gewicht zonder batterijen : 115 x 62 x 18,5 mm 90 gram

Meettijd

De meettijd voor het bepalen van een bloedsuikerwaardebepaling is 12 seconden. De meettijd voor het bepalen van een cholesterolwaardebepaling is 180 seconden.

Gebruik

De Accutrend® GC is geschikt voor het meten van bloedsuikerwaarden én het meten van cholesterolwaarden. De meter is geschikt voor het uitvoeren van zelfcontrole. Om er zeker van te zijn dat de resultaten betrouwbaar zijn dient de werking van de meter regelmatig te worden gecontroleerd. Dit is een normale meting alleen wordt er een controleoplossing gebruikt in plaats van bloed. In ieder geval dient dit te gebeuren: bij regelmatig gebruik (eens per week); wanneer een nieuwe verpakking teststrips wordt gebruikt (nieuw codenummer); als de batterijen vervangen worden; als de meter wordt schoongemaakt; als het resultaat twijfels geeft. De meter moet tenminste eens per maand worden schoongemaakt. In ieder geval direct nadat de meter vuil geworden is. En vaker als : als de meter vuil is (vooral het klepje en de teststripgeleider); als de controlewaarde buiten het toegestane gebied ligt; als een nieuwe verpakking teststrips wordt aangebroken; als de meter door een ander gebruikt is. Schoonmaken gebeurt als de meter is uitgeschakeld met een vochtig, niet pluizend, katoenen doekje en een milde zeepsop. Ook kunnen desinfecterende doekje gebruikt worden.. Om nauwkeurige metingen te verkrijgen dient men zich aan het volgende temperatuurbereik te houden: Bloedsuikerwaarde bepalen: +18ºC tot +32ºC Cholesterolwaarde bepalen: +18ºC tot +30ºC Als de temperatuur van het apparaat of de omgeving te hoog of te laag is verschijn de aanduiding `temperatuur' op het afleesvenster. De meter is uitgerust met een geheugen; de meetresultaten kunnen worden opgeslagen. Eveneens kunnen de gegevens worden geëxporteerd naar een externe computer.

© Vilans 03-11-2008

Materiaalbeschrijving Meterbeschrijving: Accutrend GC: 1 (van 2)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 17

Plaatsen/vervangen batterijen

De meter wordt geleverd met 3 batterijen die altijd gelijktijdig dienen te worden vervangen. Als het batterijsymbool verschijnt op het scherm kunnen nog maar enkele metingen uitgevoerd worden. De batterijen moeten worden geplaatst voordat het apparaat in gebruik wordt genomen. Werkwijze vervangen batterij: Eerst dient de meter te worden uitgezet. De meter wordt met beide handen vastgehouden en het klepje aan de achterzijde moet worden verwijderd. Druk hiervoor op het klepje en schuif het vervolgens naar boven waarna het klepje kan worden opgetild. Verwijder de oude en plaats de nieuwe batterijen. Let bij het plaatsen van de batterijen dat de met een + gemerkte pool van de batterij tegen het + contact van de batterijhouder wordt geplaatst. Schuif het klepje weer over de batterijhouder totdat een klik wordt gehoord. Door op de ON/OFF toets te drukken verschijnt, indien de batterijen goed geplaatst zijn, de functietest op het afleesvenster. De meter is gereed voor gebruik.

Fabrikant

Roche Diagnostics Nederland BV Markerkant 13-10 1314 AN Almere Tel.: 0800-0220585

© Vilans 03-11-2008

Materiaalbeschrijving Meterbeschrijving: Accutrend GC: 2 (van 2)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 18

Meterbeschrijving: Ascensia Breeze 2

De Ascensia Breeze 2 is een meter voor de bepaling van bloedsuikerwaarden in het bloed. Aan de voorzijde zitten de insteltoetsen en het display. De meter werkt op batterijen. De metingen worden uitgevoerd met Ascensia Breeze 2-teststrips, verpakt per 10 teststrips in een schijf. Deze schijf wordt in de meter aangebracht. De meter wordt automatisch gecodeerd als er een nieuwe testschijf wordt ingebracht.

Afmetingen en gewicht

Afmetingen van de meter: Gewicht zonder batterij: 80 x 60 x 20 mm (l x b x h) 65 gram

Meettijd

De tijd voor het bepalen van een bloedsuikerwaarde bedraagt 5 seconden.

Gebruik

De meter is geschikt voor het uitvoeren van zelfcontroles van de bloedsuikerwaarden. Schoonmaken gebeurt als de meter is uitgeschakeld met een vochtig, niet pluizend, katoenen doekje met een mild schoonmaak- of ontsmettingsmiddel (1 deel bleekmiddel op 9 delen water). Gebruik geen alcohol. Om nauwkeurige metingen te verkrijgen dient men zich aan het volgende temperatuurbereik te houden: +10 tot +45 ºC. De meter is uitgerust met een geheugen; de meetresultaten (maximaal 420) kunnen worden opgeslagen. Eveneens kunnen de gegevens worden uitgelezen vanaf een PC/laptop.

Plaatsen/vervangen batterijen

De meter wordt geleverd met een lithiumbatterij van 3 volt (CR2032). Bij de aanschaf is er al een batterij in de meter geplaatst. Als een knipperende batterij op het scherm wordt gezien, moet er een nieuwe batterij worden geplaatst. Werkwijze: Eerst dient de meter te worden uitgezet. De meter wordt met beide handen vastgehouden met het scherm naar beneden gericht. Druk op het ontgrendelingsmechanisme en trek de achterkant omhoog om de meter te openen. Trek het batterijvakje naar buiten. Verwijder de oude batterij door deze er aan de achterkant met de duimen uit te drukken en klik de nieuwe batterij stevig vast met de +-kant naar boven gericht. Schuif het batterijvakje voorzichtig terug in de batterijhouder. Zorg ervoor dat de batterij helemaal naar binnen is geduwd. Sluit de meter. Controleer de tijdsaanduiding op de meter en stel deze zo nodig opnieuw in.

© Vilans 10-03-2008

Materiaalbeschrijving Meterbeschrijving: Ascensia Breeze 2: 1 (van 2)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 19

Fabrikant

Bayer Healthcare Diabetes Care Postbus 80 3640 AB Mijdrecht tel. Helpdesk: 0800 ­ 235 22 937 www.bayerdiabetes.nl

© Vilans 10-03-2008

Materiaalbeschrijving Meterbeschrijving: Ascensia Breeze 2: 2 (van 2)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 20

Precision Xceed

De Precision Xceed diabetes controlesysteem is een meter voor de bepaling van bloedsuikeren ß-ketonen in het bloed. Aan de voorzijde van de meter bevinden zich de insteltoetsen en het afleesvenster (display). De meter werkt op batterijen. De metingen worden uitgevoerd met twee verschillende soorten teststrips: teststrips speciaal voor het meten van de bloedsuikerwaarden; teststrips speciaal voor het meten van de ß-ketonenwaarden. De teststrips worden aan de onderkant van de meter in de teststrip insteek-opening ingebracht.

Afmetingen en gewicht

Afmetingen van de meter: lengte breedte dikte 42 gram 7,47 cm bovenkant onderkant 1,63 5,33 cm 4,32 cm

Gewicht:

Meettijd

De meettijd voor het bepalen van een bloedsuikerwaardebepaling is 20 seconden. De meettijd voor het bepalen van een ß-ketonen waardebepaling is 30 seconden.

Gebruik

De Precision Xceed is geschikt voor het meten van bloedsuikerwaarden én het meten van ßketonen waarden. De meter is geschikt voor het uitvoeren van zelfcontrole. Om er zeker van te zijn dat de resultaten betrouwbaar zijn dient de werking van de meter regelmatig te worden geijkt / gecodeerd. In ieder geval dient dit te gebeuren: wanneer een nieuwe verpakking teststrips wordt gebruikt (nieuw codenummer); als de batterijen vervangen worden; als de meter wordt schoongemaakt; als het resultaat twijfels geeft. De meter wordt alleen schoongemaakt als deze aan de buitenkant vuil is. Schoonmaken van de buitenkant van de meter gebeurt als de meter is uitgeschakeld met een vochtige doek en een beetje zachte zeep. LET OP: De insteekopening mag niet worden gereinigd. Er mag geen vloeistof over de knoppen of in de insteekopening lopen. De meter niet in water of een andere vloeistof leggen. Om nauwkeurige metingen te verkrijgen dient men zich aan het volgende temperatuurbereik te houden: Dit is voor het bepalen van de bloedsuikerwaarde én van de ß-ketonen waarde:+10ºC tot +50ºC De meter is uitgerust met een geheugen; de meetresultaten kunnen worden opgeslagen. Eveneens kunnen de gegevens worden geëxporteerd naar een externe computer.

Plaatsen/vervangen batterijen

De meter is werkzaam met behulp van een CR 2032 lithium batterij (knoopcel). De batterij moet worden vervangen als dat op het afleesvenster wordt aangegeven. Eerst verschijnt een symbool dat aangeeft dat de batterijspanning laag is. De meter kan dan nog wel

© Vilans 24-08-2007

Materiaalbeschrijving Meterbeschrijving: Precision Xceed: 1 (van 2)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 21

gebruikt worden; de resultaten zijn nauwkeurig. Alleen de achtergrondverlichting van het alfeesvenster doet het niet meer. Het is raadzaam om de batterij te verangen. Zo niet, dan verschijnt op den duur een symbool dat de batterij vervangen moet worden. De meter functioneert niet meer. Werkwijze: Druk met de duim het klepje van het batterijcompartiment naar beneden en naar voren. Verwijder het klepje van de meter. Trek een het plastic lipje dat uit de meter steekt om de oude batterij te verwijderen. Plaats een nieuwe knoopcel met het + teken naar boven. Schuif de inkepingen op het klepje in de daarvoor bestemde gedeelten en duw het klepje voorzichtig naar voren en naar beneden tot het vastklikt. Zet de meter aan om te controleren of de batterij goed geplaatst is. De meter is gereed voor gebruik.

Fabrikant

Abbott Diabetes Care BV 3821 BS Amersfoort www.abbottdiabetescare.nl Tel. klantenservice: 0800-0228828

© Vilans 24-08-2007

Materiaalbeschrijving Meterbeschrijving: Precision Xceed: 2 (van 2)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 22

Vingerprikapparaat: Securject® Pro

Voor het aanprikken van capillair bloed (uit de haarvaten) uit de vinger zijn verschillende vingerprikapparaten (prikpennen) beschikbaar. De Securject Pro is een voorbeeld van een professioneel vingerprikapparaat. Dit betekent dat genoemd apparaat ontwikkeld is voor hulpverleners in de zorg. Het is zo ontwikkeld dat op veilige en hygiënische manier bij verschillende cliënten met hetzelfde vingerprikapparaat bloedsuiker kan worden geprikt.

Gebruik

Iedere keer als er een naaldje (lancet) wordt vervangen, wordt eveneens het geïntegreerde platform verwijderd. Alle delen van het vingerprikapparaat die in contact komen met de huid en het bloed van de cliënt worden na gebruik iedere keer vervangen. Tevens wordt bij de Securject Pro de naald uit het apparaat automatisch uitgeworpen door een druk op de knop bovenaan het apparaat. Hierdoor ontstaat minder risico op prikincidenten en onderlinge besmetting van de hulpverleners.

De Securject Pro is eveneens uitgerust met Comfort Zone Technologie. Dit houdt in dat er acht puntjes zijn aangebracht aan de onderkant van het apparaat. Deze puntjes maskeren de priksensatie naar de hersenen zodat prikken als minder pijnlijk wordt ervaren door de cliënt.

© Vilans 22-10-2010

Materiaalbeschrijving Meterbeschrijving Securject Pro: 1 (van 2)

Protocollen Voorbehouden, Risicovolle en Overige handelingen

onbewaakte kopie Puncties 23

Prikken in de vinger kan op verschillende dieptes. Dit kan met dit vingerprikapparaat ingesteld worden op de individuele wensen van de cliënt en op de grootte van de te verkrijgen bloeddruppel.

Fabrikant

A.Menarini Diagnostics Valkenswaard Tel. nr. 040 = 208 20 00 Helpdesk tel. nr. 0800 ­ 022 54 22 (gratis)

© Vilans 22-10-2010

Materiaalbeschrijving Meterbeschrijving Securject Pro: 2 (van 2)

Information

Puncties

25 pages

Report File (DMCA)

Our content is added by our users. We aim to remove reported files within 1 working day. Please use this link to notify us:

Report this file as copyright or inappropriate

75260


You might also be interested in

BETA
Puncties