Read TMB2van3 text version

Theorie achter bewegen deel 2 van 3 - nov. 2004 © Sportquest ­ drs. Tom Bruijnen 1 van 8

Het gebruik van een afdruk in deze vorm is toegestaan vanuit www.sportquest.nl. Het gebruik van delen of het geheel als onderdeel van andere publicaties in welke vorm dan ook is niet toegestaan.

Inleiding De arm hangt als het ware via het schouderblad en sleutelbeen aan de romp. Hierdoor is de totale beweging van de arm ten opzichte van de romp groter dan de bewegingen van het been ten opzichte van de romp. De arm beweegt ten opzichte van het schouderblad. En het schouderblad schuift mee over de borstkas. De term schoudercomplex of schoudergordel wordt gehanteerd om deze totale bewegingmogelijkheden te onderscheiden van de bewegingen in het schoudergewricht alleen. Net als bij het heupgewricht zijn er een groot aantal spieren in de schoudergordel aanwezig. Sommige veroorzaken bewegingen rond één gewricht en andere lopen over meerdere gewrichten. De grotere beweeglijkheid van de schouder betekent tegelijkertijd dat de schouder minder stabiel is dan de heup. Ontwrichtingen in de schouder komen veel vaker voor dan in de heup.

schoudergordel sleutelbeen schouderblad schouder

opperarmbeen

elleboog spaakbeen ellepijp pols hand

De pols

In de pols beweegt de hand ten opzichte van de onderarm. De pols is de verbindingsplaats tussen de handwortelbeenderen, ellepijp en spaakbeen. De hand bestaat uit 27 botjes en vele gewrichten die één functioneel geheel vormen. De bewegingsvrijheid en fijne bouw van de arm en hand geven de mens een uitgebreid scala aan bewegingshandelingen die variëren van tillen tot schrijven. In de afbeelding is de bouw van de pols weergegeven. Achtereenvolgens zijn de ellepijp (ulna), het spaakbeen (radius), de handwortelbeenderen (ossa carpi), middenhandsbeenderen (ossa metacarpalia) en vingerkootjes (ossa digitorum mani) aangegeven. De handwortelbeenderen worden onderscheiden in een eerste rij en tweede rij. De eerste rij bestaat, in de richting van duim tot pink, uit het scheepvormig beentje (os naviculare = os scaphoideum), het halvemaansbeentje (os lunatum), het driehoeksbeentje (os triquetrum) met het erwtbeentje erop (os pisiformis). De tweede rij bestaat uit het trapeziumvormig beentje (os trapezium), het kleine trapeziumvormige beentje (os trapezoideum), het kopbeentje (os capitatum) en het haakbeentje (os hamatum). De handwortel heeft de vorm van een gewelf, koepel. Het polsgewricht wordt daarom ook wel eivormig genoemd. Het contactvlak van de pols bestaat uit de eerste rij handwortelbeenderen en het spaakbeen. Daarnaast ligt een kraakbeenschijf, discus articularis, tussen het uiteinde van de ellepijp en de handwortel.

Theorie achter bewegen deel 2 van 3 - nov. 2004 © Sportquest ­ drs. Tom Bruijnen 2 van 8

Het gebruik van een afdruk in deze vorm is toegestaan vanuit www.sportquest.nl. Het gebruik van delen of het geheel als onderdeel van andere publicaties in welke vorm dan ook is niet toegestaan.

Naast de vorm van het gewelf vormen de handwortelbeenderen in het vlak van de handpalm een holling. Deze holling wordt overspannen door een band, retinaculum flexorum, waardoor de carpaaltunnel wordt gevormd. In deze carpaaltunnel komen allerlei bloedvaten, zenuwen en pezen samen. In de afbeelding is een duidelijke V-vormige band te zien aan de handpalmzijde. In mindere mate is deze Vvorm ook aan de achterzijde te vinden. De voorste V-banden beperken voornamelijk de polsstrekking. De achterste V-banden de polsbuiging. Aan de zijkanten bevinden zich de collaterale banden die het af- en aanvoeren van de hand naar de spaakbeenzijde en ellepijpzijde beperken. Naast deze banden zijn er nog vele andere banden tussen de verschillende botstukken van de hand die de verdere bewegingsmogelijkheden bepalen. Bewegingen De polsbuiging is de beweging waarbij de handpalm dichter bij de onderarm gebracht wordt ((palmair) flexie, transversale as, sagittaal vlak). Opvallend is het verschil in de polsbuiging bij gestrekte vingers of een gebalde vuist. Een polsstrekking is de beweging waarbij de handrug dichter naar de onderarm gebracht wordt (dorsaal flexie of extensie, transversale as, sagittaal vlak). handpalmzijde Bij gebalde vuist is de polsstrekking groter dan bij gestrekte vingers.

duimzijde

handrugzijde

De hand kan worden afgevoerd naar de spaakbeenzijde, de duim gaat dan richting de onderarm pinkzijde ((radiale) abductie of deviatie, sagittale as, frontaal vlak). De hand wordt aangevoerd als de pink naar de ellepijpzijde gaat (adductie of ulnaire abductie/deviatie, idem). Het afvoeren van de hand is duidelijk minder groot dan het aanvoeren. Dit komt voornamelijk door de vorm van het uiteinde van het spaakbeen aan de duimzijde en het halvemaansbeentje.

Intermezzo kantelen van de hand Alhoewel iedereen die wel eens het glas heft of soep eet weet dat de hand kan kantelen is dit geen polsbeweging. Duidelijk is voelbaar in de pols dat bij het voor- of achteroverkantelen van de hand geen standverandering optreedt in de pols. Het kantelen van de hand is een beweging die in de onderarm plaatsvindt. Spiergebruik Ter hoogte van de pols lopen veel pezen van verschillende spieren. De werking van een spier kan uitgelegd worden aan de hand van de ligging van de werklijn van de spier ten opzichte van de bewegingsas. In de afbeelding is bijvoorbeeld de buig- en strekas getekend van duim- naar pinkzijde (transversale as). In de afbeelding zijn de pezen van spieren doorgesneden (de witte rondjes). Een buigend effect hebben de spieren die met hun werklijn aan de handpalmzijde van de as liggen. Het effect is daarbij afhankelijk van de afstand tussen de werklijn en bewegingsas (mechanisch voordeel). Daarnaast is het effect ook afhankelijk van de grootte van de doorsnede van de spierbuik. Een grote spier kan immers meer kracht geven dan een kleine spier. De buiging van de hand in de pols wordt verzorgd door activiteit van de handwortelbuiger aan de ellepijpzijde, m. flexor carpi ulnaris, de handwortelbuiger aan de spaakbeenzijde, m. carpi radialis, en de lange handpalmspier, m. palmaris longus. Vingerbuigers, mm. fexor digiti, hebben een gering buigend effect. De handwortelstrekker aan de ellepijpzijde, m. extensor ulnaris, lange en korte handwortelstrekker aan de spaakbeenzijde, m. exensor radialis longus et brevis, geven strekking van de hand in de pols. De vingerstrekkers, m. extensor digiti leveren een geringe bijdrage. De handwortelstrekker en -buiger aan de ellepijpzijde, m. extensor et m. flexor carpi ulnaris, voeren de hand aan naar de pinkzijde. Het afvoeren, duim naar het spaakbeen, wordt door activiteit van de lange en korte handwortelstrekker, m. extensor carpi radialis longus et brevis, en handwortelbuiger aan de spaakbeenzijde, m. flexor carpi radialis, verzorgd. Enkele van de genoemde armspieren zijn in de voor-, zij- en achteraanzichten van de arm terug te vinden aan het eind van de teksten.

Theorie achter bewegen deel 2 van 3 - nov. 2004 © Sportquest ­ drs. Tom Bruijnen 3 van 8

Het gebruik van een afdruk in deze vorm is toegestaan vanuit www.sportquest.nl. Het gebruik van delen of het geheel als onderdeel van andere publicaties in welke vorm dan ook is niet toegestaan.

De elleboog

In het ellebooggewricht beweegt de onderarm ten opzichte van de bovenarm. De elleboog is de verbinding tussen het opperarmbeen (humerus), de ellepijp (ulna) en het spaakbeen (radius) . De ellepijp kan gevoeld worden door vanaf de pink aan de buitenzijde van de arm het botstuk te volgen tot bij de elleboog. De arm blokkeert bij volledige strekking tegen dit uiteinde van de ellepijp. Door de onderarm bij haaks gebogen arm te kantelen kan in de elleboog gevoeld worden dat de ellepijp niet beweegt terwijl het spaakbeen rond de ellepijp draait (aan de duimzijde in de elleboog voelbaar). Het uiteinde van het opperarmbeen eindigt in een bolvormig deel en een katrolvormig deel. Het bolvormig deel staat in contact met het spaakbeen. Het katrolvormig, diabolovormig, deel staat in verbinding met het uiteinde van de ellepijp. Opvallend is hier de groeve waarin de vorm van de ellepijp past. Achter het uiteinde van de opperarm is het verlengde van de ellepijp, de "vaste armschijf" te vinden, olecranon. De afbeelding geeft een zij-aanzicht van de elleboog weer.

Zoals te zien in de afbeelding liggen rond de elleboog een paar stevige banden. Zowel aan de buiten- als binnenzijde ligt een waaiervormige band. Deze bestaat uit drie afzonderlijke delen die vanaf de zijkanten van het opperarmbeen, epicondyli, naar de zijkanten van de ellepijp. De ellepijp wordt door deze banden tegen het gewrichtsvlak van de opperarm gehouden. De onderarm kan niet aan- en afgevoerd worden in de elleboog door deze banden in combinatie met de diabolovorm van het gewrichtsvlak tussen opperarm en ellepijp. Aan de voorzijde is het kapsel nog verstevigd met twee banden. Ook aan de achterzijde is er een bandverbinding tussen de ellepijp en opperarm. Rond het kopje van het spaakbeen loopt een ringvormige band. De kanteling van de onderarm (en in het verlengde hiervan de hand) vindt plaats in het gewrichten in de elleboog tussen opperarm, ellepijp en spaakbeen en het gewricht net boven de pols tussen ellepijp en spaakbeen. Bewegingen In de elleboog kan de onderarm gebogen worden (flexie, transversale as, sagittaalvlak). De eerste beperking van deze beweging is gelegen in de spieren. Zowel de spieren van de onderarm als de bovenarm raken elkaar. Als de arm met kracht doorgeduwd wordt in de buiging zullen de driehoofdige armstrekker, de achterste band en de botcontacten tussen spaakbeen-ellepijp en opperarmbeen de beweging verder afremmen. Wordt de arm gestrekt (extensie, transversale as, sagittaal vlak) dan wordt de beweging voornamelijk afgeremd door het botcontact tussen het uiteinde van de ellepijp en de opperarm. Daarnaast komen de voorste banden op spanning en tot slot geven de armbuigers spanning. De ellepijp kan door de vorm van het gewrichtsvlak niet draaien ten opzichte van de bovenarm. De vorm van het gewrichtsvlak van het spaakbeen met de bovenarm laat dit echter wel toe. De kanteling van de hand-onderarm ten opzichte van de bovenarm is dan ook het slingeren, draaien van het spaakbeen rond de ellepijp. Net als bij een lier draait het spaakbeen ter hoogte van de elleboog rond het midden, de eigen as. De onderkant van het spaakbeen draait ter hoogte van de pols, net als het handvat van de lier, rond het midden. Dit midden is dan de ellepijp. Overigens is deze kanteling naar binnen of buiten (respectievelijk endorotatie of pronatie en exorotatie of supinatie, longitudinale as, transversaal vlak) alleen te onderscheiden van een draaiing van de bovenarm door de onderarm haaks gebogen te houden ten opzichte van de bovenarm. Spiergebruik Drie spieren zijn de voornaamste armbuigers. De tweehoofdige armbuiger, bij iedereen bekend als de "biceps" , m. biceps brachii, is wel de bekendste. De "biceps" veroorzaken tegelijkertijd met de buiging een achteroverkanteling van de onderarm doordat deze aan de binnenzijde van het spaakbeen aanhecht. Alleen de opperarmspier, m. brachialis, met de spierbuik onder de tweehoofdige armbuiger gelegen, is een zuivere armbuiger. De derde spier die een belangrijke bijdrage levert aan de armbuiging is de opperarmspaakbeenspier, m. brachioradialis. De strekking van de arm in de elleboog wordt eigenlijk alleen veroorzaakt door de driehoofdige armstrekker, "triceps", m. triceps brachii. De effectieve kracht is afhankelijk van de stand van de bovenarm ten opzichte van de romp doordat het lange hoofd van deze strekspier een oorsprong heeft aan het schouderblad. Het meest effectieve is de slagbeweging waarbij de bovenarm van geheven stand naar beneden gebracht wordt en

Theorie achter bewegen deel 2 van 3 - nov. 2004 © Sportquest ­ drs. Tom Bruijnen 4 van 8

Het gebruik van een afdruk in deze vorm is toegestaan vanuit www.sportquest.nl. Het gebruik van delen of het geheel als onderdeel van andere publicaties in welke vorm dan ook is niet toegestaan.

tegelijkertijd de arm in de elleboog gestrekt wordt, bv. het serveren bij tennis. Beduidend minder effectief is de combinatie elleboogstrekking met voorwaartse heffing van de bovenarm, bv. de rechte stoot. De buitenwaartse kanteling van de hand-onderarm wordt veroorzaakt door de tweehoofdige armbuiger en de achteroverkantelaar, m. supinator. De vierkantige en ronde vooroverkantelaars, m. pronator quadratus et teres, veroorzaken de binnenwaartse kanteling van de onderarm. Deze laatste spieren zijn veel zwakker dan de buitenwaarste kanteling. Dit is eenvoudig te constateren bij het draaien van een schroef in het plafond. Het losdraaien van de schroef wordt zeer snel gecombineerd met een draaiing van de bovenarm.

De schouder

De bewegingen van de arm in de schouder zijn tot op zekere hoogte te vergelijken met de heup. De schouder wijkt echter op een tweetal belangrijke punten af van de heup. In de eerste plaats heeft de kom van het schouderblad een zeer geringe holling. Dit in tegenstelling tot de kom in de heup. Ten tweede levert het schouderblad, veel meer dan de heupbeenderen bij het been, een belangrijke bijdrage in de bewegingsmogelijkheden van de arm ten opzichte van de romp. De verschillende gewrichten die de bewegingen van de arm vergroten worden samengevat onder de term schoudergordel of -complex. Binnen de schoudergordel wordt hier een functioneel onderscheid gemaakt in een schouderarm- en schouderbladgroep. De schouderarmgroep van de schoudergordel bestaat uit het schoudergewricht en het schouderdakgewricht: Het schoudergewricht is het gewricht waar de bovenarm ten opzichte van het schouderblad, scapula, kan bewegen. Het opperarmbeen, humerus, heeft een naar boven, binnen en rugwaarts gerichte bolvormige kop. Deze kop wordt door een zeer korte hals verbonden met de rest van het opperarmbeen. De kom van het schouderblad is veel kleiner en minder hol dan de bolling van de kop van het opperarmbeen. Rond de schouderbladholling ligt een kraakbeenring, labrum glenoidale, die de kom aanmerkelijk dieper maakt en beter laat passen bij de kop van het opperambeen. Het schouderdakgewricht is geen echt gewricht maar de plaats waar het opperarmbeen onder de band tussen ravebekuitsteeksel en schoudertop glijdt en vormt de "supraspinatus"tunnel ("glijgewricht").

-

Aan de voorzijde van het schoudergewricht ligt een z-band die uit drie delen bestaat. Eén horizontaal deel ligt in anatomische houding horizontaal boven het draaipunt van de schouder. Een schuin deel loopt van hoog aan het schouderblad naar een punt beneden de as. Een derde deel loopt horizontaal onder het draaipunt. Naast deze zband loopt een band van het ravebekuitsteeksel naar de grote en kleine verhevenheden op het opperarmbeen. De schouderbladgroep bestaat uit drie gewrichten: een gewricht tussen de schouderbladtop en het sleutelbeen, clavicula, een gewricht tussen sleutelbeen en borstbeen, sternum, en een gewricht tussen schouderblad en borstkas. Dit laatste gewricht is ook een "glijgewricht" en geeft de bewegingen aan tussen schouderblad en borstkas.

-

-

In de afbeelding zijn de botstukken van de schoudergordel benoemd. Bewegingen De bewegingen van de arm ten opzichte van de romp zijn het best te onderscheiden in bewegingen van de arm t.o.v. het schouderblad èn bewegingen van het schouderblad t.o.v. de romp. In de schouderarmgroep kan de bovenarm geheven worden ((ante)flexie, transversale as, sagittaal vlak). Al na een geringe bewegingsuitslag, 60 graden, wordt de beweging verruimd door de schouderbladgroep. Het schouderblad wordt naar beneden tegen de borstkas aan gebracht, depressie (zie afbeelding). Wordt de arm naar achteren gebracht (extensie of retroflexie,

Theorie achter bewegen deel 2 van 3 - nov. 2004 © Sportquest ­ drs. Tom Bruijnen 5 van 8

Het gebruik van een afdruk in deze vorm is toegestaan vanuit www.sportquest.nl. Het gebruik van delen of het geheel als onderdeel van andere publicaties in welke vorm dan ook is niet toegestaan.

transversale as, sagittaal vlak) dan wordt de beweging voorbij 20 graden mogelijk door ook het schouderblad te heffen, over de borskas heen te rollen, elevatie.

Door de arm haaks gebogen te houden wordt een draaiing van de bovenarm zichtbaar. Duidelijk is te merken dat het schouderblad mee naar voren rolt, protractie bij een binnenwaartse draaiing voorbij 45 graden (endorotatie, longitudinale as, transversaal vlak). Evenzo rolt het schouderblad naar de ruggegraat toe, retrotractie, voorbij 45 graden buitenwaartse draaiing (exorotatie, idem). De arm heeft een derde bewegingsvrijheid in zijwaartse richting. De arm kan zijwaarts afgevoerd worden (abductie, sagittale as, frontaal vlak). Net als bij het voorwaarts heffen wordt na 60 graden de schouderbladbeweging kenmerkend. Het schouderblad draait met de punt zijwaarts omhoog, laterorotatie. Voorbij de 120 graden zal de ruggegraat ook meebewogen worden. Als de arm zijwaarts aangevoerd wordt (adductie, idem) draait de punt van het schouderblad naar de ruggegraat, mediorotatie. Spiergebruik De indeling in twee groepen kan ook doorgevoerd worden bij de functies van de spieren. Hiermee kan inzicht verkregen worden in het spiergebruik tijdens bewegingen. Hieronder worden de voornaamste bewegingen in een aantal belangrijke bewegingsfasen besproken. In de afbeeldingen aan het eind is resp. een oppervlakkig en diepliggend spierbeeld weergegeven. Bij het voorwaarts heffen zal in de eerste fase, tot 60 graden, veroorzaakt worden door aanspannen van het sleutelbeendeel van de deltaspier, m. deltoideus pars clavicularis, de grote borstspier, m. pectoralis major, en de ravebekarmspier m. coracobrachialis. In de tweede fase, 60-120 graden, zijn de monnikskapspier, m. trapezius, en voorste getande spier, m. serratus anterior, van belang. In de laatste fase, tot 180 graden, zal bij enkelzijdig heffen de wervelkolom zijwaarts buigen en bij dubbelzijdig heffen verdiept worden. Bij het achterwaarts brengen van de arm zijn in de schouder-armgroep de kleine en grote ronde armspier, m. teres minor et major, schouderranddeel van de deltaspier, m. deltoideus pars spinalis, en brede rugspier, m. latissimus dorsi, actief. De schouderbladbeweging naar de ruggegraat toe wordt door de ruitvormige spier, m. rhomboideus major et minor, brede rugspier en horizontale deel van de monnikskapspier, m. trapezius pars transversus, veroorzaakt. Het zijwaarts afvoeren zal in de eerste fase, tot 90 graden, door de deltaspier, m. deltoideus, en bovendoornspier, m. supraspinatus, veroorzaakt worden. In de tweede fase, 90-150 graden, nemen de monnikskapspier en voorste getande spier de beweging over. Net als bij de laatste fase van het voorwaarts heffen zal de arm in het verlengde van de romp gebracht worden door een enkelzijdige of dubbelzijdig aanspannen van de lange rugstrekkers. De arm naar de romp aanvoeren wordt voornamelijk veroorzaakt door de brede rugspier. Daarnaast zijn de grote ronde armspier, ruitvormige spieren en het lange hoofd van de driehoofdige armstrekker, m. triceps brachii caput longum, betrokken bij de beweging. Belangrijke binnenwaartse draaiers van de bovenarm zijn de brede rugspier, grote ronde armspier, onderschouderbladspier, m. subscapularis, grote en kleine borstspier, m. pectoralis major et minor, en voorste getande spier. De buitenwaartse draaiers zijn de onderdoornspier, m. infraspinatus, de kleine ronde armspier, ruitvormige spier en monnikskapspier.

Theorie achter bewegen deel 2 van 3 - nov. 2004 © Sportquest ­ drs. Tom Bruijnen 6 van 8

Het gebruik van een afdruk in deze vorm is toegestaan vanuit www.sportquest.nl. Het gebruik van delen of het geheel als onderdeel van andere publicaties in welke vorm dan ook is niet toegestaan.

Theorie achter bewegen deel 2 van 3 - nov. 2004 © Sportquest ­ drs. Tom Bruijnen 7 van 8

Het gebruik van een afdruk in deze vorm is toegestaan vanuit www.sportquest.nl. Het gebruik van delen of het geheel als onderdeel van andere publicaties in welke vorm dan ook is niet toegestaan.

Theorie achter bewegen deel 2 van 3 - nov. 2004 © Sportquest ­ drs. Tom Bruijnen 8 van 8

Het gebruik van een afdruk in deze vorm is toegestaan vanuit www.sportquest.nl. Het gebruik van delen of het geheel als onderdeel van andere publicaties in welke vorm dan ook is niet toegestaan.

Bijlage: enkele namen van botstukken

CLAVICULA SCAPULA HUMERUS ULNA RADIUS 8 OSSA CARPI 5 OSSA METACARPALIA 14 OSSA DIGITORUM MANUS sleutelbeen schouderblad opperarmbeen ellepijp spaakbeen 8 handwortelbeenderen (+ 1 sesambot) 5 middenhandsbeenderen 14 vingerkootjes (per hand)

Information

TMB2van3

8 pages

Report File (DMCA)

Our content is added by our users. We aim to remove reported files within 1 working day. Please use this link to notify us:

Report this file as copyright or inappropriate

275124


You might also be interested in

BETA
Microsoft Word - Werkmap Shito-ryu Karate-do S.I. Ooms _15-3-04_.doc
TMB2van3