Read DD017201_group2.book text version

WERKPLAATSBOEK

Citea CLF/SLF PR - ND Hoofdgroep 2

1113 DD017201

Citea CLF/SLF PR - ND

Voorwoord Dit werkplaatsboek omvat alle relevante informatie om te helpen bij het opsporen en herstellen van technische problemen, het verrichten van afstelwerkzaamheden en het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden. Het boek bevat schema's, systeembeschrijvingen, storingzoekinstructies en werkinstructies. Bovendien zijn hierin veiligheidsvoorschriften opgenomen, die strikt moeten worden opgevolgd. Ervaren monteurs De technische gegevens en toelichtingen op de reparatiewerkzaamheden, vermeld in dit werkplaatsboek, zijn met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Tijdens de samenstelling van dit werkplaatsboek is er van uitgegaan dat de monteur de nodige ervaring heeft en bovendien de noodzakelijke opleidingen of trainingen heeft gevolgd om de werkzaamheden op een verantwoorde en veilige manier uit te voeren. Voertuig type De informatie in dit boek is bijgewerkt tot het tijdstip van drukken en heeft slechts betrekking op de voertuigreeks: - Citea CLF 120-255 PR ND, - Citea CLF 120-310 PR ND. - Citea SLF 120-255 PR ND, - Citea SLF 120-310 PR ND. In dit boek wordt deze voertuigreeks aangeduid als "Citea CLF/SLF PR - ND". De letters PR geven aan dat de inhoud van dit boek betrekking heeft op de 9,2 liter PR motor van DAF / PACCAR. De letters ND zijn een afkorting van de aanduiding: - Normal Duty.

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

INHOUDSOPGAVE

Technische gegevens

Motor-algemeen ............................................ 1-1 Algemeen........................................................ 1-1 Motor .............................................................. 2-1 Specificatie en afstelgegevens ....................... 2-1 Aanhaalmomenten.......................................... 2-3 Koelsysteem.................................................. 3-1 Algemeen........................................................ 3-1 Vulhoeveelheden ............................................ 3-2 Aanhaalmomenten.......................................... 3-2 Smeeroliesysteem ........................................ 4-1 Algemeen........................................................ 4-1 Aanhaalmomenten.......................................... 4-1 Carternavulinstallatie ................................... 5-1 Algemeen........................................................ 5-1 Vulhoeveelheden ............................................ 5-1 Airco compressor ......................................... 6-1 Algemeen........................................................ 6-1 Webasto waterverwarmer ............................ 7-1 Aanhaalmomenten.......................................... 7-1 Afstelwaarde CO2 uitstoot .............................. 7-1 Speciaal gereedschap .................................. 8-1

Motor

Veiligheidsvoorschriften...............................1-1 Algemeen .......................................................2-1 Locatie componenten ......................................2-1 Identificatie ......................................................2-3 Beschrijving componenten ..............................2-4 Controleren en afstellen ...............................3-1 Controleren V-riem 2e dynamo .......................3-1 Controleren poly V-riem motor ........................3-3 Controleren automatische riemspanner ..........3-5 Controleren (poly) V-riemen ............................3-9 Controleren motorsteunen.............................3-15 Verwijderen en aanbrengen..........................4-1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ......4-1 Verwijderen en aanbrengen aandrijfunit..........4-2 Verwijderen en aanbrengen trillingsdempers ..4-9 Verwijderen en aanbrengen dynamo's ..........4-11 Verwijderen en aanbrengen V-riem 2e dynamo.....................................................4-13 Verwijderen en aanbrengen poly V-riem motor .............................................................4-15 Verwijderen en aanbrengen koelvloeistofpomp..............................................................4-17 Verwijderen en aanbrengen thermostaat ......4-19 Verwijderen en aanbrengen motorolieniveausensor ..................................4-21 Reinigen .........................................................5-1 Reinigen motor ................................................5-1

0 1 2 3 4 5 6 7

Diagnose

Algemeen motor............................................ 1-1 Storingstabel motorfuncties ............................ 1-1 Koelsysteem.................................................. 2-1 Storingstabel ................................................... 2-1 Uitlaatgas nabehandelingssysteem ............ 3-1 Storingstabel uitlaatgas nabehandelingssysteem........................................................... 3-1 Hydraulische ventilatoraandrijving ............. 4-1 Storingstabel hydraulische pomp.................... 4-1 Storingstabel hydraulische olie ....................... 4-2 Storingstabel hydraulische motor.................... 4-2 Storingstabel elektrisch................................... 4-3

DD017201

INHOUDSOPGAVE

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0 1 2 3 4 5 6 7

Koelsysteem

Veiligheidsvoorschriften .............................. 1-1 Algemeen....................................................... 2-1 Systeembeschrijving koelsysteem .................. 2-1 Werking koelsysteem...................................... 2-2 Beschrijving componenten.......................... 3-1 Expansiereservoir ........................................... 3-1 Koelvloeistofniveausensor (B290) .................. 3-2 Drukdop koelsysteem ..................................... 3-4 Thermostaat.................................................... 3-5 Koelunit ........................................................... 3-6 Controleren en afstellen............................... 4-1 Controleren/bijvullen koelvloeistofniveau........ 4-1 Afpersen koelsysteem..................................... 4-2 Controle koelvloeistofslangen ......................... 4-4 Controleren thermostaat ................................. 4-7 Controleren soortelijke dichtheid koelvloeistof........................................................... 4-8 Verwijderen en aanbrengen ......................... 5-1 Verwijderen en aanbrengen expansiereservoir5-1 Verwijderen en aanbrengen koelpakket.......... 5-2 Verwijderen en aanbrengen koelwaterslangen ........................................................... 5-4 Aanbrengen koelvloeistof niveausensor ......... 5-7 Aftappen en vullen........................................ 6-1 Aftappen en vullen koelvloeistof ..................... 6-1 Reinigen......................................................... 7-1 Reinigen (doorspoelen) koelsysteem.............. 7-1 Reinigen koelvloeistoffilter .............................. 7-2

Airco compressor aandrijving

Veiligheidsvoorschriften...............................1-1 Algemeen ........................................................1-1 Controleren en afstellen ...............................2-1 Controleren V-riemen airco .............................2-1 Controleren airco compressor .........................2-3 Verwijderen en aanbrengen..........................3-1 Verwijderen en aanbrengen V-riem aircocompressor(en) ...............................................3-1 Service manuals airco compressoren.........4-1 Thermoking TM21-TM31 .................................4-1 Denso 10P30...................................................4-1

Webasto waterverwarmer

Webasto waterverwarmer .............................1-1

Hydraulische ventilatoraandrijving

Hydraulische ventilatoraandrijving ............. 1-1

Carternavulinstallatie

Veiligheidsvoorschriften .............................. 1-1 Algemeen....................................................... 2-1 Algemeen........................................................ 2-1 Werking carternavulinstallatie ......................... 2-1 Elektrisch schema........................................... 2-4 Motorolieniveausensor (B291) ........................ 2-6 Controleren en afstellen............................... 3-1 Controleren motorolieniveau........................... 3-1 Controleren olieniveau carternavulinstallatie .. 3-3 Controleren carternavulinstallatie ................... 3-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Disclaimer © 1113 VDL Bus & Coach bv, Valkenswaard, Nederland. In het belang van een voortdurende productontwikkeling behoudt VDL Bus & Coach zich te allen tijde het recht voor om zonder voorbericht specificaties of producten te wijzigen. Niets uit deze publicatie mag door middel van druk, fotokopie, digitaal of op welke wijze ook worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van VDL Bus & Coach. Dit handboek dient in overeenstemming met de Nederlandse wetten geïnterpreteerd en toegepast te worden. Om het even welk geschil hieronder zal voorgelegd worden aan het Gerechtshof te 's Hertogenbosch in Nederland.

DD017201

2-3

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

TECHNISCHE GEGEVENS

0

DD017201

TECHNISCHE GEGEVENS

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor algemeen

1.

1.1

MOTOR ALGEMEEN

ALGEMEEN

0

De begrippen KOUDE of WARME motor worden als volgt gedefinieerd: KOUDE motor Is een motor die, na op bedrijfstemperatuur te zijn geweest, nog ten minste zes uur heeft kunnen afkoelen. WARME motor Is een motor die, na op bedrijfstemperatuur te zijn geweest, niet meer dan dertig minuten heeft stilgestaan. Draairichting motor De draairichting van de motor is rechtsom, gezien vanaf de trillingsdemperzijde van de motor. Eerste cilinder van de motor De eerste cilinder van de motor is de cilinder die zich aan de trillingsdemper van de motor bevindt. Linker- en rechterzijde van de motor De rechterzijde van de motor is de zijde waar zich de elektronische unit DMCI bevindt. De linkerzijde van de motor is de zijde waar zich de turbocompressor bevindt. Motoridentificatie door middel van het motornummer Het motornummer bevindt zich op twee plaatsen op de motor: · Op de motoridentificatieplaat, deze is bevestigd tegen het inlaatspruitstuk van de motor.

ILAj0559

· Ingeslagen in het motorblok, ter hoogte van de dynamo.

ILAj0518

DD017201

1-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor algemeen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

1-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor

2.

2.1

2.1.1

MOTOR

SPECIFICATIE EN AFSTELGEGEVENS

MOTOR DAF PR Euro 5 / EEV DMCI 6 in lijn, verticaal 4 per cilinder 118 x 140 mm 9.2 liter 17,4 : 1 direct 1-5-3-6-2-4 Turbo-intercooling vloeistof ca. 900 kg minimaal 225 bar maximaal 1750 bar

0

Fabrikant Type Milieunorm Motormanagementsysteem Aantal cilinders en cilinderopstelling Kleppen Boring x slag Cilinderinhoud Compressieverhouding Brandstofinspuiting Inspuitvolgorde Luchtinlaatsysteem Koeling Gewicht Inspuitdruk

Type PR183 PR228 2.1.2

Vermogen (kw (pk)/omw/min) 183 (250) / 2200 228 (310) / 2200

Koppel (Nm/omw/min) 1050 / 1100 - 1700 1275 / 1100 - 1700

KLEPSPELING1

Controle klepspeling (koud2/ warm3) Inlaat uitlaat

0,50 mm 0,50 mm

1. Raadpleeg altijd https://eportal.daf.com voor de actueel geldende afstelmaten. 2. Koud: de motor heeft, na op bedrijfstemperatuur te zijn geweest, nog ten minste zes uur kunnen afkoelen. 3. Warm: de motor heeft, na op bedrijfstemperatuur te zijn geweest, niet meer dan dertig minuten stilgestaan.

DD017201

2-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor

2.1.3 V-RIEMSPANNING DYNAMO

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

ILAj0315

V-riem A Riemspanning AVX V-riem Newton (N) Nieuwe V-riem a Afstelspanning 1000 ± 100 (188 Hz) Correctie spanning 667 ± 67 (154 Hz) Ingelopen V-riem b Laagste spanning 467 (129 Hz) Correctie spanning 667 ± 67 (154 Hz)

a. Na het aanbrengen van een nieuwe V-riem de voorspanning afstellen op de "afstelspanning". Na 30 - 60 minuten stationair draaien de voorspanning controleren en zonodig afstellen op de "correctie spanning". b. Wanneer de riemspanning beneden de "laagste spanning" ligt, deze instellen op de "correctie spanning".

2-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 2.2 AANHAALMOMENTEN

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor

Motorsteunen

0

ILAj0633

A. B. C. E. F.

Bout trillingsdemper aan motorsteun 260 Nm + 90° hoekverdraaiing Bout trillingsdemper aan chassis Bout motorsteun aan vliegwielhuis Bout motorsteun aan motorblok 110 ± 8 Nm 260 Nm 110 ± 8 Nma 110 ± 8 Nm

Bout trillingsdemper aan motorsteun 360 ± 30 Nm

G. Bout trillingsdemper aan chassis

a. Voorzien van Loctite 243

DD017201

2-3

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor

Sluitbalk

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

Bout, moer verbinding (A) Bout, moer verbinding (B) 260 ± 20 Nm + 120° 375 ± 75 Nma

a. Draai de bouten aan op volgorde van nummering.

V-riemspanner "Gates" Bevestigingsbout V-riemspanner "Litens" Bevestigingsbout Koelvloeistofpomp Bevestigingsbouten Bevestigingsbouten poelie

a. Loctite 243

60 ± 4 Nm

45 Nm

30 Nm 30 Nma

ILAj0685

Koelvloeistofleiding Bevestigingsbouten Koelvloeistofafvoerleiding Banjobout, compressorzijde Banjobout, koelvloeistofpompzijde Thermostaathuis Bevestigingsbouten Motorolie Afdichtplug oliecarterpan Motorolieniveausensor

a. Vervang altijd de koperen afdichtring.

30 Nm

32 Nm 40 Nm

30 Nm 60 Nma 70 Nm

1e Dynamo Bevestigingsbouten M12 (1) Bevestigingsbouten M10 (2) Bevestigingsbouten M8 (3) Bevestigingsmoer poelie (4) Bevestigingsmoeren elektrische aansluiting dynamo 110 Nm 60 Nm 30 Nm 90 Nm max. 13 Nm

ILAj0388

2-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2e Dynamo

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor

0

Bevestigingsbout (1) M10 Tapeind (2) Bevestigingsbout (3) Bevestigingsbout (4) Borgmoer (5) Bevestigingsbout (6) Bevestigingsbout (7) Bevestigingsmoer poelie (8) Bevestigingsmoeren aansluiting dynamo (9) 60 Nm 110 Nm 110 Nm 110 Nm 110 Nm 110 Nm 110 Nm 90 Nm max. 15 Nm

ILAj0620

Overige aanhaalmomenten Voor overige aanhaalmomenten en technische gegevens zie https://eportal.daf.com

DD017201

2-5

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor

Accuklemmen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

ILAh0338

A B C D

Accuklema

a a

+:

12 ± 2 Nm 40 ± 4 Nm 12 ± 2 Nm 30 ± 4 Nm

Accuklem +: Accuklem -: Accuklema -:

a. Smeer de buitenzijde van de verbindingen in met zuurvrije vaseline om corrosie te voorkomen.

2-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor

0

DD017201

2-7

TECHNISCHE GEGEVENS

Motor

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

2-8

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

Koelsysteem

3.

3.1

KOELSYSTEEM

ALGEMEEN

0

Thermostaat Openingstemperaturen thermostaat: - Thermostaat opent bij - Thermostaat geopend bij (minimaal 12mm) Drukdop expansiereservoir Openingsdruk van overdrukklep Openingsdruk van onderdrukklep Afpersen koelsysteem Afpersdruk Reiniger koelsysteem Cleaner RP

± 83ºC ± 95ºC

0,9 - 1,15 bar 0,1 bar

0,7 - 0,9 bar

VDL Bus & Coach nr. 20276728

DD017201

3-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Koelsysteem

Koelvloeistofsensor

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

Weerstand R1 = 100 Ohm R2 = 51 Ohm De sensor kan gecontroleerd worden door de connector los te koppelen en de weerstand te meten. Zie onderstaande tabel.

ILAj0427

Niveau Normaal Laag

Nominale weerstand 151 100

Gemeten weerstand 115 - 470 85 - 115

Gevolg LED in vulnis aan LED in vulnis uit + Symbool instrumentenpaneel aan Symbool instrumentenpaneel aan Symbool instrumentenpaneel knippert

Te laag

0

< 85 > 470

Sensor fout

3.2

VULHOEVEELHEDEN

circa 31 liter circa 70 liter ca. 100 - 140 liter

Koelsysteem Koelsysteem motorblok: Koelsysteem totaal (excl. verwarming): Koelsysteem totaal (incl. verwarming): Koelvloeistoftank, verschil min. - max. niveau

4,2 liter

3.3

AANHAALMOMENTEN

maximaal 10 Nma

Koelvloeistof niveausensor Niveausensor

a. Smeer de O-ring alléén in met zeepsop, Het gebruik van vet of vaseline is niet toegestaan.

3-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

Smeeroliesysteem

4.

4.1

SMEEROLIESYSTEEM

ALGEMEEN

wegwerpfilter 1 full flow

0

Oliefilter Type Aantal Plaatsing in het oliecircuit

Voor overige technische gegevens van het smeeroliesysteem zoals oliedruk, vulhoeveelheden e.d. zie: https://eportal.daf.com

4.2

AANHAALMOMENTEN

60 Nm 40 Nma

Smeeroliesysteem Olie-aftapplug Schroefdop filterelement oliefilter

a. Gebruik uitsluitend zeskantdop- of zeskantringsleutel.

DD017201

4-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Smeeroliesysteem

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

4-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

Carternavulinstallatie

5.

5.1

CARTERNAVULINSTALLATIE

ALGEMEEN

VDO 24 V 21,9 ± 0,4 ohm a 30,9 ohm a 70 Nm

0

Olieniveausensor (B020) Merk: Voedingsspanning Weerstandswaarde (bij 20 ºC) Weerstandswaarde (bij 140 ºC) Aanhaalmoment

a. Tijdens het meten van de weerstandswaarde mag de stroomsterkte niet hoger worden dan 200mA.

5.2

VULHOEVEELHEDEN

Smeersysteem Totale motor volume, met inbegrip van motoroliefilter en oliekoeler Oliecarter volume, minimum niveau: Oliecarter volume, maximum niveau

circa 33 liter circa 18 liter circa 26 liter

DD017201

5-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Carternavulinstallatie

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

5-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

Airco compressor

6.

6.1

AIRCO COMPRESSOR

ALGEMEEN

0

Airco compressor Merk Type Thermoking TM 21

Voor overige technische gegevens van de Thermoking airco compressor zoals maximale druk, maximaal toerental e.d. zie www.thermoking.nl

ILAg0023

Merk Type

Thermoking TM 31

Voor overige technische gegevens van de Thermoking airco compressor zoals maximale druk, maximaal toerental e.d. zie www.thermoking.nl

ILAg0018

DD017201

6-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Airco compressor

Merk Type Denso 10P30

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

Voor overige technische gegevens van de Bock airco-compressor zoals maximale druk, maximaal toerental e.d. zie www.denso.com.au

ILAg0024

V-riem airco compressoren Aantal compressoren: 1x TM21 of TM31 2x TM21 of TM31 1x TM21 i.c.m. 1x TM31 1x 10P30 2x 10P30 Optibelt nr.: 8PK - 1910Lb EPDM 8PK - 2115Lb EPDM 8PK - 2107Lb EPDM 8PK - 2250Lb EPDM 8PK - 2124Lb EPDM

ILAg0026

Riemspanner Merk Type Optibelt 1008 SN

ILAg0025

6-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

Webasto waterverwarmer

7.

7.1

WEBASTO WATERVERWARMER

AANHAALMOMENTEN

8 ± 0,5 Nm 1,0 + 0,5 Nm 20 Nm

0

Vergrendeling brander(kap) Borgschroef instelring CO2 uitstoot Verstuiver in brandstofpomp

7.2

AFSTELWAARDE CO2 UITSTOOT

ILAg0013

DD017201

7-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Webasto waterverwarmer

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

7-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

TECHNISCHE GEGEVENS

Speciaal gereedschap

8.

SPECIAAL GEREEDSCHAP

0

ILAk0053

Afperspomp koelsysteem Midlock no. TE-120

ILAk0054

Refractometer LR no. FT2030 Midlock no. TE102

ILAk0007

Riemspanningsmeter, Optikrik nr. I (150-600N) Riemspanningsmeter, Optikrik nr. II (500-1400N) Riemspanningsmeter, Optikrik nr. III (1300-3100N) DD017201 8-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Speciaal gereedschap

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

ILAk0055

V-snaar frequentiemeter Optibelt TT3 VDL Bus & Coach nr. 30030533 (accu-versie) VDL Bus & Coach nr. 30030534 (batterij-versie)

8-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

DIAGNOSE

DIAGNOSE

1

DD017201

DIAGNOSE

2

Citea CLF/SLF PR - ND

1

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

DIAGNOSE

Algemeen motor

1.

1.1

ALGEMEEN MOTOR

STORINGSTABEL MOTORFUNCTIES

Voor uitgebreide storing- en foutcodetabellen, zie https:// eportal.daf.com

1

DD017201

1-1

DIAGNOSE

Algemeen motor

2

Citea CLF/SLF PR - ND

1

1-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

DIAGNOSE

Koelsysteem

2.

KOELSYSTEEM

Opmerking Kijk op https://eportal.daf.com voor uitgebreide storing-en foutcode-tabellen.

1

DD017201

2-1

DIAGNOSE

Koelsysteem 2.1 STORINGSTABEL

KLACHT: MOTORTEMPERATUUR LOOPT TE HOOG OP Mogelijke oorzaak Storing inlaatsysteem Maatregel Controleer het inlaatsysteem

2

Citea CLF/SLF PR - ND

1

Onjuiste poly V-riemspanning Onvoldoende koelvloeistof Koelvloeistofslang gescheurd of verstopt Interkoeler en radiateur van het koelsysteem vervuild Afstelling van de waste-gate te hoog Luchtslang van het turbocompressorhuis naar het waste-gate-membraan lek of niet aangesloten Drukdop verkeerd of functioneert niet Thermostaat opent onvoldoende of opent niet Koelvloeistoffilter vervuild Verkeerd type thermostaat gemonteerd Koelvloeistofpomp defect

Controleer de poly V-riemspanning. Zonodig de poly Vriem of de poly V-riemspanner vervangen. Controleer het koelvloeistofniveau. Zo nodig bijvullen. Controleer/reinig de koelvloeistofslangen Controleer/reinig de interkoeler en de radiateur van het koelsysteem Controleer de waste-gate-afstelling Controleer de luchtslang. Eventueel vervangen. Controleer de drukdop Controleer de thermostaat en de werking ervan Controleer het koelvloeistoffilter. Vervang zo nodig het filter en reinig het koelsysteem. Controleer de thermostaat en de werking ervan Controleer de as, lagers en waaier van de koelvloeistofpomp. Vervang zo nodig de koelvloeistofpomp. Controleer werking hydraulische ventilatoraandrijving Controleer de koelvloeistoftemperatuursensor. Controleer de terugregeling van de stuurstroom bij hoge temperatuur. Controleer of de juiste verstuivers zijn gemonteerd Tap brandstof af, spoel het brandstofsysteem, vervang de brandstoffilters en vul de brandstoftank met de voorgeschreven brandstof Controleer: - De sensor van de koelvloeistoftemperatuur, - De bedrading.

Hydraulische ventilatoraandrijving defect Defecte temperatuurregeling

Verkeerde verstuivers gemonteerd Slechte brandstofkwaliteit

Sensor motorkoelvloeistoftemperatuur, signaalfout/ kortsluiting/onderbreking

KLACHT: KOELWATERLEKKAGE UITWENDIG Mogelijke oorzaak Lekkende radiateur Lekkage koelvloeistofpomp Defecte oliekoeler Defecte drukdop Lekkage kachel Lekkage expansiereservoir koelvloeistof Lekkage vriesdrop(pen) Maatregel Controleer de radiateur. Pers zo nodig af. Controleer de koelvloeistofpomp. Meet zo nodig de lagerspeling. Controleer de oliekoeler. Pers zo nodig af. Controleer de drukdop. Pers zo nodig af. Controleer de kachelslangen Controleer het expansiereservoir op lekkage Vervang de vriesdop(pen)

2-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KLACHT: INWENDIG LEKKAGE VAN KOELWATER Mogelijke oorzaak Defecte cilinderkoppakking(en) Cilinderkop(pen) of cilinderblok gescheurd Lekkende verstuiverbussen Defecte cilinderkoppakking van compressor Defecte oliekoeler Defecte vriesdoppen in stoterruimte (cilinderblok) of aan bovenzijde cilinderkoppen Cilinderkopbouten niet aangehaald Maatregel Controleer de cilinderkoppakking(en)

DIAGNOSE

Koelsysteem

0

Controleer de cilinderkoppen en het cilinderblok op inwendige scheuren. Pers zo nodig af. Controleer de cilinderkoppen. Pers zo nodig af. Vervang de cilinderkoppakking van de compressor Controleer of er koelvloeistof in het smeeroliesysteem aanwezig is Vervang de vriesdop(pen) Controleer het aanhaalmoment van de cilinderkopbouten

DD017201

2-3

DIAGNOSE

Koelsysteem

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

2-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

DIAGNOSE

Uitlaatgas nabehandelingssysteem

3.

UITLAATGAS NABEHANDELINGSSYSTEEM

Opmerking: Kijk op https://eportal.daf.com voor uitgebreide storing-en foutcode-tabellen.

3.1

STORINGSTABEL UITLAATGAS NABEHANDELINGSSYSTEEM

KLACHT: ADBLUE VERSTUIVER REGELMATIG VERSTOPT Mogelijke oorzaak Maatregel Controleer de afvaltijd van de elektronische hoofdschakelaar Controleer de fouthistorie van het systeem met de diagnose computer. Geef uitleg aan de chauffeur over het gebruik van de mechanische hoofdschakelaar Controleer de luchttoevoer naar de doseermodule Vervang de doseermodule

1

Elektronische hoofdschakelaar schakelt te snel uit Mechanische hoofdschakelaar wordt door de chauffeur te snel uitgeschakeld Luchtdruk te laag Interne storing in de doseermodule

DD017201

3-1

DIAGNOSE

Uitlaatgas nabehandelingssysteem

2

Citea CLF/SLF PR - ND

1

3-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

DIAGNOSE

Hydraulische ventilatoraandrijving

4.

HYDRAULISCHE VENTILATORAANDRIJVING

1

DD017201

4-1

DIAGNOSE

Hydraulische ventilatoraandrijving 4.1 STORINGSTABEL HYDRAULISCHE POMP

KLACHT: GEEN POMPOPBRENGST

2

Citea CLF/SLF PR - ND

1

Mogelijke oorzaak Hydraulisch oliepeil te laag

Maatregel Controleer het oliepeil. Vul olie bij en ontlucht het systeem. Controleer het systeem op lekkage. Controleer de ligging van de olieleidingen/slangen Vervang defecte onderdelen Controleer de draairichting van de pomp KLACHT: POMP MAAKT LAWAAI

Aanzuig-leiding/-slang geknikt of bekneld Pompas gebroken, spie gebroken of ontbreekt Verkeerde draairichting van de pomp

Mogelijke oorzaak Hydraulisch oliepeil te laag

Maatregel Controleer het oliepeil. Controleer het systeem op lekkage. Vul olie bij en ontlucht het systeem. Controleer de ligging van de olieleidingen/slangen Draai de koppelingen/aansluitingen aan Gebruik de voorgeschreven hydraulische olie Reinig de ontluchting Controleer de overbrengverhouding Vervang versleten/defecte onderdelen

Aanzuig-leiding/-slang geknikt of bekneld Luchtlekkage bij de aansluitingen Luchtbellen zijn zichtbaar in de aanzuigolie Ontluchting hydraulisch reservoir is geblokkeerd Pomp draait te hard Onderdelen van de pomp zijn versleten/defect

KLACHT: EXTERNE OLIE LEKKAGE Mogelijke oorzaak Oliekeerring(en) defect Maatregel Vervang de defecte onderdelen KLACHT: ABNORMALE SLIJTAGE Mogelijke oorzaak Oliefilter verstopt/niet op tijd vervangen Olie viscositeit te laag Te hoge systeemdruk (pompdruk boven maximale toegestane waarde) Lucht in het systeem Maatregel Vervang het oliefilter/vervang de olie volgens het onderhoudsschema Controleer of de voorgeschreven olie is gebruikt Controleer de systeemdruk Ontlucht het hydraulisch systeem KLACHT: AFGEBROKEN ONDERDELEN IN POMPHUIS Mogelijke oorzaak Te hoge systeemdruk (pompdruk boven maximale toegestane waarde) Ontbreken van voldoende (aanvoer van) olie Aanhaalmomenten bevestigingsbouten te hoog Maatregel Controleer het drukbegrenzingsventiel Controleer het olieniveau, oliefilter en ligging van de olieleidingen/slangen Controleer of het juiste aanhaalmoment is gebruikt

4-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 4.2 STORINGSTABEL HYDRAULISCHE OLIE

KLACHT: HYDRAULISCHE OLIETEMPERATUUR TE HOOG Mogelijke oorzaak Interne lekkage in de pomp Olie viscositeit te hoog Gereviseerde pomp met te hoge interne wrijving Oliekoeler verstopt Aanzuig-leiding/-slang beschadigd, geknikt of bekneld Maatvoering leidingen/slangen niet correct Maatregel Vervang de pomp

DIAGNOSE

Hydraulische ventilatoraandrijving

Gebruik de voorgeschreven hydraulische olie Controleer de revisie procedure Controleer en reinig de oliekoeler Vervang beschadigde leidingen, hef blokkades op Controleer of de originele leidingen/slangen zijn gebruikt

1

4.3

STORINGSTABEL HYDRAULISCHE MOTOR

KLACHT: MOTOR DRAAIT IN VERKEERDE RICHTING Mogelijke oorzaak Maatregel Sluit de motor correct aan

Aan- afvoerleidingen omgedraaid

KLACHT: MOTOR DRAAIT NIET OF HEEFT ONVOLDOENDE KOPPEL Mogelijke oorzaak Overdrukventiel is niet correct ingesteld Overdrukventiel blijft openstaan Systeemdruk te laag Opbrengst van de pomp te laag Maatregel Controleer de systeemdruk, stel het overdrukventiel in Reinig/vervang het overdrukventiel Controleer de maximale systeemdruk Controleer de pompopbrengst. Controleer of het drukbegrenzingsventiel niet vastzit. Vervang indien nodig de pomp. KLACHT: EXTERNE OLIE LEKKAGE Mogelijke oorzaak Oliekeerring(en) defect Maatregel Vervang de defecte onderdelen. Controleer de olielekleiding op verstopping.

DD017201

4-3

DIAGNOSE

Hydraulische ventilatoraandrijving 4.4 STORINGSTABEL ELEKTRISCH

KLACHT: VENTILATOR DRAAIT NIET OF TE LANGZAAM Mogelijke oorzaak Hydraulisch of mechanisch defect Maatregel Zie 4.1 Storingstabel hydraulische pomp ( 4 - 2) of 4.3 Storingstabel hydraulische motor ( 4 - 3) Controleer de CAN-bus werking Controleer de zekeringen F004, F179 en F321 Vervang de BODAS-unit KLACHT: VENTILATOR DRAAIT TE SNEL Mogelijke oorzaak Hydraulisch of mechanisch defect Geen communicatie tussen de VFC en de BODAS-unit Maatregel

2

Citea CLF/SLF PR - ND

1

Geen communicatie tussen de VFC en de BODAS-unit Geen voedingsspanning op de BODAS-unit BODAS-unit defect

Zie 1 - 4.1 Storingstabel hydraulische pomp ( 4 - 2) of 1 - 4.3 Storingstabel hydraulische motor ( 4 - 3) Controleer de CAN-bus werking

Verbinding tussen de BODAS-unit en proportioneelven- Controleer de verbinding tiel onderbroken Koelvloeistoftemperatuursensor defect Inlaatlucht temperatuursensor defect Transmissieolie temperatuursensor defect Retarderolie temperatuursensor defect Geen voedingsspanning op de BODAS-unit BODAS-unit defect Controleer de werking van de sensor Controleer de werking van de sensor Controleer de werking van de sensor Controleer de werking van de sensor Controleer de zekeringen F004, F179 en F321 Vervang de BODAS-unit

4-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

MOTOR

MOTOR

2

DD017201

MOTOR

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

MOTOR

Veiligheidsvoorschriften

1.

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

De hierin beschreven werkzaamheden mogen uitsluitend uitgevoerd worden door opgeleid en vakkundig personeel. Volg altijd de ter plaatse geldende wettelijke veiligheids- en milieuvoorschriften op. Volg alle waarschuwings- en veiligheidsvoorschriften, welke hierin vermeld staan op. Lees altijd eerst de instructies en waarschuwingen, weke vermeld staan op labels en stickers, aangebracht op de diverse componenten en volg deze ook op! Ze zijn aangebracht voor Uw veiligheid en gezondheid dus negeer ze niet!!! Draag schone, goed sluitende kleding en breng indien nodig beschermende crème aan op lichaamsdelen. Laat de motor niet onnodig draaien in een afgesloten of ongeventileerde ruimte. Met andere woorden, zorg voor een goede afzuiging van de uitlaatgassen. Blijf op veilige afstand van roterende en/of bewegende componenten. Voorzichtigheid is geboden bij het verversen van de olie, hete olie kan zwaar lichamelijk letsel veroorzaken. Vermijd onnodig contact met de afgetapte olie, regelmatig contact veroorzaakt huidletsel. Om brandgevaar te voorkomen moet de motor, en de omgeving hiervan, vrij zijn van licht ontvlambare vloeistoffen.

2

DD017201

1-1

MOTOR

Veiligheidsvoorschriften

Verbreek altijd de massaverbinding van de accu bij werkzaamheden aan de hydraulische installatie om te voorkomen dat men de motor kan starten. Plaats een "NIET BEDIENEN" bordje op het dashboard. Neem nooit de accuklemmen los bij een draaiende motor, om beschadiging van elektrische componenten te voorkomen. Schakel het contact en de hoofdschakelaar uit voordat de verbinding tussen accuklem en minpool verbroken wordt. Wacht na het uitschakelen van het contact minimaal 80 seconden voordat de verbinding tussen accuklem en minpool verbroken wordt. Het niet aanhouden van deze wachttijd kan verstopping van de AdBlue-leidingen tot gevolg hebben. Laat alle druk in het hydraulisch systeem af alvorens leidingen, koppelingen of aanverwante onderdelen los te koppelen of te verwijderen. Wees bedacht op mogelijke restdruk, draai de koppeling enkele slagen los om eventuele restdruk te laten ontsnappen alvorens de verbinding los te nemen. Brandstofsysteem Dieselbrandstof is licht ontvlambaar. Vermijd open vuur, hittebronnen of een brandende sigaret in de nabijheid van het brandstofsysteem: BRANDGEVAAR! Dieselbrandstof is schadelijk voor de gezondheid. Voorkom aanraking van dieselbrandstof met de huid, ogen of kleding. Adem brandstofdampen niet in. Wordt dieselbrandstof ingeslikt, raadpleeg direct een arts.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

1-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

MOTOR

Veiligheidsvoorschriften

2

DD017201

1-3

MOTOR

Veiligheidsvoorschriften

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

1-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

MOTOR

Algemeen

2.

2.1

ALGEMEEN

LOCATIE COMPONENTEN

2

ILAj0274

1. 2. 3. 5. 6. 7. 12. 16. 17.

Thermostaathuis Luchtinlaat Inlaatspruitstuk Pompunit Brandstoffilter Trillingsdemper Distributiedeksel Oliefilter Startmortor

DD017201

2-1

MOTOR

Algemeen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

ILAj0275

4. 8. 9. 10. 11. 13. 14. 15.

Luchtcompressor Koelvloeistofpomp Automatische spanner poly V-riem Geleiderol Vliegwielhuis Uitlaatspruitstuk Turbocompressor Oliekoeler

2-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 2.2 IDENTIFICATIE

MOTOR

Algemeen

Motoridentificatieplaat

De motor-identificatieplaat is bevestigd tegen het inlaatspruitstuk van de motor.

2

ILAj0559

De motor-identificatieplaat vermeldt verschillende motorgegevens zoals: · Motortype, · Motornummer, · Bestelnummer, · TPT nummer, · Vermogen, · Afgeregeld toerental, · Instelling, · Rookgetal bij vrije acceleratie.

ILAj0484

DD017201

2-3

MOTOR

Algemeen 2.3 BESCHRIJVING COMPONENTEN

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Voor een actuele beschrijving van de componenten, zie https://eportal.daf.com 2.3.1 CARTERPANBEVESTIGING

2

De afdichting tussen carterpan en motorblok gebeurt d.m.v. een speciaal afdichtrubber (2). De carterpan wordt tegen het motorblok bevestigt m.b.v. bevestigingssteunen (3). Het direct ondersteunen van de motor onder de carterpan of carterpan rand is NIET toegestaan.

ILAj0325

1. 2. 3. 4.

Bevestigingsbout Afdichtrubber Bevestigingssteun Carterpan

2-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2.3.2 TRILLINGSDEMPERS (MOTORSTEUNEN)

MOTOR

Algemeen

De motor is opgehangen in vier trillingsdempers, twee aan de vliegwielzijde en twee aan de distributiezijde. De trillingsdempers zijn links en rechts identiek. De trillingsdempers aan de distributiezijde bestaan uit twee gietstukken met hiertussen een gevulkaniseerd trillingsdemper. De gietstukken zijn niet onderling verbonden. Indien de trillingsdemper gescheurd is, kan dit metaal op metaal contact geven. Dit is hoorbaar in het laag toerengebied van de motor. Visueel kan dit gecontroleerd worden door met een bandijzer het bovenste gedeelte van de motorsteun/trillingsdemper omhoog te drukken.

2

ILAj0349

Motorsteun vliegwielzijde

ILAj0350

Motorsteun distributiezijde

DD017201

2-5

MOTOR

Algemeen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

2-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

MOTOR

Controleren en afstellen

3.

3.1

CONTROLEREN EN AFSTELLEN

CONTROLEREN V-RIEM 2E DYNAMO

Zet bij werkzaamheden aan de motor de hoofdschakelaar UIT, tenzij voor werkzaamheden noodzakelijk. Zorg er tevens voor dat de motor niet onbedoeld gestart kan worden.

Controleren V-riem · Controleer of de riem is versleten of beschadigd, zonodig vernieuwen. Let ook op haarscheurtjes. · Controleer de V-riemspanning door middel van een riemspanningsmeter. · Reinig een vuile V-riem met een glycerine-spiritus mengsel van 1:10.

2

ILAj0314

Controle V-riemspanning 1. Controleer de V-riemspanning met de Optibelt optikrik of met de Optibelt TT3, zie 0 - 8. Speciaal gereedschap ( 8 - 1). Hierna wordt de meetmethode met de Optibelt optikrik beschreven, voor de werkwijze met de Optibelt TT3 verwijzen wij u naar de gebruiksaanwijzing van de TT3. 2. Stel de meter op nul af door de meetarm (1) in te drukken.

ILAk0004

DD017201

3-1

MOTOR

Controleren en afstellen

3. Plaats de V-riemspanningsmeter op de V-riem, in het midden, tussen de dynamopoelie en krukaspoelie (A).

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

ILAj0193

4. Druk met behulp van de V-riemspanningsmeter de V-riem langzaam in, totdat de meter een klikgeluid maakt. Verwijder hierna voorzichtig de riemspanningsmeter. Let erop dat de meetarm niet verspringt. 5. Lees de waarde af die wordt aangegeven door de stand van de meetarm ten opzichte van de schaalverdeling. Vergelijk deze waarde met de aanbevolen voorspanning, zie 0 - 2.1.3 V-riemspanning dynamo ( 2 - 2).

ILAk0005

Afstellen V-riemspanning 1. Draai de borgmoer (4) van de draadspindel los. 2. Draai de bevestigingsbout (5) van de draaispindel los. 3. Los de bevestigingsbouten (3) en (6) van de dynamo. 4. Los de borgmoer (2) van de draadbus (1). 5. Verplaats de dynamo door de draadbus (1) te verdraaien, totdat de juiste V-riemspanning wordt bereikt, zie 0 - 2.1.3 V-riemspanning dynamo ( 2 - 2). 6. Draai de borgmoeren (2) en (4), en bevestigingsbouten (3), (5) en (6) vast.

ILAj0086

3-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 3.2 CONTROLEREN POLY V-RIEM MOTOR

MOTOR

Controleren en afstellen

De poly V-riem is met een automatische V-riemspanner uitgerust en kan daarom niet met de hand worden bijgesteld. Een onjuiste poly V-riemspanning kan veroorzaakt worden door: · Een uitgerekte poly V-riem, · Een defecte automatische V-riemspanner. Zet bij werkzaamheden aan de motor de hoofdschakelaar UIT, tenzij voor werkzaamheden noodzakelijk. Zorg er tevens voor dat de motor niet onbedoeld gestart kan worden. Monteer altijd een poly V-riem van dezelfde uitvoering.

2

Verwijder de poly V-riem 1. Neem de massakabel van de accu los, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Verwijder indien nodig de poly V-riem van de airco compressor, Zie 6 - 3.1 Verwijderen en aanbrengen V-riem airco-compressor(en) ( 3 - 1). Verwijder de V-riem (A) van de 2e dynamo, zie 2 - 4.5 Verwijderen en aanbrengen V-riem 2e dynamo ( 4 - 13). 3. Plaats een ringsleutel van 17 mm op het zeskant van de automatische riemspanner. Het is mogelijk de spanner tijdelijk te blokkeren met een 4 mm dikke stift (boor), zie (A) in de afbeelding. 4. Ontspan de poly V-riem zodat deze van de riemschijven kan worden genomen. 5. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tot de aanslag, indien men de riemspanner niet tijdelijk blokkeert. 6. Verwijder de poly V-riem.

ILAj0110

DD017201

3-3

MOTOR

Controleren en afstellen

Controleren poly V-riem 1. Controleer de poelies op beschadigingen, roest en vetaanslag. Reinig de poelies indien nodig. 2. Reinig een vuile poly V-riem met glycerine-spiritus mengsel van 1:10. 3. Controleer de poly V-riem op barsten, schade of overmatige slijtage, vervang zonodig. 4. Controleer de automatische riemspanner, zie 2 - 3.3 Controleren automatische riemspanner ( 3 - 5).

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

Indien de poly V-riem vervangen dient te worden, is het aan te bevelen om tevens de riemspanner en geleidewielen te vervangen. Aanbrengen poly V-riem 1. Plaats de poly V-riem alvast over zoveel mogelijk riemschijven. 2. Span de automatische riemspanner (indien deze niet tijdelijk geblokkeerd is) met een ringsleutel van 17 mm en plaats de poly V-riem over de laatste riemschijven. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tegen de poly V-riem. 3. Verwijder, indien van toepassing, de blokkeerstift. Door de spanrol tegen de veerkracht in te bewegen, kan de blokkeerstift verwijderd worden. 4. Controleer of de poly V-riem in alle groeven van alle riemschijven ligt. 5. Breng de V-riem 2e dynamo aan, zie 2 - 4.5 Verwijderen en aanbrengen V-riem 2e dynamo ( 4 - 13). Breng indien nodig de poly V-riem van de airco compressor aan, zie 6 - 3.1 Verwijderen en aanbrengen V-riem airco-compressor(en) ( 3 - 1). 6. Sluit de massakabel aan op de accu, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1).

ILAj0017

ILAj0110

3-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 3.3 CONTROLEREN AUTOMATISCHE RIEMSPANNER

Zet bij werkzaamheden aan de motor de hoofdschakelaar UIT, tenzij voor werkzaamheden noodzakelijk. Zorg er tevens voor dat de motor niet onbedoeld gestart kan worden. 3.3.1 RIEM-VERVANGINGSINDICATOR

MOTOR

Controleren en afstellen

GATES-riemspanner 1. De riemspanner is voorzien van een indicator die aangeeft als de poly V-riem vervangen dient te worden. A B C Indicator op de arm Positie B: V-riem is goed (nieuw) Positie C: V-riem vervangen

2

ILAj0157

3.3.2

ALGEMEEN

Onjuiste loop van de poly V-riem 1. Controleer, bij een draaiende motor, de loop (positie) van de poly V-riem over de poelie van de riemspanner. De V-riem moet in het midden, of dicht bij het midden, van de poelie blijven. Een niet goed gepositioneerde riem zal sneller slijten en de kans bestaat dat de riem van de poelie loopt tijdens draaien. Tevens bestaat de kans op beschadiging van de riemspanner. 2. Indien de V-riem niet in het midden van de poelie loopt of schommelt over de poelie, moeten de V-riem en riemspanner gecontroleerd worden op beschadigingen. Vervang het beschadigde onderdeel, indien nodig. 3. Controleer bij een draaiende motor of de riemspanner constant heen en weer beweegt, of een slag maakt die groter is dan 12,5 mm. In beide gevallen dient de riemspanner vervangen te worden.

ILAj0195c

DD017201

3-5

MOTOR

Controleren en afstellen

Geluid riemspanner Wees voorzichtig in de buurt van draaiende onderdelen! 1. Luister, bij een draaiende motor, of de riemspanner ongewone geluiden maakt, zoals piepen of ratelen. Dit zijn indicaties voor een (naderende) storing. 2. Schakel de motor uit.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

3. Controleer, of de poelie van de V-riemspanner, met de hand vrij kan worden rondgedraaid zonder voelbare weerstand of ongewoon geluid. Indien overmatige weerstand voelbaar is of ongewone geluiden hoorbaar zijn, dient de riemspanner vervangen te worden.

ILAj0195a

4. Plaats een ringsleutel van 17 mm op het zeskant van de automatische riemspanner en beweeg de arm van de riemspanner vanuit de "rust-stand" langzaam naar de "montage-stand". Indien overmatige weerstand of schokken voelbaar zijn, dient de riemspanner vervangen te worden.

ILAj0195d

Lager riemspanner 1. Schakel de motor uit en verwijder de poly V-riem. 2. Draai met de hand de poelie rond. Geluid of weerstand kunnen duiden op beschadiging van het lager. 3. Controleer het lager van de poelie. Een geringe voelbare is normaal. 4. Indien geluid, weerstand of buitengewone voelbare speling wordt geconstateerd, vervang de riemspanner. Vuilophoping 1. Verwijder de poly V-riem. 2. Controleer de riemspanner op vuilophoping. Indien er vuilophoping geconstateerd wordt, dient de riemspanner gedemonteerd en gereinigd te worden.

3-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Scheurvorming, slijtagegroeven en armspeling 1. Verwijder de poly V-riem en de riemspanner. 2. Controleer de riemspanner en poelie op scheurvorming, vervormingen, deuken en metaalslijtage. Vervang de V-riemspanner bij gebreken. 3. Controleer het contactvlak tussen het draaiende en het stilstaande gedeelte van de riemspanner op slijtagegroeven. Slijtagegroeven zijn een indicatie voor lager speling. Vervang de riemspanner. 4. Controleer visueel of de spanner-arm contact maakt met het veerhuis. Dit is te herkennen aan glanzend gladde strepen of groeven in het metaal. Controleer de arm op speling door de arm vertikaal heen en weer te bewegen. Indien er voelbare speling is, vervang de riemspanner. Veerkracht riemspanner 1. Schakel de motor uit en plaats een ringsleutel van 17 mm op het zeskant van de automatische riemspanner en zet spanning op de riemspanner. Tijdens het verdraaien van de arm (ringsleutel), moet duidelijk de weerstand van de veer voelbaar zijn. Is dit niet het geval, heeft de veer zijn kracht verloren en dient de riemspanner vervangen te worden. 2. Andere indicatoren zijn het slippen of het loslopen van de V-riem of als een component, dat door de V-riem wordt aangedreven, niet draait. Vervang de riemspanner als één van bovengenoemde voorvallen zich voordoet.

MOTOR

Controleren en afstellen

2

ILAj0195e

ILAj0195b

DD017201

3-7

MOTOR

Controleren en afstellen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Storingstabel riemspanner Storing Scheefstand spanner/ spanrol Spanner schokt Herkenningspunten A-symmetrische opening tussen spannerhuis en spannerarm Oorzaken Slijtage glijlager Maatregel Spanner vervangen

2

Spanner blijft hangen Spanner slaat tegen de eindaanslag (einde arbeidsbereik)

Bij het draaien van de span- Slijtage dempingsbussen nerarm over de totale arbeidsslag zijn schokken voelbaar en een knarsent geluid hoorbaar. Spanner spant niet na, riem bromt sterk Sterk brommen van de riem, klapperend geluid door contact tussen aanslagnok en spannerhuis Slijtage glijlager en dempingsbussen Riem te ver uitgerekt. Riem te lang. Verkeerde rol-diameter. Riemslijtage

Spanner vervangen

Spanner vervangen Riem vervangen, eventueel spanner vervangen.

(af)Gebroken onderdelen Zeskantmoer terugstelinrichting afgebroken Kogellager hoorbaar

Overbelasting zeskantmoer Spanner vervangen door scheeftrekken terugstelinrichting Spanner vervangen

Vervuiling Geruis bij draaien. Overbelasting Bij het handmatig ronddraaien van de poelie is een Beschadiging van buitenaf schoksgewijze loop merkbaar. Toestand buitenzijde/ oppervlakte Stof, water etc.

Corrosie/vervuiling

Spanner NIET vervangen

Wordt geen van bovengenoemde storingen vastgesteld, dan mag de riemspanner NIET vervangen worden.

3-8

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 3.4 CONTROLEREN (POLY) V-RIEMEN

Zet bij werkzaamheden aan de motor de hoofdschakelaar UIT, tenzij voor werkzaamheden noodzakelijk. Zorg er tevens voor dat de motor niet onbedoeld gestart kan worden. Algemeen · Buig, draai, twist (poly) V-riemen NOOIT binnenstebuiten of met een radius van < 25 mm. · Zorg ervoor dat (poly) V-riemen en riemschijven niet in contact komen met olie en vetten. · Het gebruik van "Belt dressing" of soortgelijke producten op (poly) V- riemen, riemschijven en geleiderollen is niet toegestaan. Storingsoorzaken

MOTOR

Controleren en afstellen

2

ILAj0368

DD017201

3-9

MOTOR

Controleren en afstellen

3.4.1 STORINGSTABEL

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Verharde/gepolijste flanken

2

Mogelijke oorzaak Riemspanning Defecte riemspanner Te hoge omgevingstemperatuur Maatregel Vervang de (poly) V-riem. Riemspanning afstellen. Vervang de (poly) V-riem. Vervang de riemspanner. Controleer of het juiste type V-riem is gemonteerd, vervang zonodig

Ongelijke slijtage van de riem-ribben

Mogelijke oorzaak Uitlijning riemschijven/geleiderollen

Maatregel Controleer de aandrijving. Lijn uit, of indien nodig vervang de riemschijven/geleiderollen. Vervang de (poly) V-riem. Controleer de riemspanning. Indien nodig riemspanning afstellen/(poly) V-riem vervangen. Controleer of het juiste type V-riem is gemonteerd, vervang zonodig

Te grote riem vibraties

Te hoge omgevingstemperatuur

3 - 10

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Lawaaierige aandrijving, loopgeluiden van de (poly) V-riem

MOTOR

Controleren en afstellen

2

Mogelijke oorzaak Onvoldoende riemspanning V-riem versleten Scheuren/losgelaten stukken uit de (poly) V-riem basis/ribben

Maatregel Riemspanning afstellen of vervang de (poly) V-riem Vervang de (poly) V-riem

Mogelijke oorzaak Riemspanning is te hoog/te laag V-riem versleten Invloed van buitenaf

Maatregel Riemspanning afstellen en vervang de (poly) V-riem Vervang de (poly) V-riem Vervang de (poly) V-riem

DD017201

3 - 11

MOTOR

Controleren en afstellen

Gebroken (poly) V-riem na een korte inlooptijd

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

Mogelijke oorzaak V-riemspanner defect V-riem extreem gespannen

Maatregel Vervang de riemspanner Vervang de (poly) V-riem, stel de riemspanning correct af

Verontreiniging op de (poly) V-riem

Mogelijke oorzaak Lekkage van de motor, lekkage in motorruimte Beschadiging aan de rugzijde van de (poly) V-riem

Maatregel Vervang de (poly) V-riem, lekkage's repareren

Mogelijke oorzaak Loopvlak riemschijven/poelies beschadigd

Maatregel Vervang de (poly) V-riem. Vervang beschadigde riemschijven/geleiderollen.

3 - 12

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Niet acceptabele slijtage riem-ribben

MOTOR

Controleren en afstellen

2

Mogelijke oorzaak Riemschijven/poelies beschadigd Riemschijven/poelies niet uitgelijnd Maatregel Vervang de (poly) V-riem. Vervang beschadigde riemschijven/geleiderollen. Vervang de (poly) V-riem. Lijn riemschijven/geleiderollen uit, of vervang de riemschijven/geleiderollen.

Gescheurde achterkant

Mogelijke oorzaak Diameter riemschijven te smal Slip Te hoge omgevingstemperatuur Extreme slijtage zijkant

Maatregel Vervang riemschijven door juiste type en vervang de (poly) V-riem Stel de riemspanning correct af/vervang de (poly) V-riem Vervang de (poly) V-riem door het juiste type

Mogelijke oorzaak (poly) V-riem schuurt langs voorwerp Riemspanning is te hoog/te laag

Maatregel Controleer de loop van de (poly) V-riem/vervang de (poly) V-riem Stel de riemspanning correct af/vervang de (poly) V-riem

DD017201

3 - 13

MOTOR

Controleren en afstellen

Extreme slijtage zijkant

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

Mogelijke oorzaak Riemschijven/poelies niet uitgelijnd

Maatregel Vervang de (poly) V-riem. Lijn riemschijven/geleiderollen uit, of vervang de riemschijven/geleiderollen

Beschadiging/aantasting/loslaten van het rubber

Mogelijke oorzaak "Belt dressing"

Maatregel Het gebruik van "Belt dressing" is NIET toegestaan

3 - 14

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 3.5 CONTROLEREN MOTORSTEUNEN

MOTOR

Controleren en afstellen

1. Zet het voertuig op de parkeerrem. 2. Start de motor en bedien de bedrijfsrem. 3. Plaats de versnellingsbak in Drive ("D"). 4. Druk rustig het gaspedaal in. Zorg ervoor dat het voertuig niet verplaatst. 5. Controleer de motor/versnellingsbak op beweging. 6. Bij een "correcte" motorophanging zal de motor/ versnellingsbak slechts gering bewegen. Bij een "defecte" motorophanging zal de motor/ versnellingsbak heftig kantelen / heen en weer bewegen.

2

ILAj0647

DD017201

3 - 15

MOTOR

Controleren en afstellen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

3 - 16

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

4.

VERWIJDEREN EN AANBRENGEN

Opmerking Voor het verwijderen en aanbrengen van motorspecifieke componenten wordt verwezen naar Eportal on-line. Zie daarvoor: https://eportal.daf.com

4.1

VERWIJDEREN EN AANBENGEN ACCUKLEMMEN

Om te voorkomen dat de tachograaf DTCO-1381 een foutcode opslaat, moet de bestuurderskaart vervangen worden door de werkplaatskaart voordat de accuklem van de minpool wordt losgekoppeld. Leg geen gereedschap of andere materialen op of nabij de accu's. Dit kan kortsluiting en, in het ergste geval, een explosie van de accu veroorzaken. Verbreek bij werkzaamheden aan het voertuig altijd de verbinding tussen de accuklem en de minpool. Neem nooit de accuklemmen los bij een draaiende motor, om beschadiging van elektronische componenten te voorkomen. Schakel het contact uit voordat de verbinding tussen de accuklem en de minpool wordt verbroken. Wacht na het uitschakelen van het contact minimaal 80 seconden voordat de verbinding tussen accuklem en minpool wordt verbroken. Het niet aanhouden van deze wachttijd kan verstopping van de AdBlue-leidingen tot gevolg hebben. In de nabijheid van accu's vonkvorming en open vuur vermijden.

2

Voor de aanhaalmomenten van de accuklemmen, zie 0 - Accuklemmen ( 2 - 6).

DD017201

4-1

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen 4.2 VERWIJDEREN EN AANBRENGEN AANDRIJFUNIT

Ondersteun de aandrijfunit op een deugdelijke wijze en maak gebruik van goedgekeurd gereedschap. Het direct ondersteunen van de motor onder de carterpan of carterpanrand is NIET TOEGESTAAN.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

Bij het verwijderen van vloeistofleidingen zullen diverse soorten vloeistoffen vrijkomen. Vang deze vloeistoffen afzonderlijk van elkaar op en denk aan uw persoonlijke bescherming en aan het brandgevaar. Let er bij het uitbouwen van de motor op, dat er geen onderdelen of vuil in de motor, radiateur of andere componenten vallen. Dicht daarom alle vrijgekomen openingen af. Elektrische draadbomen zijn kwetsbaar en kunnen bij beschadiging storingen veroorzaken. Zorg ervoor dat deze draadbomen spanningsloos zijn en vrijliggen van bewegende delen. Maak bij het verwijderen van de aandrijfunit gebruik van goedgekeurde kolomliften om het voertuig omhoog te heffen. Breng alle bevestigingsbouten aan met het juiste aanhaalmoment. Laat de motor niet rusten op het vliegwielhuis. Dit raakt eenvoudig beschadigd door het eigen gewicht van de motor. Als een nieuwe motor (short-block of longblock) is gemonteerd, moet nadat de versnellingsbak is gemonteerd de axiale speling van de krukas worden gecontroleerd.

4-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Verwijderen aandrijfunit 1. Neem de massakabel van de accu's los, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Tap het koelvloeistofsysteem af, zie 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 3. Markeer (indien nodig) de slangen en de aansluitingen. 4. Neem de koelvloeistofslangen (1) en (2) los. 5. Neem de koelvloeistofvulslang (5) los. 6. Neem ontluchtingsleiding (4 en 6) los. 7. Neem ontluchtingsleidingen bij Y-koppeling (3) los. 8. Indien nodig verwijder complete slangen.

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

2

ILAj0648

9. Neem de uitlaatpijp los bij het flexibele tussenstuk (7).

ILAj0353

DD017201

4-3

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

10. Tap het hydraulisch systeem van de ventilatoraandrijving af, zie document DD008201. 11. Neem de zuigleiding van de ventilatoraandrijving (12) bij het reservoir los. 12. Neem de persleiding van de ventilatoraandrijving (11) bij de motor los.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

ILAj0680

13. Tap het hydraulisch systeem stuurinrichting af, zie hoofdgroep 7 aftappen en vullen stuurinrichting. 14. Neem de zuigleiding (16) en retourleiding (15) op het stuuroliereservoir los. 15. Neem de snelkoppelingen (13) en (14) van de pers- en retourleiding los. 16. Neem de luchtinlaatslang van de luchtcompressor los. 17. Bouw de airco-compressor uit zonder de airco-leidingen los te nemen. Hang de airco-compressoren op aan het chassis.

ILAj0681

4-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

18. Maak het remluchtsysteem drukloos. Neem de luchtcompressor-slang (17) los. 19. Neem de compressor-stuurleiding bij de chassis-doorvoer (18) los.

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

2

ILAj0669

20. Neem de luchtinlaatslang (19) van de luchtcompressor los. 21. Neem de luchtinlaatleiding (20) van de interkoeler los. 22. Neem de interkoelerleiding (21) bij de turbo los. 23. Verwijder de rubberen inlaatbocht (22) tussen luchtfilterhuis en de turbo.

ILAj0357

DD017201

4-5

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

24. Neem de carternavulleiding (4) los. 25. Tap het brandstofsysteem af.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

ILAj0682

26. Neem de markeer de brandstofslangen (24 en 25) en neem deze los. Plug de leidingen/slangen af. 27. Neem de brandstofaanvoer- en retourslangen (26) en (27) los bij de kniestukken. Plug de leidingen/slangen af.

ILAj0683

4-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

28. Neem de massakabels van het motorblok los. 29. Indien nodig, markeer de elektrische aansluitingen. 30. Maak de DMCI connectoren (XEN1 en XEN2) op de motor los. Zorg ervoor dat de draadboomuiteinden niet achter de motor kunnen blijven haken tijdens het verwijderen van de motor. 31. Neem de dynamo connector XEN4 los Neem de ED/EP ventielen connector XHVC los. 32. Neem de overige connectoren van de motor los.

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

2

ILAj0360

33. Neem de connectoren en bevestigingen van de versnellingsbak-kabelboom op de versnellingsbak los.

ILAj0361

Voith Diwa.5 34. Neem de connector van de snelheidssensor op de versnellingsbak los. 35. Neem de aandrijfas los aan de versnellingsbakzijde en bindt deze omhoog. 36. Neem de motorsteunen los, zie: 2 - 4.3 Verwijderen en aanbrengen trillingsdempers ( 4 - 9).

ILAj0684

ZF Ecomat DD017201 4-7

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

37. Verwijder de sluitbalk. 38. Controleer of de aandrijfunit volledig vrij ligt en manoeuvreer de aandrijfunit voorzichtig naar achteren/onderen uit het voertuig uit. Aanbrengen aandrijfunit 1. Controleer de ophangrubbers van de motorsteunen. Vervang de steunen indien nodig, zie: 2 - 4.3 Verwijderen en aanbrengen trillingsdempers ( 4 - 9). 2. Manoeuvreer de aandrijfunit in het voertuig.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

3. Plaats de bevestigingsbouten van alle motorsteunen en draai deze met de hand aan. 4. Breng de sluitbalk aan. Draai de bouten van de motorophanging aan met het voorgeschreven aanhaalmoment, zie 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). Let daarbij op de aanhaalvolgorde. 5. Draai de bouten van de motorophanging aan met het voorgeschreven aanhaalmoment, zie: 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3), zorg hierbij dat de aandrijflijn spanningsvrij wordt opgehangen. 6. Breng vervolgens de verwijderde onderdelen, met inachtneming van het onderstaande, in omgekeerde volgorde van het verwijderen aan. · Haal de verbindingen met de voorgeschreven aanhaalmomenten aan, zie subgroep "Technische gegevens". · Zorg dat de elektrische aansluitpunten goed contact maken. Controleer slangen en slangenklemmen en vervang deze indien nodig. · Zet de kabelbomen op de oorspronkelijke manier vast. · Zet kunststofleidingen op de oorspronkelijke manier vast, zodat er geen kans op doorscheuren of lostrillen ontstaat. 7. Vul het koelsysteem, zie 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 8. Controleer het oliepeil van de motor en versnellingsbak. Vul zonodig bij met de voorgeschreven olie, zie onderhoudsboek DD0110xx. 9. Vul en ontlucht het brandstofsysteem. 10. Vul de hydraulische systemen van de ventilatoraandrijving en stuursysteem met de voorgeschreven olie, zie onderhoudsboek DD0110xx. 11. Ontlucht de hydraulische systemen. 12. Start de motor en laat deze een paar minuten draaien. Controleer na enige tijd het niveau van alle systemen (koelvloeistof, hydraulisch/ stuurbekrachtiging en motoroliepeil. Let daarbij ook op eventuele lekkages bij losgenomen verbindingen.

ILAj0685

4-8

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 4.3 VERWIJDEREN EN AANBRENGEN TRILLINGSDEMPERS

Ondersteun de motor op een deugdelijke wijze en maak gebruik van goedgekeurd hefgereedschap. Het direct ondersteunen van de motor onder de carterpan of carterpanrand is NIET TOEGESTAAN. Verwijderen voorste trillingsdemper 1. Ondersteun de aandrijfunit met een in hoogte verstelbare krik. 2. Verwijder de bevestigingsbouten van de trillingsdemper aan de motorsteun. 3. Verwijder de bevestigingsbouten van de trillingsdemper aan het chassis. 4. Verwijder de trillingsdemper.

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

2

ILAj0089

Aanbrengen voorste trillingsdemper 1. Controleer het rubber van de trillingsdemper en de motorsteun. Vervang de trillingsdemper/motorsteun indien nodig. 2. Breng de trillingsdemper aan. 3. Zet de bevestigingsbouten/moeren vast met het voorgeschreven aanhaalmoment, zie: 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3).

DD017201

4-9

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

Verwijderen achterste trillingsdemper 1. Ondersteun de aandrijfunit met een in hoogte verstelbare krik. 2. Verwijder de centrale bout van de motorsteunen. 3. Krik indien nodig de aandrijfunit iets omhoog zodat de motorsteun vrij komen te liggen. 4. Verwijder de bevestigingsbouten van de trillingsdemper aan het chassis en verwijder de trillingsdemper.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

Aanbrengen achterste motorophanging 1. Controleer het rubber van de trillingsdemper en de motorsteun. Vervang de trillingsdemper/motorsteun indien nodig. 2. Breng de trillingsdemper aan. 3. Zet de bevestigingsbouten/moeren vast met het voorgeschreven aanhaalmoment, zie: 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 4. Laat de aandrijfunit zakken zodat de motorsteun op de trillingsdemper hangt. 5. Breng de centrale bevestigingsbout aan en draai deze met de hand aan. 6. Zet de bevestigingsbout vast met het voorgeschreven aanhaalmoment, zie: 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3).

4 - 10

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 4.4 VERWIJDEREN EN AANBRENGEN DYNAMO'S

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

Verwijderen 2e dynamo 1. Verwijder de beide kabels van de accupolen, zie: 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Neem de elektrische aansluitingen los van de dynamo. 3. Verwijder de V-riem, zie: 2 - 4.5 Verwijderen en aanbrengen V-riem 2e dynamo ( 4 - 13). 4. Verwijder de bevestigingsbouten(1), (6), (7) en verwijder de dynamo.

2

ILAj0620

Aanbrengen 2e dynamo 1. Breng de dynamo aan en draai de bevestigingsbouten (1), (6), (7) met het voorgeschreven aanhaalmoment vast, zie: 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). Let op de positie van sluitring (A). 2. Breng de V-riem aan, zie: 2 - 4.5 Verwijderen en aanbrengen V-riem 2e dynamo ( 4 - 13). 3. Draai de bevestigingsmoeren (9) van de elektrische aansluitingen van de dynamo met het voorgeschreven aanhaalmoment vast, zie: 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 4. Sluit de connectoren van de dynamo aan. 5. Breng de beide kabels op de accupolen aan, zie: 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). Werking van dynamo controleren 1. Controleer de toestand van de accu's. 2. Controleer of het waarschuwingslampje dooft na het starten van de motor. 3. Schakel zoveel mogelijk elektrische verbruikers in. 4. Meet bij draaiende motor de nominale spanning over de accupolen.

DD017201

4 - 11

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

Verwijderen dynamo poly V-riem motor 1. Verwijder de beide kabels van de accupolen, zie: 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Neem de elektrische aansluitingen los van de dynamo. 3. Verwijder de poly V-riem, zie 2 - 4.6 Verwijderen en aanbrengen poly V-riem motor ( 4 - 15). 4. Verwijder de bevestigingsbouten (1) en (2) van de dynamo, plaats de peilstok/peilstoksteun zo ver mogelijk opzij, en verwijder de dynamo.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

ILAj0388

Aanbrengen dynamo poly V-riem motor 1. Breng de dynamo (2) en peilstok/peilstoksteun aan en zet de bevestigingsbouten met het voorgeschreven aanhaalmoment vast, zie 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 2. Breng de poly V-riem aan, zie 2 - 4.6 Verwijderen en aanbrengen poly V-riem motor ( 4 - 15). 3. Draai de bevestigingsmoeren van de elektrische aansluitingen van de dynamo met het voorgeschreven aanhaalmoment vast, zie 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 4. Sluit de connectoren van de dynamo aan. 5. Controleer of de markering (2) op de riemspanner binnen bereik (A) valt. · Markering (1) staat voor de nominale V-riemspanning, met een afwijking van ± 2 mm. · Als een riem buiten bereik (A) ligt, is de riemspanner onjuist aangebracht of voldoet deze niet aan de specificatie. 6. Breng de beide kabels op de accupolen aan, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). Werking van dynamo controleren 1. Controleer de toestand van de accu's. 2. Controleer of het waarschuwingslampje dooft na het starten van de motor. 3. Schakel zoveel mogelijk elektrische verbruikers in. 4. Meet bij draaiende motor de nominale spanning over de accupolen.

ILAj0362

4 - 12

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 4.5

4.5.1

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

VERWIJDEREN EN AANBRENGEN VRIEM 2E DYNAMO

V-RIEM VERWIJDEREN Monteer altijd een V-riem van dezelfde uitvoering.

Indien voor een aandrijving twee Vriemen worden gebruikt, moeten beide riemen worden vernieuwd. Verwijderen V-riem 1. Maak de massakabel van de accu los, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1).

2

ILAj0314

2. Draai de bevestigingsbout (4) van de draadstang een paar slagen los. 3. Los de bevestigingsbouten (1), (6) en (7) van de dynamo een paar slagen. 4. Los de borgmoer (10) van de draadbus (5). 5. Verplaats de dynamo door middel van de draadbus (5) totdat de V-riem kan worden verwijderd.

ILAj0690

DD017201

4 - 13

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

Aanbrengen V-riem 1. Controleer de poelies op beschadigingen, roest en vetaanslag. 2. Monteer de nieuwe V-riem. Afstellen V-riem 3. Verplaats de dynamo, door de draadbus (5) te verdraaien, totdat de juiste V-riemspanning wordt bereikt, zie 0 - 2.1.3 V-riemspanning dynamo ( 2 - 2).

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

4. Draai de borgmoer (10) vast. 5. Draai de bevestigingsbouten (1), (4), (6) en (7) vast. 6. Sluit de massakabel aan op de accu, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1).

4 - 14

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 4.6 VERWIJDEREN EN AANBRENGEN POLY V-RIEM MOTOR

Monteer altijd een poly V-riem van dezelfde uitvoering. Breng de poly V-riem aan volgens de aangegeven route. Verwijderen poly V-riem 1. Maak de massakabel van de accu los, zie: 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Verwijder de V-riem van de 2e dynamo, 2 - 4.5 Verwijderen en aanbrengen V-riem 2e dynamo ( 4 - 13). 3. Verwijder de V-riem van de airco-compressor, zie 6 - 3.1 Verwijderen en aanbrengen V-riem aircocompressor(en) ( 3 - 1). 4. Plaats een ringsleutel van 17 mm op het zeskant van de automatische riemspanner. Opmerking Het is mogelijk de spanner tijdelijk te blokkeren door een 4 tot 5 mm dikke stift door het eerste gat (zie pijl) en tweede gat (A) te steken. Dit vergemakkelijkt de demontage en montage van de poly V-riem. 5. Ontspan de poly V-riem zodat deze van de riemschijven kan worden genomen. 6. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tot de aanslag, indien de spanner niet tijdelijk geblokkeerd is. 7. Verwijder de poly V-riem. Aanbrengen poly V-riem 1. Inspecteer de snaarschijven op beschadigingen, roest en vetaanslag. 2. Plaats de poly V-riem alvast over zoveel mogelijk riemschijven. 3. Span de automatische riemspanner (indien deze niet tijdelijk geblokkeerd is) met een ringsleutel van 17 mm en plaats de poly V-riem over de laatste riemschijven. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tegen de poly V-riem. 4. Verwijder, indien van toepassing, de blokkeerstift. Door de spanrol tegen de veerkracht in te bewegen, kan de blokkeerstift verwijderd worden. 5. Controleer of de poly V-riem in alle groeven van alle riemschijven ligt. 6. Breng de V-riem van de airco-compressor aan, zie 6 - 3.1 Verwijderen en aanbrengen V-riem aircocompressor(en) ( 3 - 1).

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

2

ILAj0110

DD017201

4 - 15

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

7. Breng de V-riem van de 2e dynamo, 2 - 4.5 Verwijderen en aanbrengen V-riem 2e dynamo ( 4 - 13) aan. 8. Sluit de massakabel aan op de accu, zie: 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1).

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

4 - 16

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 4.7 VERWIJDEREN EN AANBRENGEN KOELVLOEISTOFPOMP

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

Verwijderen koelvloeistofpomp 1. Maak de massakabel van de accu los, zie: 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Tap de koelvloeistof af, zie: 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 3. Verwijder de V-riem van de 2e dynamo, zie: 2 - 4.5 Verwijderen en aanbrengen V-riem 2e dynamo ( 4 - 13). 4. Verwijder de 2e dynamo en de ophangsteun, zie: 2 - 4.4 Verwijderen en aanbrengen dynamo's ( 4 - 11). 5. Verwijder de poly V-riem van de motor, zie: 2 - 4.6 Verwijderen en aanbrengen poly V-riem motor ( 4 - 15). 6. Verwijder de spanrol, poly V-riem motor. 7. Verwijder de riemschijf, koelvloeistofpomp. 8. Neem de koelvloeistofafvoerslang van de luchtcompressor los. 9. Neem de koelvloeistoftoevoerleiding thermostaathuisradiateur los. 10. Neem de koelvloeistofafvoerleiding radiateur-koelvloeistofpomp los. 11. Verwijder de samenstelling van de koelvloeistofleiding cilinderkop (1). 12. Verwijder de bevestigingsbouten van de koelvloeistofpomp (2). 13. Verwijder de koelvloeistofpomp. 14. Demonteer de afdichtplaat (3) van de koelvloeistofpomp. 15. Demonteer de koelvloeistofleiding van de pomp naar het thermostaathuis.

ILAj0391 ILAj0390

2

DD017201

4 - 17

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

Aanbrengen koelvloeistofpomp 1. Reinig en controleer de afdichtvlakken van de waterpomp en het motorblok grondig. 2. Breng de koelvloeistofleiding van de koelvloeistofpomp naar het thermostaathuis aan. 3. Breng de afdichtplaat van de koelvloeistofpomp aan. 4. Breng de koelvloeistofpompsamenstelling aan. Zet de bevestigingsbouten met het voorgeschreven aanhaalmoment vast, zie: 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3).

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

5. Breng de samenstelling van de koelvloeistofleiding cilinderkop aan. Zet de bevestigingsbouten met het voorgeschreven aanhaalmoment vast, zie: 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 6. Breng de koelvloeistofafvoerleiding radiateur-koelvloeistofpomp aan. 7. Breng de koelvloeistoftoevoerleiding thermostaathuisradiateur aan. 8. Sluit de koelvloeistofafvoerslang van de luchtcompressor aan. Zet de banjobouten met het voorgeschreven aanhaalmoment vast, zie: 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 9. Breng de riemschijf, koelvloeistofpomp aan. Zet de bevestigingsbouten met het voorgeschreven aanhaalmoment vast, zie; 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 10. Breng de spanrol, poly V-riem motor aan. Zet de bevestigingsbout met het voorgeschreven aanhaalmoment vast, zie: 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 11. Breng de 2e dynamo en de ophangsteun aan, zie: 2 - 4.4 Verwijderen en aanbrengen dynamo's ( 4 - 11). 12. Breng de poly V-riem van de motor aan, zie: 2 - 4.6 Verwijderen en aanbrengen poly V-riem motor ( 4 - 15). 13. Breng de V-riem van de 2e dynamo aan, zie: 2 - 4.5 Verwijderen en aanbrengen V-riem 2e dynamo ( 4 - 13). 14. Sluit de massakabel aan op de accu, zie: 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 15. Vul het koelsysteem, zie: 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 16. Controleer het koelsysteem op lekkage.

4 - 18

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 4.8 VERWIJDEREN EN AANBRENGEN THERMOSTAAT

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

Verwijderen thermostaat 1. Tap de koelvloeistof af, zie: 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 2. Neem de koelvloeistoftoevoerleiding thermostaathuisradiateur (1) los. 3. Neem de bevestigingssteun luchtinlaatleiding (4) los. 4. Verwijder de ontluchtingsnippel (2) op het thermostaathuis.

2

ILAj0392

5. Verwijder de bevestigingsbouten (1) van het thermostaathuis. 6. Verwijder het thermostaathuis (2). 7. Verwijder de thermostaat (3).

ILAj0159

1. Bevestigingsbouten 2. Thermostaathuis 3. Thermostaat

DD017201

4 - 19

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

Aanbrengen thermostaat 1. Breng de thermostaat (3) in het thermostaathuis (2) aan. 2. Breng de nieuwe O-ringen (A en D) in het thermostaathuis (2) aan. 3. Breng het thermostaathuis (2) aan op de cilinderkop. Zet de bevestigingsbouten vast met het voorgeschreven aanhaalmoment, zie: 0 - 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 4. Sluit de koelvloeistoftoevoerleiding thermostaathuisradiateur (1) aan. 5. Breng de bevestigingssteun luchtinlaatleiding (4) aan. 6. Breng de ontluchtingsnippel (2) op het thermostaathuis aan. 7. Vul het koelsysteem, zie: 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 8. Controleer het koelsysteem op lekkage.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

ILAj0393

4 - 20

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 4.9 VERWIJDEREN EN AANBRENGEN MOTOROLIENIVEAUSENSOR

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

Verwijderen motorolieniveausensor 1. Tap de motorolie af, zie "onderhoudsboek DD0110xx". 2. Neem de connector van de motorolieniveausensor los. 3. Verwijder de motorolieniveausensor. Aanbrengen motorolieniveausensor 1. Breng de motorolieniveausensor aan. Zet de motorolieniveausensor vast met het voorgeschreven aanhaalmoment, zie: 2.2 Aanhaalmomenten ( 2 - 3). 2. Sluit de connector van de motorolieniveausensor aan. 3. Vul de motor met olie, zie "onderhoudsboek DD0110xx". 4. Controleer het motorolieniveau, zie "onderhoudsboek DD0110xx".

2

DD017201

4 - 21

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

4.9.1 CONTROLE CASTER AANGEDREVEN ACHTERAS

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

1. Controleer en stel het caster af volgens EPL-tekening 5012599, zie bijlage a. 2. Het voertuig moet op een horizontale vlakke ondergrond staan. Het voertuig moet op normaal rijniveau staan (ECAS met voldoende luchtdruk). 3. Het is noodzakelijk dat alle vier de afstanden (maat C) tussen de oplegvlakken van de schokdempers te meten. Vul deze vier waardes in in onderstaande formule. (LAV - LAA) + (RAV - RAA) ______________________ 2 Ligt de waarde tussen -5mm en +5mm, ga dan verder met 2 - 4.9.2 ECAS kalibratie ( 4 - 23). Ligt de waarde buiten de tolerantie, dan dient contact opgenomen te worden de Serviceafdeling van VDL Bus & Coach. 0 +3mm/-3mm

=

ILAd0142

4 - 22

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

4.9.2 ECAS KALIBRATIE

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

1. ECAS dient gekalibreerd te worden met de Wabco-tool. 2. Voor de juiste kalibratie steunen, zie EPL-tekening 1142766 (bijlage b). 4.9.3 CONTROLE MOTORINBOUWHOEK EN MOTOROLIENIVEAU

1. Controle motorinbouwhoek. De motorinbouwhoek, dient, in rijrichting, 7° 0°/-0,7° voorover te zijn. Ligt de waarde buiten de tolerantie, dan dient contact opgenomen te worden de Serviceafdeling van VDL Bus & Coach. 2. Controle motorolieniveau. Controleer het motorolieniveau in het carter met de oliepeilstok. Corrigeer indien nodig, door olie bij te vullen of af te tappen totdat de motorolie, op de peilstok, op maximum niveau staat. Gebruik alleen motorolie die voldoet aan de door VDL Bus & Coach voorgeschreven specificaties, zie DW050334xx.

2

DD017201

4 - 23

MOTOR

Verwijderen en aanbrengen

4.9.4 BIJLAGEN

2

Citea CLF/SLF PR - ND

· Bijlage a: EPL-tekening 5010117/xx. · Bijlage b: EPL-tekening 1142766 · Bijlage c: Rapport nummer 56300/09-044

2

4 - 24

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

MOTOR

Reinigen

5.

5.1

REINIGEN

REINIGEN MOTOR

Voordat u begint met het uitvoeren van werkzaamheden aan een motor, is het raadzaam de motor te reinigen. Het voordeel hiervan is dat u de werkzaamheden in een schone omgeving beter kunt uitvoeren en dat u eventuele gebreken aan de motor eerder opmerkt. Controleer, de motor op lekkages voordat u deze reinigt.

2

Reinigen van de motor met hogedrukreiniger De motor en motorruimte kunnen worden gereinigd met een hogedrukreiniger. Als de motor met een hogedrukreiniger wordt gereinigd, moet er aandacht worden besteed aan de volgende punten: 1. Houd bij het afspuiten van de motorinkapseling minimaal 50 cm afstand tussen de spuitmond en de inkapseling aan, daar anders de inkapseling kan worden beschadigd. 2. Spuit niet direct op elektrische componenten zoals startmotor en dynamo. 3. Spuit niet direct op elektrische aansluitingen zoals de connectoren van het motormanagementsysteem. 4. Let erop dat tijdens de reiniging van het radiateur-/interkoelerelement de lamellen van het element niet worden beschadigd. 5. Richt de straal van de hogedrukreiniger niet gedurende lange tijd op de condensor van het airconditioningsysteem. In verband met de hoge temperatuur zal de druk in het systeem te hoog oplopen, waardoor er schade aan het systeem ontstaat. 6. Zorg ervoor dat er geen water via de luchtinlaat of de flexibele afdichtingen het luchtinlaatsysteem binnendringt. 7. Houd de spuitmond niet te lang op dezelfde positie gericht, dit kan tot het binnendringen van vocht leiden.

DD017201

5-1

MOTOR

Reinigen

Reinigen van de motor met een stoomreiniger Bij gebruik van een stoomreiniger moet u beschermende kleding en een veiligheidsbril of gezichtsbeschermer dragen. Hete stoom kan ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. De volgende onderdelen mogen niet met stoom worden gereinigd: · Elektrische componenten, · Elektrische kabelbomen, · Verstuivers, · Brandstofpomp, · (poly) V-riemen en slangen, · Lagers (kogel- of rollagers), · Elektronische regelmodule (ECM), · EBM-connectors, · Doseringseenheid, · NOx-sensor.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2

5-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

KOELSYSTEEM

3

DD017201

KOELSYSTEEM

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Veiligheidsvoorschriften

1.

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

Laat de motor niet draaien in een afgesloten of ongeventileerde ruimte. Zorg voor een goede afzuiging van de uitlaatgassen. Blijf op veilige afstand van roterende en/ of bewegende componenten.

Diverse soorten oliën en smeermiddelen die worden toegepast, zijn schadelijk voor de gezondheid. Dit geldt tevens voor koelvloeistof, ruitenwisservloeistof, koelmiddel in aircoinstallaties, accuzuur en dieselolie. Vermijd daarom inwendig en uitwendig lichamelijk contact. In uitlaatgassen komt koolmonoxide voor. Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos en dodelijk gas dat bij inademing het lichaam zuurstof onthoudt en verstikking veroorzaakt. Ernstige koolmonoxidevergiftiging kan resulteren in hersenletsel of de dood tot gevolg hebben. Bij werkzaamheden waarbij de voedingsbron van het voertuig niet vereist is, wordt aanbevolen om altijd de massaverbinding van de accu los te nemen.

3

DD017201

1-1

KOELSYSTEEM

Veiligheidsvoorschriften

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

1-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Algemeen

2.

2.1

ALGEMEEN

SYSTEEMBESCHRIJVING KOELSYSTEEM

Het koelsysteem van de motor heeft de taak, onafhankelijk van de wisselende motorbelasting, toerentallen en buitentemperatuur, de motortemperatuur op een constante waarde te houden. Bij deze temperatuur heeft de motor een optimaal rendement en een minimale slijtage. Om een gecontroleerde motorkoeling te bereiken, wordt door een thermostaat de hoeveelheid koelvloeistof door de radiateur geregeld. Op verschillende plaatsen zijn ontluchtingsleidingen aangebracht. Deze ontluchtingsleidingen komen uit op het expansiereservoir, dat zich op het hoogste punt van het systeem bevindt. Het systeem wordt op deze manier automatisch ontlucht.

3

ILAj0649

DD017201

2-1

KOELSYSTEEM

Algemeen 2.2 WERKING KOELSYSTEEM

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

ILAj0649

Vanaf de perszijde van de koelvloeistofpomp (1) wordt de koelvloeistof, door een opening aan de achterzijde van de koelvloeistofpomp, naar het cilinderblok gevoerd. De koelvloeistof stroomt, door het cilinderblok, omhoog naar de cilinderkoppen. De koelvloeistof verlaat de cilinderkoppen via de koelvloeistofverzamelleiding en wordt verder geleid naar de warmtewisselaar (2) van de automatische versnellingsbak. Vanaf de warmtewisselaar (2) van de automatische versnellingsbak stroomt de koelvloeistof via de koelvloeistofverzamelleiding naar het thermostaathuis(4). Afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof, verdeelt de thermostaat de koelvloeistofstroom naar de radiateur (3) of weer naar de koelvloeistofpomp (1). 2-2

A B 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.

Koelvloeistofleiding Ontluchtingsleiding Koelvloeistofpomp Warmtewisselaar automatische versnellingsbak Radiateur met hydraulische ventilator Thermostaathuis Expansiereservoir Vuldop Oliekoeler Motorblok Snelvulaansluiting Aftapkraan olieloeler Ontluchtingskraan Verwarming DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

De koelvloeistof die naar de radiateur wordt gevoerd, treedt de radiateur aan de bovenzijde binnen en verlaat de radiateur weer aan de onderzijde. Vanaf de onderzijde van de radiateur wordt de koelvloeistof door de koelvloeistofretourleiding teruggevoerd naar de koelvloeistofpomp. Vanuit het motorblok stroomt een deel van de koelvloeistof door de oliekoeler (7). Vanaf de oliekoeler wordt de koelvloeistof door een leiding via de koelvloeistofretourleiding naar de koelvloeistofpomp teruggevoerd. De oliekoeler heeft naast het koelen van de smeerolie ook tot taak de smeerolie bij een "koude" motor op te warmen. Vanuit het motorblok stroomt een deel van de koelvloeistof door de luchtcompressor. Vanaf de luchtcompressor wordt de koelvloeistof door een leiding naar de koelvloeistofpomp teruggevoerd.

KOELSYSTEEM

Algemeen

3

DD017201

2-3

KOELSYSTEEM

Algemeen

2.2.1 SCHEMA KOELSYSTEEM KOUD

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

ILAj0394

1. 2. 3. 4. 5.

Koelwaterpomp Radiateur met hydraulische ventilator Thermostaathuis Expansiereservoir Vuldop

2-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2.2.2 SCHEMA KOELSYSTEEM WARM

KOELSYSTEEM

Algemeen

3

ILAj0395

1. 2. 3. 4. 5.

Koelwaterpomp Radiateur met hydraulische ventilator Thermostaathuis Expansiereservoir Vuldop

DD017201

2-5

KOELSYSTEEM

Algemeen

2.2.3 SCHEMA WARMTEWISSELAAR AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

ILAj0163

1. 3. 3.

Koelwaterpomp Thermostaathuis Warmtewisselaar automatische versnellingsbak

2-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Beschrijving componenten

3.

3.1

BESCHRIJVING COMPONENTEN

EXPANSIERESERVOIR

Het koelsysteem is een zelfontluchtend systeem. Op het expansiereservoir (1) zijn een drukdop (2) en een vuldop (3) aangebracht. De ontluchtingsleidingen van o.a radiateur en thermostaathuis zijn via aansluiting (4) op het expansiereservoir aangesloten. Aansluiting (6) is verbonden met de koelvloeistofaanvoerleiding naar de koelvloeistofpomp. Deze aansluiting maakt het mogelijk dat er bij stijgende koelvloeistoftemperatuur overheveling van koelvloeistof plaatsvindt tussen het expansiereservoir en de motor. Het koelvloeistofniveau in het expansiereservoir wordt bewaakt door koelvloeistofniveausensor (5). Voor het visueel controleren van het koelvloeistofniveau is er een kijkglas (7) gemonteerd.

3

ILAj0279

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Expansiereservoir Drukdop Vuldop Ontluchtingsaansluiting Koelvloeistofniveausensor Aansluiting waterpomp Kijkglas

DD017201

3-1

KOELSYSTEEM

Beschrijving componenten 3.2 KOELVLOEISTOFNIVEAUSENSOR (B290)

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Koelvloeistofniveausensor Deze koelvloeistofsensor bestaat uit twee microschakelaars (reed-schakelaars). Microschakelaar S1 is parallel geschakeld met 2 weerstanden. Microschakelaar S2 is parallel geschakeld met één weerstand. Een buiten de sensor gelegen magnetisch veld beïnvloedt de microschakelaars. Als het koelvloeistofniveau daalt, zorgt een vlotter die op de koelvloeistof drijft en is voorzien van een permanente magneet, ervoor dat de microschakelaars worden gesloten.

3

Door het schakelen van de microschakelaars verandert de resulterende weerstandswaarde op de aansluitklemmen van de sensor. De sensor (B290) is aangesloten op IOU A011. De VFC kan op basis van de gemeten weerstandswaarde de status van de schakelaars bepalen.

ILAj0422

Niveau "normaal" Bij een gemeten weerstandswaarde van R1+R2 zijn de schakelaars S1 en S2 geopend. Dit is voor de VFC een teken dat het koelvloeistofniveau voldoende hoog is.

ILAj0424

3-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Niveau "laag"

KOELSYSTEEM

Beschrijving componenten

Bij een weerstandswaarde gelijk aan R1 is schakelaar S1 nog steeds open, maar is S2 gesloten. Dit is voor de VFC een teken dat de koelvloeistof tot bijvulniveau is gedaald. De VFC stuurt op basis hiervan bovenstaand LED in de brandstofvulnis en bovenstaand symbool op het instrumentenpaneel aan, zodat bij de volgende dagelijkse controle duidelijk is dat er bijgevuld moet worden.

3

ILAj0425

Niveau "te laag"

Is de gemeten weerstandswaarde 0 Ohm dan weet de VFC dat beide weerstanden zijn kortgesloten en S1 dus gesloten is. Voor de VFC is dat het teken dat het koelvloeistofniveau te laag is. De VFC stuurt op basis hiervan bovenstaand symbool op het instrumentenpaneel aan.

Storing sensor

Is de gemeten weerstandswaarde > 470 Ohm dan weet de VFC dat de sensor defect is. De VFC stuurt op basis hiervan het instrumentenpaneel aan. Het bovenstaand symbool knippert.

ILAj0426

DD017201

3-3

KOELSYSTEEM

Beschrijving componenten 3.3 DRUKDOP KOELSYSTEEM

2

Citea CLF/SLF PR - ND

De druk- en vuldop op het expansiereservoir zijn door middel van een draaiverbinding op het expansiereservoir bevestigd. Om tijdens het vullen het reservoir snel te kunnen ontluchten kan drukdop (1) verwijderd worden. Voor het vullen van het koelsysteem is een vuldop (2) aan de voorzijde van het expansiereservoir gemonteerd. De druk- en vuldop hebben twee ventielen, normaal zijn beide ventielen gesloten.

3

Overdruk in het koelsysteem Stijgt de druk in het koelsysteem tot circa 0,9 bar dan opent zich de overdrukklep in de drukdop. De overdruk in het koelsysteem maakt het mogelijk om een hogere temperatuur in het koelsysteem toe te staan zonder dat de koelvloeistof gaat koken.

ILAj0654

ILAj0235

Onderdruk in het koelsysteem Door afkoeling van de koelvloeistof ontstaat er in het koelsysteem een onderdruk. Het onderdrukventiel in de drukdop opent bij circa 0,1 bar onderdruk en heft de onderdruk in het systeem op. Hierdoor wordt voorkomen dat rubber slangen worden dichtgeknepen en het systeem niet wordt bijgevuld uit de expansietank.

ILAj0234

3-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 3.4 THERMOSTAAT

KOELSYSTEEM

Beschrijving componenten

Werking thermostaat De koelvloeistof komt het thermostaathuis via de leiding (C) binnen en stroomt vervolgens door de thermostaat. Afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof en de daarmee samenhangende stand van de thermostaat bestaan er drie mogelijkheden:

Thermostaat gesloten De koelvloeistof heeft de openingstemperatuur van de thermostaat nog niet bereikt. Het toevoerkanaal (B) naar de radiateur is geheel gesloten. De koelvloeistof gaat via een bypasskanaal (A) rechtstreeks naar de koelvloeistofpomp en de koelvloeistofpomp voert de koelvloeistof weer terug naar het cilinderblok.

3

ILAj0152

Thermostaat begint te openen De koelvloeistof heeft de openingstemperatuur van de thermostaat bereikt. Het toevoerkanaal (B) naar de radiateur wordt geopend en het bypasskanaal (A) wordt gedeeltelijk gesloten.

ILAj0153

Thermostaat volledig geopend De temperatuur van de koelvloeistof is nog verder toegenomen. Het toevoerkanaal (B) naar de radiateur is geheel geopend en het bypasskanaal (A) is geheel gesloten De hele koelvloeistofstroom gaat nu via het toevoerkanaal (B) naar de radiateur en zal gekoeld naar de koelvloeistofpomp terugstromen. Het is niet toegestaan bij een te hoge koelvloeistof-temperatuur als noodoplossing de thermostaat te verwijderen Indien er geen thermostaat in de motor aanwezig is, zal de ongekoelde koelvloeistof via het bypasskanaal (A) naar de koelvloeistofpomp stromen. De koelvloeistoftemperatuur zal daardoor alleen maar toenemen.

ILAj0154

DD017201

3-5

KOELSYSTEEM

Beschrijving componenten 3.5 KOELUNIT

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

ILAj0655

De koelunit bevindt zich aan de linkerkant van het voertuig en is gemonteerd in langsrichting boven de motor. Voor de koelunit is een demontabel rooster (vliegengaas) gemonteerd om vervuiling van de koelunit tot een minimum te beperken. De ventilator wordt hydraulisch aangedreven. Bepaalde hydraulische slangen in de motorruimte zijn voorzien van een brandwerende slangbescherming zgn. TEXSLEEVE. Deze slangbescherming zorgt ervoor dat bij mogelijke lekkage de olie niet ongecontroleerd wegspuit. Daarnaast is de slangbescherming brandwerend en mechanisch slijtvast. De ventilatoraandrijving wordt automatisch uitgeschakeld bij een brandwaarschuwing in de motorruimte. De koelunit bestaat uit: 1. Interkoeler 2. Oliekoeler ventilatoraandrijving 3. Radiateur 4. Ventilator 5. Hydraulische motor ventilatoraandrijving

1. 2. 3. 4. 5.

Interkoeler Oliekoeler ventilatoraandrijving Radiateur Ventilator Hydraulische motor ventilatoraandrijving

3-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Ventilator De ventilator bestaat uit een deelbare naaf (1), ventilatorbladen (2) en een naafbevestiging (3). Op èèn van de ventilatorbladen is het typeplaatje van de ventilator bevestigd.

KOELSYSTEEM

Beschrijving componenten

3

ILAj0329

1. 2. 3. 4.

Naaf Ventilatorblad Naafbevestiging Type aanduiding ventilatorblad

Typeplaatje Het typeplaatje bevat de volgende gegevens: A Diameter ventilator B Aantal ventilatorbladen C Aantal posities in de naaf D Hoek waaronder de bladen zijn gemonteerd E Materiaal bladen F Type bladen G Draairichting (R-rechtsom / L-linksom) H Diameter naafbevestiging I Spie diameter J Positie van de naaf

ilaz0155

DD017201

3-7

KOELSYSTEEM

Beschrijving componenten

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

3-8

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen

4.

4.1

CONTROLEREN EN AFSTELLEN

CONTROLEREN/BIJVULLEN KOELVLOEISTOFNIVEAU

Koelvloeistof is een schadelijke vloeistof vermijd daarom huidcontact om vergiftigingsverschijnselen te voorkomen. Raadpleeg altijd het productveiligheidsblad.

1. Zet de draaiknop voor de temperatuurinstelling van de kachel op "warm". 2. Verwijder de vuldop (1) van het expansiereservoir. 3. Start de motor en laat de motor enkele minuten stationair draaien. Wanneer de koelvloeistof warm is, heerst er in het koelsysteem een overdruk. Verwijder dan voorzichtig de vuldop om de overdruk weg te nemen. 4. Zet de motor af en controleer het koelvloeistofniveau. 5. Het koelvloeistofniveau moet tussen min. en max. niveau staan. Vul zonodig koelvloeistof bij tot het maximum niveau via vulopening (1). Vul het koelsysteem uitsluitend bij met koelvloeistof die voldoet aan de door VDL Bus & Coach voorgeschreven specificaties, zie "Vloeistoffen en smeermiddelen specificaties" DW050334xx. Indien het koelvloeistofniveau onder het minimum niveau is geweest dient het koelsysteem gevuld en ontlucht te worden. Om schade aan het motorblok te voorkomen mag er geen koude koelvloeistof worden bijgevuld als de motor warm is. Er mogen geen andere koelvloeistoffen, toevoegingen of antivries worden bijgemengd.

3

ILAj0686

Opmerking Het koelvloeistof reservoir is voorzien van een minimum-niveau sensor. Indien het koelvloeistofniveau te laag is wordt nevenstaand symbool zichtbaar op het hoofddisplay van het dashboard. Het symbool zal, nadat de koelvloeistof op niveau is gebracht, na ca. 1 minuut uitgaan.

DD017201

4-1

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen 4.2 AFPERSEN KOELSYSTEEM

Koelvloeistof is een schadelijke vloeistof vermijd daarom huidcontact om vergiftigingsverschijnselen te voorkomen. Raadpleeg altijd het productveiligheidsblad. Het koelsysteem kan met behulp van een afperspomp op lekkage worden gecontroleerd. Wanneer dit gebeurt als de motor warm is, is een eventuele lekkage sneller te lokaliseren.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

1. Vul het koelsysteem tot het maximum niveau. Vul het koelsysteem uitsluitend bij met koelvloeistof die voldoet aan de door VDL Bus & Coach voorgeschreven specificaties, zie "Vloeistoffen en smeermiddelen specificaties" DW050334xx. Om schade aan het motorblok te voorkomen mag er geen koude koel-vloeistof worden bijgevuld als de motor warm is. 2. Breng de motortemperatuur omhoog. Dit hoeft niet de bedrijfstemperatuur te zijn. Wanneer de koelvloeistof warm is, heerst er in het koelsysteem een overdruk. Verwijder dan voorzichtig de vuldop om de overdruk weg te nemen. 3. Verwijder de vuldop van het expansiereservoir. 4. Breng de afperspomp aan. 5. Opmerking Door het aanbrengen van de afperspomp op de vulopening van het expansiereservoir wordt nu tevens de drukdop gecontroleerd. Voor de openingsdruk van overdrukklep en onderdrukklep, zie 0 - 3.1 Algemeen ( 3 - 1). Pers het systeem af met de voorgeschreven druk, zie 0 - 3.1 Algemeen ( 3 - 1). De druk moet tenminste 10 minuten constant blijven. 6. Controleer het koelsysteem op lekkage.

ILAj0034

4-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Uitwendige lekkage moet gezocht worden bij: · Koelvloeistofslangen · Koelvloeistofleidingen · Lekkende radiateur · Lekkende koelvloeistofpomp · Lekkende afdichtingen/pakkingen · Defecte drukdop · Lekkende kachel Inwendige lekkage moet gezocht worden in: · Defecte koppakking · Gescheurde cilinderkop of -blok · Defecte oliekoeler · Lekkende cilinderkop van de luchtcompressor

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen

3

DD017201

4-3

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen 4.3

4.3.1

2

Citea CLF/SLF PR - ND

CONTROLE KOELVLOEISTOFSLANGEN

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN Koelvloeistof is een schadelijke vloeistof vermijd daarom huidcontact om vergiftigingsverschijnselen te voorkomen. Raadpleeg altijd het productveiligheidsblad. Laat het koelsysteem afkoelen voordat er onderhoud aan wordt verricht.

3

4.3.2

Zet bij werkzaamheden aan de motor de hoofdschakelaar UIT, tenzij voor werkzaamheden noodzakelijk. Zorg er tevens voor dat de motor niet onbedoeld gestart kan worden. AANDACHTSPUNTEN

· Indien één slang defect is, bestaat de kans dat andere slangen hetzelfde symptoom hebben. Vervang om deze reden, preventief, de andere koelwaterslangen. · Controleer bij vervanging, aan de hand van de te vervangen slang, of de nieuwe slang van hetzelfde type is en dezelfde diameter, lengte en vorm heeft 4.3.3 CONTROLE ALGEMEEN

· Controleer de waterslangen op knikken en zorg ervoor dat de slangen vrij liggen van bewegende onderdelen en scherpe randen. · Olie kan de slangen beschadigen. Controleer of er slangen opgezwollen zijn en op zachte of plakkerige gedeeltes. · Controleer de slangverbindingen op lekkage. Draai slangklemmen aan of vervang deze indien nodig. · Controleer de slangen fysiek door middel van de "knijptest". 1. Zorg ervoor dat het koelsysteem is afgekoeld. 2. Gebruik voor controle de duim en vingers, niet de hele hand. Een correcte slang dient veerkrachtig en plooibaar te zijn. Indien de slang erg zacht en week, of erg hard en bros aanvoelt, dient deze vervangen te worden. 3. Knijp bij de slangaansluitingen. Gebreken doen zich meestal voor binnen 5 cm vanaf de uiteinden van de slang. 4. Controleer of er verschil is tussen het midden en de uiteinden van de slang 5. Indien de uiteinden zacht aanvoelen, dient de slang onmiddellijk vervangen te worden.

4-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

4.3.4 STORINGSTABEL

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen

Gezwollen slang

Mogelijke oorzaak De slang heeft zijn elasticiteit verloren en zwelt op onder druk. De slang zal spoedig scheuren. Harde slang Vervang de slang

Maatregel

3

Mogelijke oorzaak De slang is bros geworden. De slang zal gaan scheuren/ Vervang de slang lekken. Gescheurde slang

Maatregel

Mogelijke oorzaak De slang (buitenmantel) is gescheurd en zal gaan lekken. Zachte slang Mogelijke oorzaak De slang is week geworden en zal imploderen en geheel afsluiten. Vervang de slang Vervang de slang

Maatregel

Maatregel

DD017201

4-5

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen

Beschadigde/versleten slangklem

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Mogelijke oorzaak

Maatregel

Vervang slangklemmen altijd samen met de slang. Indien oude slangklemmen gebruikt worden om een nieuwe slang te bevestigen, kan het voorkomen dat men de slangklem niet meer kan vastdraaien. Dit heeft lekkages en defecten tot gevolg.

3

Vervang altijd gelijktijdig de slang + slangklemmen.

4-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 4.4 CONTROLEREN THERMOSTAAT

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen

Controleren thermostaat 1. Verwijder de thermostaat, zie 2 - 4.8 Verwijderen en aanbrengen thermostaat ( 4 - 19). 2. Controleer de thermostaatzitting op beschadigingen. 3. Controleer of de thermostaat geheel gesloten is. 4. Inspecteer de thermostaat visueel op losse en afgebroken onderdelen die de werking negatief beïnvloeden. 5. Plaats de thermostaat in een bak met schoon water. 6. Plaats een thermometer in de bak en verwarm het water. Controleer bij welke temperatuur de thermostaat zich opent, en of de thermostaat geheel wordt geopend. Zie 0 - 3.1 Algemeen ( 3 - 1).

3

ILAj0156

DD017201

4-7

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen 4.5 CONTROLEREN SOORTELIJKE DICHTHEID KOELVLOEISTOF

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Wanneer de koelvloeistof warm is, heerst er in het koelsysteem een overdruk. Verwijder dan voorzichtig de vuldop om de overdruk weg te nemen. Koelvloeistof is een schadelijke vloeistof, vermijd daarom huidcontact om vergiftigingsverschijnselen te voorkomen. 1. Verwijder de vuldop van het koelsysteem.

3

2. Gebruik een refractometer (speciaal gereedschap) om de soortelijke dichtheid van de koelvloeistof te controleren, zie 0 - 8. Speciaal gereedschap ( 8 - 1). Volg hierbij de instructies van de fabrikant op. 3. De soortelijke dichtheid bij een mengverhouding van Mengverhouding 50% 40% Soortelijke dichtheid bij 20°C 1,068 1,056 Een mengverhouding van meer dan 70% en minder dan 30% Halvoline XLC is niet toegestaan. De optimale bescherming van het koelsysteem wordt gegarandeerd bij een mengverhouding van 50-60% Halvoline met water (voor de eisen gesteld aan het water, zie DW 050334xx). 4. Verander de dichtheid van het mengsel als dit nodig is. Als het koelsysteem tijdens het gebruik moet worden (bij)gevuld moet men de koelvloeistof mengen totdat deze de juiste dichtheid heeft. Er mogen geen andere koelvloeistoffen, toevoegingen of antivries worden bijgemengd. Om schade aan het motorblok te voorkomen mag er geen koude koelvloeistof worden bijgevuld als de motor warm is.

ILAj0031

4-8

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen

3

DD017201

4-9

KOELSYSTEEM

Controleren en afstellen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

4 - 10

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen

5.

5.1

VERWIJDEREN EN AANBRENGEN

VERWIJDEREN EN AANBRENGEN EXPANSIERESERVOIR

Verwijderen expansiereservoir 1. Tap zoveel koelvloeistof af, dat het expansiereservoir leeg is, zie: 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 2. Neem alle ontluchtingsslangen los die op het expansiereservoir zijn aangesloten. Neem de slang tussen expansiereservoir en koelvloeistof-vulbuis los. 3. Neem de connector van de koelvloeistofniveausensor los. 4. Verwijder de bevestigingsbouten van de bevestigingsbeugels van het expansiereservoir en verwijder het expansiereservoir.

ILAj0158

3

Aanbrengen expansiereservoir 1. Breng het expansiereservoir aan en bevestig deze met de bevestigingsbeugels. 2. Sluit alle losgenomen (ontluchtings)slangen aan op het expansiereservoir. Sluit de slang tussen expansiereservoir en koelvloeistofvulbuis aan. Sluit de connector van de koelvloeistofniveausensor aan. 3. Vul het koelsysteem, zie 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 4. Laat de motor draaien en controleer of alle verbindingen goed afdichten.

DD017201

5-1

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen 5.2 VERWIJDEREN EN AANBRENGEN KOELPAKKET

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Verwijderen koelpakket 1. Verwijder de massakabel van de accupool, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Tap de koelvloeistof af, zie 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 3. Tap de hydraulische olie van de ventilatoraandrijving af, zie DD008201. 4. Verwijder de aan- en afvoerleiding van de radiateur. 5. Verwijder de aan- en afvoerleiding van de interkoeler.

3

6. Neem aanvoerslang hydromotor los. 7. Neem aanvoerleiding van de oliekoeler los. 8. Neem de lekleiding van de hydromotor los. 9. Neem de ontluchtingsleiding van de radiateur los 10. Neem de connector van de hydromotor ventilatoraandrijving los. 11. Neem de connector van de temperatuursensor van de radiateur los. 12. Ondersteun het koelpakket. 13. Verwijder de bevestigingsbouten/moeren van het koelpakket en laat het koelpakket compleet met ventilatoraandrijving voorzichtig zakken. Plaats het koelpakket, met de ventilatoraandrijving naar boven, op de werkbank. 14. Neem de bevestigingsmoeren los en verwijder de ventilatoraandrijving compleet met frame. 15. Verwijder de slangen en leidingen van de oliekoeler en de aan- en afvoerslangen hydromotor. 16. Verwijder de windtunnel van het koelpakket. 17. Plug de in- en uitlaatopeningen en leidingen van de interkoeler, radiateur en oliekoeler af. 18. Demonteer het koelpakket en verwijder de radiateur.

ILAj0687

1. 2. 3. 4. 5.

Trillingsdemper Afschermkap Moer Sluitring Opvulplaat

5-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Aanbrengen koelpakket 1. Breng de windtunnel aan op het koelpakket. 2. Breng het frame van de ventilatoraandrijving aan op het koelpakket. 3. Breng de slangen en leidingen van de oliekoelers en de aan- en afvoerslangen hydromotor aan. 4. Breng het complete koelpakket aan in het chassis en zet het koelpakket vast. 5. Controleer de afdichting tussen koelpakket en luchtinlaatkast. 6. Sluit de connector van de hydromotor ventilatoraandrijving aan 7. Sluit de connector van de temperatuursensor op de radiateur aan. 8. Breng de ontluchtingsleiding van de radiateur aan. 9. Sluit de lekleiding van de hydromotor aan. 10. Sluit de afvoerleiding van de oliekoelers aan. 11. Breng de aan- en afvoerleiding van de interkoeler aan. 12. Breng de aan- en afvoerslang van de radiateur aan. 13. Vul het koelsysteem, zie 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 14. Vul het hydraulische systeem van de ventilatoraandrijving af, zie DD008201. 15. Breng de massakabel aan op de accupool, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 16. Laat de motor draaien en controleer of alle verbindingen goed afdichten en controleer de werking van de ventilatoraandrijving.

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen

3

DD017201

5-3

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen 5.3

5.3.1

2

Citea CLF/SLF PR - ND

VERWIJDEREN EN AANBRENGEN KOELWATERSLANGEN

ALGEMEEN

Verwijderen koelwaterslangen 1. Tap het koelsysteem af, zie: 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). Het wordt aanbevolen om alle koelwaterslangen tegelijk te vervangen, omdat ze gelijktijdig verouderen. 2. Draai de slangklem los en verwijder de slang met een draaiende beweging.

3

3. Gebruik geen geweld indien de slang vast zit op de verbinding, hierdoor kan de ril/slangpilaar beschadigen. Gebruik hiervoor in de plaats een Stanley-mes of id. om de slang in lengterichting door te snijden. Verwijder hierna de slang. In sommige gevallen dient de slang op meerdere plaatsen doorgesneden en in stukjes van de verbinding verwijderd te worden. 4. Controleer de slangverbinding, ril/slangpilaar. Deze dienen vrij te zijn van beschadigingen en corrosie. Zorg er tevens voor dat de slangverbinding, ril/slangpilaar vrij zijn van scherpe kanten/bramen welke de binnenkant van de slang kunnen beschadigen. 5. Reinig, voor montage van de nieuwe slang, de slangverbinding met een borstel.

ILAj0403

ILAj0404

5-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Aanbrengen koelwaterslangen 1. Gebruik bij montage altijd het voorgeschreven slangklem-type. 2. Schuif de slangklem over de slang. Schuif vervolgens de slang over de ril/slangpilaar.

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen

ILAj0405

3. Zorg ervoor dat de slang minimaal de slangklembreedte over de ril/slangpilaar valt. 4. Schuif de slangklem over de ril/slangpilaar, verdraai de slangklem zodat deze gemakkelijk vast te draaien is. Zorg ervoor dat de slangklem achter de ril valt. 5. Zorg ervoor dat de slang spanningsvrij gemonteerd is. 6. Draai de slangklem vast volgens de fabrikantinstructie. 7. Vul het koelsysteem, zie: 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1). 8. Laat de motor draaien en controleer de verbinding(en) op lekkage. Controleer de verbindingen nogmaals wanneer de motor op bedrijfstemperatuur is.

ILAj0406

3

DD017201

5-5

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen

5.3.2 TOEGEPASTE SLANGKLEMMEN

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Voor het bevestigen van koelwaterslangen worden er verschillende type slangklemmen gebruikt:

1. Traploze schroef-slangklemmen (Oetiker)

3

ILAj0408

2. Normaclamp Torro

ILAj0407

3. Normaclamp FBS

· Volg voor de Oetiker traploze schroefslangklem de de- en montage instructie op, zie 3 - 5.3.3 De- en montage instructie Oetiker traploze schroefslangklem ( 5 - 7) · De Normaclamp "Torro" slangklemmen dienen met een aanhaalmoment van 5 + 0,5 Nm aangedraaid te worden.

ILAj0409

5-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

5.3.3 DE- EN MONTAGE INSTRUCTIE OETIKER TRAPLOZE SCHROEFSLANGKLEM

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen

Montage 1. Open de slangklem zo ver mogelijk open (let hierbij op dat men de bout (1) niet uit de D-moer (5) draait). 2. Breng de slangklem aan over de slang, open zo nodig de slangklem. 3. Stel de slangklem in op de kleinst mogelijke diameter, zorg ervoor dat de "tong" (3) en de haakjes (4) in de bestemde uitsparingen vallen. 4. Draai de bout aan tot de windingen van de veer (2) tegen elkaar liggen, draai de bout daarna nog 3 x 360° verder om de juiste voorspanning te bereiken. 5. Tussen de D-moeren dient nu een opening (A) van minimaal 3 mm te zijn. Max. aanhaalmoment bout slangklem: Groene veer:135-200 Ncm Veer zonder kleur: 90-100 Ncm

ILAj0036

3

1 2 3 4 5 Demontage 1. Draai de bout linksom om de slangklem los te draaien. 2. Let hierbij op dat men de bout niet uit de D-moer draait. Open zo nodig de slangklem.

Bout Veer Tong Haakje D-moer

DD017201

5-7

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen 5.4 AANBRENGEN KOELVLOEISTOFNIVEAUSENSOR

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Aanbrengen koelvloeistofniveausensor 1. Draai de sensor (1) enkele slagen in de tank. 2. Smeer de O-ring in met zeepsop of een speciaal "insert" smeermiddel. Gebruik geen vet, olie of vaseline om de O-ring te smeren. 3. Draai de sensor in het expansiereservoir tot de zeskant aanligt tegen het aanlegvlak van de tank. 4. Zet de sensor vast met het voorgeschreven aanhaalmoment, zie 0 - 3.3 Aanhaalmomenten ( 3 - 2).

ILAj0905

3

5-8

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen

3

DD017201

5-9

KOELSYSTEEM

Verwijderen en aanbrengen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

0

5 - 10

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Aftappen en vullen

6.

6.1

AFTAPPEN EN VULLEN

AFTAPPEN EN VULLEN KOELVLOEISTOF

Wanneer de koelvloeistof warm is, heerst er in het koelsysteem een overdruk. Verwijder dan voorzichtig de vuldop om de overdruk weg te nemen. Verwijder de vuldop niet bij een draaiende motor.

Koelvloeistof is een schadelijke vloeistof vermijd daarom huidcontact om vergiftigingsverschijnselen te voorkomen. Raadpleeg altijd het productveiligheidsblad. Om schade aan het motorblok te voorkomen mag er geen koude koelvloeistof worden bijgevuld als de motor warm is. Koelvloeistof is schadelijk voor het milieu en moet als industrieel afval worden verwerkt. Algemeen · Vul het koelsysteem alleen met koelvloeistof die voldoet aan de door VDL Bus & Coach voorgeschreven specificaties, zie DW050334xx Aftappen koelsysteem 1. Verwijder de vuldop van het koelvloeistofreservoir. Vang de vrijkomende koelvloeistof op in daartoe geschikte bakken. Koelvloeistof is schadelijk voor het milieu en moet als industrieel afval worden verwerkt. 2. Sluit de aan- en afvoerkranen van het interieurverwarmingssysteem, zie onderhoudsboek opbouw. 3. Draai de ontluchtingskraan (1) open.

3

ILAj0691

DD017201

6-1

KOELSYSTEEM

Aftappen en vullen

4. Tap het koelsysteem zoveel mogelijk af via het aftapkraantje (12) op de oliekoeler (4).

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

Aftappen radiateur/koelsysteem 5. Monteer een afvoerslang aan de aftapkraan (A). Open de aftapkraan (A) en tap het koelsysteem af.

ILAj0102

ILAj0688

Aftappen versnellingsbak Voith DIWA.5 1. Plaats een opvangbak bij de warmtewisselaar. 2. Verwijder de aan- en afvoerleiding van de warmtewisselaar en tap de koelvloeistof, via de leidingen, af. 3. Sluit na het uitlekken de leidingen weer aan. 4. Verwijder gemorste koelvloeistof.

ILAc0051

6-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Aftappen versnellingsbak ZF Ecomat 1. Plaats een opvangbak bij de warmtewisselaar. 2. Verwijder de aan- en afvoerleiding van de warmtewisselaar en tap de koelvloeistof, via de leidingen, af. 3. Sluit na het uitlekken de leidingen weer aan. 4. Verwijder gemorste koelvloeistof. Verwarmingssysteem 5. Voor het aftappen van het verwarmingssysteem, zie onderhoudsboek opbouw. Vang de vrijkomende koelvloeistof op in daartoe geschikte bakken. Koelvloeistof is schadelijk voor het milieu en moet als industrieel afval worden verwerkt. 6. Spoel het systeem door, zie 3 - 7.1 Reinigen (doorspoelen) koelsysteem ( 7 - 1).

KOELSYSTEEM

Aftappen en vullen

3

ILAc0023

DD017201

6-3

KOELSYSTEEM

Aftappen en vullen

Overzicht koelsysteem

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

ILAj0649

A B Er mogen geen andere koelvloeistoffen, toevoegingen of antivries worden bijgemengd. Om schade aan het motorblok te voorkomen mag er geen koude koelvloeistof worden bijgevuld als de motor warm is. Opmerking Voor het vullen/ontluchten van het verwarmingssysteem, zie onderhoudsboek opbouw. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.

Koelvloeistofleiding Ontluchtingsleiding Koelvloeistofpomp Warmtewisselaar automatische versnellingsbak Radiateur met hydraulische ventilator Thermostaathuis Expansiereservoir Vuldop Oliekoeler Motorblok Snelvulaansluiting Aftapkraan oliekoeler Ontluchtingskraan Verwarming

6-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Aftappen en vullen

3

ILAj0656

Vullen/ontluchten koelsysteem met kachel 1. Controleer of aftapkraan/plug (3) en beide verwarmingskranen gesloten zijn, zo niet sluiten. 2. Sluit de vuldop van het koelvloeistofreservoir. Controleer of alle aftappunten weer (aan)gesloten zijn. De drukvulinstallatie dient een inhoud van minimaal 100 liter en een opbrengst van minimaal 20 ± 2 l/min te hebben. 3. Zorg ervoor dat er geen lucht in de vulslang bevindt. Hang het uiteinde van de onluchtingsslang in het voorraadvat van de drukvulinstallatie. 4. Draai ontluchtingskraan (1) open. Sluit de vulslang aan op de snelvulnippel (2), en start de pomp (max. 1 bar). 5. Vul het systeem langzaam (bij stilstaande motor) met de voorgeschreven koelvloeistof (zie "Vloeistoffen en smeermiddelen specificaties, DW050334xx) tot aan het max. koelvloeistofniveau op het peilglas. DD017201 6-5

KOELSYSTEEM

Aftappen en vullen

6. Zet de pomp uit, maar laat deze aangesloten. · Laat het koelsysteem via de ontluchtingsslang leeg lopen totdat het niveau in het peilglas 15 mm beneden het minimum koelvloeitofniveau staat. · Herhaal punt 6 vijf maal (5x). 7. Vul het koelsysteem tot het maximum niveau en stop de pomp. Laat de drukslang aangesloten en de ontluchtingskraan (1) open. 8. Start de motor en laat deze steeds 5 seconden draaien gevolgd door tussenpozen van 25 seconden stilstand. Herhaal dit starten en stoppen van de motor gedurende 5 minuten. 9. Herhaal punt 6 gedurende deze 5 minuten.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

10. Stop de vulprocedure met stilstaande motor en koelvloeistofniveau op maximum niveau. 11. Draai de ontluchtingskraan (1) dicht. Zet de pomp uit en koppel de vulslang af. Monteer de dop van de snelvulnippel. 12. Controleer het koelsysteem op lekkage.

6-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

KOELSYSTEEM

Reinigen

7.

7.1

REINIGEN

REINIGEN (DOORSPOELEN) KOELSYSTEEM

Koelvloeistof is een schadelijke vloeistof vermijd daarom huidcontact om vergiftigingsverschijnselen te voorkomen. Koelvloeistof is schadelijk voor het milieu en moet als industrieel afval worden verwerkt.

1. Tap het complete koelsysteem af. 2. Vul het koelsysteem met leidingwater en voeg er een koelsysteemreiniger aan toe, zie 0 - 3. Koelsysteem ( 3 - 1). 3. Laat de motor draaien tot de thermostaat geheel open is. 4. Laat de motor nu nog 45 minuten draaien. 5. Tap het complete koelsysteem af. 6. Vul het koelsysteem met leidingwater. 7. Laat de motor draaien tot de thermostaat geheel open is. 8. Laat de motor nu nog 5 minuten draaien. 9. Tap het complete koelsysteem af. 10. Vul het koelsysteem met de voorgeschreven koelvloeistof, zie "Vloeistoffen en smeermiddelen specificaties" DW050334xx. 11. Controleer het koelvloeistofniveau, zie 3 - 6.1 Aftappen en vullen koelvloeistof ( 6 - 1).

3

DD017201

7-1

KOELSYSTEEM

Reinigen 7.2 REINIGEN KOELVLOEISTOFFILTER

Wanneer de koelvloeistof warm is, heerst er in het koelsysteem een overdruk. Verwijder dan voorzichtig de vuldop, om de overdruk weg te nemen. Koelvloeistof is een schadelijke vloeistof vermijd daarom huidcontact om vergiftigingsverschijnselen te voorkomen. Koelvloeistof is schadelijk voor het milieu en moet als industrieel afval worden verwerkt.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

ILAj0689

1. Kraan vloeistoffilter 2. Afsluitkraan retourleiding Webasto Verwijderen 1. Verwijder de vuldop van de expansietank. 2. Sluit afsluitkraan "retourleiding Webasto" (2). 3. Plaats een opvangbak onder het koelvloeistoffilter. 4. Draai kraan (1) dicht (stand B). 5. Tap het koelvloeistoffilter af door plug (5) te verwijderen. Breng na het aftappen de plug weer aan. 6. Draai het filterdeksel (3) los en verwijder deze. 7. Verwijder het filterelement (4).

ILAg0001

7-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Reinigen 1. Reinig het filter met schoon leidingwater. Is de filter beschadigd, dan dient deze vervangen te worden.

KOELSYSTEEM

Reinigen

Aanbrengen 1. Breng het filterelement (4) en filterdeksel (3) aan op het filterhuis (2). Draai het filterdeksel met de hand vast.

3

ILAg0001

2. Draai kraan (1) open (stand A). 3. Draai afsluitkraan "retourleiding Webasto" (2) open. 4. Breng de vuldop van het koelvloeistofreservoir aan. 5. Controleer het koelvloeistofniveau, zie 3 - 4.1 Controleren/bijvullen koelvloeistofniveau ( 4 - 1).

ILAj0689

1. Kraan vloeistoffilter 2. Afsluitkraan retourleiding Webasto DD017201 7-3

KOELSYSTEEM

Reinigen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3

7-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

HYDRAULISCHE VENTILATORAANDRIJVING

HYDRAULISCHE VENTILATORAANDRIJVING

4

DD017201

HYDRAULISCHE VENTILATORAANDRIJVING

2

Citea CLF/SLF PR - ND

4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

HYDRAULISCHE VENTILATORAANDRIJVING

Hydraulische ventilatoraandrijving

1.

HYDRAULISCHE VENTILATORAANDRIJVING

Voor informatie betreft hydraulische ventilatoraandrijving wordt verwezen naar document DD0082xx.

4

DD017201

1-1

HYDRAULISCHE VENTILATORAANDRIJVING

Hydraulische ventilatoraandrijving

2

Citea CLF/SLF PR - ND

4

1-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

CARTERNAVULINSTALLATIE

CARTERNAVULINSTALLATIE

5

DD017201

CARTERNAVULINSTALLATIE

2

Citea CLF/SLF PR - ND

5

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

CARTERNAVULINSTALLATIE

Veiligheidsvoorschriften

1.

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

Laat de motor niet draaien in een afgesloten of ongeventileerde ruimte. Zorg voor een goede afzuiging van de uitlaatgassen. Blijf op veilige afstand van roterende en/ of bewegende componenten.

Diverse soorten oliën en smeermiddelen die worden toegepast, zijn schadelijk voor de gezondheid. Vermijd daarom onnodig contact met de smeerolie, om huidletsel te voorkomen. In uitlaatgassen komt koolmonoxide voor. Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos en dodelijk gas dat bij inademing het lichaam zuurstof onthoudt en verstikking veroorzaakt. Ernstige koolmonoxidevergiftiging kan resulteren in hersenletsel of de dood tot gevolg hebben. Bij werkzaamheden waarbij de voedingsbron van het voertuig niet vereist is, wordt aanbevolen om altijd de massaverbinding van de accu los te nemen. Wacht na het uitschakelen van het contact minimaal 80 seconden voordat de verbinding tussen accuklem en minpool verbroken wordt. Het niet aanhouden van deze wachttijd kan verstopping van de AdBlue-leidingen tot gevolg hebben.

5

DD017201

1-1

CARTERNAVULINSTALLATIE

Veiligheidsvoorschriften

2

Citea CLF/SLF PR - ND

5

1-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

CARTERNAVULINSTALLATIE

Algemeen

2.

2.1

ALGEMEEN

ALGEMEEN

De automatische carternavulinstallatie zorgt ervoor dat het olieniveau op een zo optimaal mogelijk niveau gehouden wordt. De voordelen van een automatische carternavulinstallatie zijn ondermeer: · Dagelijkse controle van het olieniveau is overbodig, · Er wordt altijd bijgevuld met olie van dezelfde kwaliteit, · Altijd een zo optimaal mogelijk olieniveau, · Minder onderhoud en reparatie, · Goede controle van het olieverbruik mogelijk.

2.2

WERKING CARTERNAVULINSTALLATIE

5

ILAj0663

1. 2. 3. 4. 5.

Pompunit Oliereservoir Vuldop oliereservoir Carterolie niveausensor Aansluiting olievulleiding

De carternavulinstallatie controleert of er motorolie bijgevuld moet worden bij het inschakelen van het contact, indien de hoofdschakelaar aan staat en de motor niet draait. Nadat de motor meer dan 15 minuten uitgeschakeld is geweest (wachttijd), de hoofdschakelaar aan staat en het contact wordt ingeschakeld, dan wordt het olieniveau in het carter gecontroleerd door olieniveausensor (4). Deze sensor DD017201 2-1

CARTERNAVULINSTALLATIE

Algemeen

is gemonteerd in een aansluitblok, welke tegen het carter is gemonteerd. Indien het olieniveau te laag is (< 28%), stuurt de VFC de pompunit (1) aan.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

De elektronische unit (1) van de pompunit start een pompcyclus op. De pompcyclus start met het vullen van het pompreservoir (3). Hierbij pompt de pomp (5) olie vanuit het oliereservoir, via terugslagklep (2) naar het pompreservoir (3) tot de niveauschakelaar (4) meldt dat het pompreservoir vol is. Vervolgens wordt de draairichting van de pomp omgedraaid, zodat de pomp de olie in het pompreservoir via terugslagklep (6) naar het carter van de motor pompt. Omdat de niveauschakelaar (4) niet kan detecteren of het pompreservoir leeg is, blijft de pomp een bepaalde (ingestelde) tijd draaien.

ILAj0263

5

Pompunit 1. Elektronische unit 2. Terugslagklep in leiding vanaf oliereservoir 3. Pompreservoir 4. Olieniveauschakelaar pompreservoir 5. Pomp 6. Terugslagklep in leiding naar carter 7. Niveauschakelaar oliereservoir 8. Connector

2-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

2.2.1 OLIENIVEAU'S

CARTERNAVULINSTALLATIE

Algemeen

Olieniveau laag (3) Indien het olieniveau < 28%, stuurt de VFC de pompunit van de carternavulinstallatie aan.

Olieniveau te laag (5) Nevenstaand symbool wordt zichtbaar op het instrumentenpaneelals het olieniveau in het carter te laag is (< 8%).

ILah0135

Olieniveau te hoog (1) Nevenstaand symbool wordt zichtbaar op het instrumentenpaneel als het olieniveau in het carter te hoog is (> 99%).

ILah0139

LED olieniveau carternavulinstallatie in de brandstofvulnis Als het motorolieniveau in het oliereservoir boven het minimum niveau staat, dan brandt deze LED bij ingeschakelde hoofdschakelaar. Indien de LED gedoofd is, bij ingeschakelde hoofdschakelaar, dan dient men olie bij te vullen tot het maximum niveau.

ILAh0140

5

ILAj0421

A. B.

Mechanische peilstok Elektronische peilstok 2-3

DD017201

CARTERNAVULINSTALLATIE

Algemeen 2.3 ELEKTRISCH SCHEMA

2

Citea CLF/SLF PR - ND

5

ILAj0261

P001 A001 A011 A031 A037 A205 B291 2-4

Instrument Control Module (ICM) Vehicle Function Controller (VFC) Elektronische unit IOU Elektronische unit motor (DMCI) Elektronische unit pompunit Supply print (circuit board 20) Olieniveausensor motorcarter DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Bij het inschakelen van de hoofdschakelaar wordt het multiplex-systeem opgestart. Via de olieniveausensor wordt het motorolieniveau in het olie-reservoir gecontroleerd. Is het olieniveau te laag dan wordt er een signaal via DMCI naar de VFC gestuurd. Wanneer de motor NIET draait en het contact staat AAN, wordt via de VFC LED 2 in de vulnis aangestuurd. Is het olieniveau in het oliereservoir CORRECT + het contact wordt ingeschakeld (puls opgaande flank); dan wordt berekend hoeveel tijd er verstreken is na het uitschakelen van de motor (z.g.n wachttijd). Indien deze wachttijd meer dan 15 minuten bedraagt en het motorolieniveau in het carter is laag, dan wordt door de VFC via A011 de pompunit A037 aangestuurd. Pompcyclus Door het aansturen van de pompunit wordt een pompcyclus gestart. Tijdens deze pompcyclus wordt de inhoud van het pompreservoir (0,5 liter) aan het carter toegevoegd. De hoeveelheid olie van één pompcyclus is altijd gelijk (inhoud pompreservoir). De pompcyclus kan alleen afgerond worden met de hoofdschakelaar aan. De pompunit wordt van spanning voorzien als de hoofdschakelaar wordt ingeschakeld. Opmerking In de volgende gevallen wordt er niet bijgevuld: · bij een te laag olieniveau in het oliereservoir · bij een defecte motorolieniveausensor B291 · bij een elektrische onderbreking, defecte zekering

CARTERNAVULINSTALLATIE

Algemeen

5

DD017201

2-5

CARTERNAVULINSTALLATIE

Algemeen 2.4 MOTOROLIENIVEAUSENSOR (B291)

2

Citea CLF/SLF PR - ND

De werking van de motorolieniveausensor (B291) is gebaseerd op het meten van weerstand. Wanneer het contact wordt ingeschakeld, gaat er gedurende een bepaalde tijd een stroom door de sensor van de DMCI-unit. Door deze stroom kort op de sensor te zetten, warmt deze voldoende op. Indien het olieniveau in het motorcarter verandert, verandert de weerstand van de motorolieniveausensor (B291). De weerstandswaarde wordt in de DMCI vergeleken met de in het geheugen opgeslagen parameters. De DMCI "berekent" het olieniveau. De elektronische unit DMCI verstuurt een CAN-bericht naar de VFC.

ILAj0277

5

2-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

CARTERNAVULINSTALLATIE

Controleren en afstellen

3.

3.1

3.1.1

CONTROLEREN EN AFSTELLEN

CONTROLEREN MOTOROLIENIVEAU

ELEKTRONISCH

Het motorolieniveau kan elektronisch worden gepeild. Volg procedure zoals beschreven. De motor voorafgaand niet starten! Zorg er voor dat het voertuig op een vlakke en horizontale ondergrond staat.

Hoogteverschillen, van het voertuig ten gevolge van luchtlekkages, beïnvloeden de meting! Peilen bij koude motor · Zet de hoofdschakelaar aan en wacht tot het instrumentenpaneel de zelf-test heeft uitgevoerd. · Schakel de contactschakelaar aan (motor draait niet) en wacht zes seconden om de controle van het olieniveau elektronisch te voltooien. · Lees de symbolen af op het display en handel overeenkomstig de beschrijving. Peilen na een rit van > 25 km (motorolietemp. > 60 ºC): · Zet de contactschakelaar en de hoofdschakelaar uit. · Wacht 15 minuten. Handel dan volgens de werkwijze zoals beschreven bij "Peilen bij koude motor". Resultaten na het peilen Handel overeenkomstig de instructies als de volgende symbolen op het hoofddisplay verschijnen. Olieniveau te hoog.

5

+

Olieniveau laag.

+

Olieniveau te laag

+

Maatregelen na de melding "motorolieniveau te hoog, laag of te laag" · Schakel de contactschakelaar uit. · Controleer handmatig het olieniveau, zie 5 - 3.1.2 Handmatig ( 3 - 2). · Vul motorolie bij als het motorolieniveau laag is. · Tap het teveel aan olie af als het motorolieniveau te hoog is. · Volg de werkwijze zoals beschreven bij "Peilen bij koude motor", om na het vullen opnieuw het motorolieniveau elektronisch te peilen. DD017201 3-1

CARTERNAVULINSTALLATIE

Controleren en afstellen

Opmerking: Voor het verschil tussen het minimum en maximum motoroliepeil, zie 5 - 3.1.2 Handmatig ( 3 - 2). 3.1.2 HANDMATIG

2

Citea CLF/SLF PR - ND

1. Zorg ervoor dat het voertuig op een vlakke en horizontale ondergrond staat. Controleer of het voertuig zowel in dwars- als in langsrichting horizontaal staat. 2. Laat een warme motor ten minste 5 minuten stilstaan, voordat wordt begonnen met het controleren van het motorolieniveau. 3. Trek de motoroliepeilstok (A) uit de houder. 4. Reinig de peilstok met een niet-pluizende doek. 5. Breng de peilstok weer aan in de houder. 6. Verwijder de peilstok opnieuw en lees het motorolieniveau af. Het motorolieniveau moet zich altijd tussen de beide markeringen bevinden. 7. Vul zonodig motorolie bij via vuldop (B). Gebruik altijd olie volgens de oliespecificaties, zie "Vloeistoffen en smeermiddelen specificaties" DW050334xx. Vul niet te veel olie bij!.

ILAj0183

5

8. Wacht na het bijvullen 1 minuut en controleer nogmaals het motorolieniveau.

3-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 3.2 CONTROLEREN OLIENIVEAU CARTERNAVULINSTALLATIE

CARTERNAVULINSTALLATIE

Controleren en afstellen

1. Zorg ervoor dat het voertuig op een vlakke en horizontale ondergrond staat. 2. Controleer het oliepeil in het oliereservoir d.m.v de niveau indicatie op het reservoir (linkerkant indicatie in liters). 3. Zorg ervoor dat het oliereservoir altijd tot het maximum niveau gevuld is. Vermijd huidcontact met olie. Olie is schadelijk voor huid en gezondheid. Raadpleeg altijd het productveiligheidsblad. 4. Vul zonodig olie bij via vuldop (1). Gebruik altijd olie van hetzelfde merk en met dezelfde specificaties.

ILAj0661

5

DD017201

3-3

CARTERNAVULINSTALLATIE

Controleren en afstellen 3.3

3.3.1

2

Citea CLF/SLF PR - ND

CONTROLEREN CARTERNAVULINSTALLATIE

ALGEMEEN

5

ILAj0663

1 2 3 4 5

Pompunit Oliereservoir Vuldop oliereservoir Carterolieniveausensor Aansluiting olievulleiding

1. Controleren conditie van de leidingen: · Controleer alle leidingen op dichtheid en slijtage. · Vervang bij twijfel altijd de leiding. 2. Controleren leidingaansluitingen: · Controleer elke leidingaansluiting op lekkage. 3. Controleren leidingloop: · De leidingen mogen niet getordeerd aangebracht zijn. Om controle daarop te vergemakkelijken, kan op de slang een markering zijn aangebracht (soms in de vorm van tekst). · De leidingen moeten vrij liggen (denk aan doorschuren). · De leidingen mogen niet in een scherpe bocht liggen. · De leidingen mogen niet door andere delen afgeklemd worden. Vermijd onnodig contact met de olie om huidletsel te voorkomen. Raadpleeg altijd het productveiligheidsblad.

3-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

3.3.2 CONTROLE CARTERNAVULINSTALLATIE

CARTERNAVULINSTALLATIE

Controleren en afstellen

Vermijd onnodig contact met de olie om huidletsel te voorkomen. Raadpleeg altijd het productveiligheidsblad. 1. Voorbereidingen controleren pompcyclus: · Zorg ervoor dat het voertuig op een vlakke en horizontale ondergrond staat. · Schakel de hoofdschakelaar minimaal 60 minuten vóór aanvang van de controle UIT. · Controleer dat de elektrische connector van de pomp unit aangesloten is. · Tap het olieniveau in motorcarter af tot 1 cm onder minimum niveau van de motoroliepeilstok. · Tap het olieniveau in de voorraadtank af tot 1 cm onder minimum niveau via aftapplug (5). · Houd een kan met de voorgeschreven motorolie bij de hand voor het vullen van het oliereservoir (2). · Demonteer de vulleiding (4) aan de motorzijde en hang deze in een olie-opvang(maat)beker. 2. Controleren signalering olieniveau motorcarter te laag · Schakel de hoofdschakelaar en het contact in, maar start de motor niet! · Controleer of er een te laag niveau melding wordt weergegeven op het instrumentenpaneel. 3. Controleren signalering olieniveau voorraadtank te laag · Schakel de hoofdschakelaar en het contact in, maar start de motor niet! · Controleer of er een te laag niveau melding wordt weergegeven op het instrumentenpaneel. · Vul na de controle het oliereservoir tot het maximum niveau met de voorgeschreven motorolie, zie "Vloeistoffen en smeermiddelen specificaties" DW050334xx. 4. Controleren vulcommando en werking pompcyclus · Na het inschakelen van het contact wordt er een vulpuls afgegeven aan de pompunit. · De pompunit start vervolgens met het volzuigen van het kalibratie reservoir. Indien het olieniveau in de voorraadtank (2) te laag is, kan de vulcyclus niet correct worden uitgevoerd. · Controleer of het kalibratie reservoir, nadat deze geheel gevuld is geweest, ook weer leeg gepompt wordt in de olie-opvangbeker. 5. Eindcontrole · Monteer de vulleiding (4) terug aan de motor. · Vul het olieniveau in het motorcarter tot het maximum peil, zie 5 - 3.1 Controleren motorolieniveau ( 3 - 1). · Vul het oliereservoir tot het maximum peil. · Controleer het systeem op olie lekkage. · Controleer alle bevestigingsbouten van het systeem. DD017201 3-5

ILAj0664

5

CARTERNAVULINSTALLATIE

Controleren en afstellen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

5

3-6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

AIRCO-COMPRESSOR AANDRIJVING

6

DD017201

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

2

Citea CLF/SLF PR - ND

6

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Veiligheidsvoorschriften

1.

1.1

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

ALGEMEEN

Het airconditioning systeem mag alleen door een specialist worden geopend en gevuld. Bovendien geldt in veel landen voor deze handeling een verplichte erkenningsregeling. Draag bij handelingen aan het airconditioning systeem waarbij het koelmiddel R134A kan vrijkomen, altijd een goed afdichtende veiligheidsbril en rubberen handschoenen, en bescherm overige niet bedekte delen van de huid.

Omgaan met koudemiddel · Draag altijd een veiligheidsbril en beschermende handschoenen! Bij een normale atmosferische druk en omgevingstemperaturen verdampt vloeibaar koudemiddel zo plotseling dat zich bij contact met de huid of ogen bevriezingsverschijnselen kunnen voor doen (kans op blindheid). · Als er koudemiddel in aanraking is gekomen met uw huid dient u de betreffende plek met veel koud water te spoelen. Niet wrijven! Raadpleeg onmiddellijk een arts! · Bij werkzaamheden aan het koudemiddelcircuit moet de werkplek goed zijn geventileerd. Het inademen van hoge concentraties gasvormig koudemiddel kan leiden tot duizeligheid en verstikking. Werkzaamheden aan het koudemiddelcircuit mogen niet vanuit de werkkuil worden uitgevoerd. Omdat gasvormig koudemiddel zwaarder is dan licht, kan het zich daar in grote concentraties ophopen. · Niet roken! Door de hitte van de sigaret kan het koudemiddel in giftige stoffen uiteenvallen. · Laat koudemiddel nooit in aanraking komen met open vuur of heet metaal. Er kunnen dodelijke gassen vrijkomen. · Laat koudemiddel nooit in de lucht ontsnappen. Als het koudemiddelreservoir of de airco wordt geopend, komt de inhoud onder hoge druk naar buiten. De hoogte van de druk is afhankelijk van de temperatuur. Hoe hoger de temperatuur, des te hoger de druk. · Voorkom alle inwerking van hitte op onderdelen van de airco. Na het lakken mogen voertuigen niet worden verhit tot boven 75 °C (droogoven). Anders dient u de airco vooraf te legen. · Bij het loskoppelen van de serviceslangen van het voertuig, mogen de aansluitingen niet in de richting van het lichaam worden gehouden. Er kunnen nog koudemiddelresten naar buiten komen. · Bij het reinigen van het voertuig mag de stoomstraal niet direct op onderdelen van de airco worden gericht. · Wijzig nooit de fabrieksinstellingen.

6

DD017201

1-1

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Veiligheidsvoorschriften

2

Citea CLF/SLF PR - ND

6

1-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Controleren en afstellen

2.

2.1

CONTROLEREN EN AFSTELLEN

CONTROLEREN V-RIEMEN AIRCO

Enkele airco-compressor

Dubbele airco-compressor

ILAj0103

Zet bij werkzaamheden aan de motor de hoofdschakelaar UIT, tenzij voor werkzaamheden noodzakelijk. Zorg er tevens voor dat de motor niet onbedoeld gestart kan worden.

6

ILAj0104

DD017201

2-1

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Controleren en afstellen

Verwijder de poly V-riem 1. Neem de massakabel van de accu los, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Plaats een ringsleutel van 17 mm op het zeskant van de automatische riemspanner. Het is mogelijk de spanner tijdelijk te blokkeren met een 4 mm dikke stift (boor), zie (A) in de afbeelding. 3. Ontspan de poly V-riem zodat deze van de riemschijven kan worden genomen. 4. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tot de aanslag, indien men de riemspanner niet tijdelijk blokkeert. 5. Verwijder de poly V-riem.

2

Citea CLF/SLF PR - ND

ILAj0105

Controleren poly V-riem 1. Controleer de poelies op beschadigingen, roest en vetaanslag. Reinig de poelies indien nodig. 2. Reinig een vuile poly V-riem met glycerine-spiritus mengsel van 1:10. 3. Controleer de poly V-riem op barsten, schade of overmatige slijtage, vervang zonodig. 4. Controleer de automatische riemspanner, zie 2 - 3.3 Controleren automatische riemspanner ( 3 - 5).

6

Indien de poly V-riem vervangen dient te worden, is het aan te bevelen om tevens de riemspanner en geleidewielen te vervangen. Aanbrengen poly V-riem 1. Plaats de poly V-riem alvast over zoveel mogelijk riemschijven. 2. Span de automatische riemspanner (indien deze niet tijdelijk geblokkeerd is) met een ringsleutel van 17 mm en plaats de poly V-riem over de laatste riemschijven. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tegen de poly V-riem. 3. Verwijder, indien van toepassing, de blokkeerstift. Door de spanrol tegen de veerkracht in te bewegen, kan de blokkeerstift verwijderd worden. 4. Controleer of de poly V-riem in alle groeven van alle riemschijven ligt. 5. Sluit de massakabel aan op de accu, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1).

ILAj0017

2-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND 2.2 CONTROLEREN AIRCO COMPRESSOR

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Controleren en afstellen

Voor de onderhoudswerkzaamheden aan de aircocompressor verwijzen wij u naar de documentatie van de fabrikant. Fabrikant Thermoking Denso Type TM21/TM31 10P30

Voor onderhoud aan de airco-installatie verwijzen wij u naar de documentatie van de opbouwer. Algemeen Laat de airco-installatie minimaal 1x per jaar controleren door een STEK-erkend bedrijf.

6

DD017201

2-3

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Controleren en afstellen

2

Citea CLF/SLF PR - ND

6

2-4

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Verwijderen en aanbrengen

3.

3.1

3.1.1

VERWIJDEREN EN AANBRENGEN

VERWIJDEREN EN AANBRENGEN VRIEM AIRCO-COMPRESSOR(EN)

ENKELE AIRCO COMPRESSOR

Verwijderen V-riem 1. Maak de massakabel van de accu los, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Plaats een ringsleutel van 17 mm op het zeskant van de automatische riemspanner. Opmerking: Het is mogelijk de spanner tijdelijk te blokkeren door een 4 tot 5 mm dikke stift door het eerste gat (zie pijl) en tweede gat (A) te steken. Dit vergemakkelijkt de demontage en montage van de poly V-riem. 3. Ontspan de poly V-riem zodat deze van de riemschijven kan worden genomen. 4. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tot de aanslag, indien de spanner niet tijdelijk geblokkeerd is. 5. Verwijder de poly V-riem.

ILAj0103

Aanbrengen V-riem Monteer altijd een poly V-riem van dezelfde uitvoering. 1. Inspecteer de poelies op beschadigingen, roest en vetaanslag. 2. Plaats de nieuwe poly V-riem alvast over zoveel mogelijk riemschijven. 3. Span de automatische riemspanner (indien deze niet tijdelijk geblokkeerd is) met een ringsleutel van 17 mm en plaats de poly V-riem over de laatste riemschijven. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tegen de nieuwe poly V-riem. 4. Verwijder, indien van toepassing, de blokkeerstift. Door de spanrol tegen de veerkracht in te bewegen, kan de blokkeerstift verwijderd worden. 5. Controleer of de poly V-riem in alle groeven van alle riemschijven ligt. 6. Sluit de massakabel aan op de accu, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1).

ILAj0105

6

DD017201

3-1

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Verwijderen en aanbrengen

3.1.2 DUBBELE AIRCO COMPRESSOR

2

Citea CLF/SLF PR - ND

Verwijderen V-riem 1. Maak de massakabel van de accu los, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1). 2. Plaats een ringsleutel van 17 mm op het zeskant van de automatische riemspanner. Opmerking Het is mogelijk de spanner tijdelijk te blokkeren door een 4 tot 5 mm dikke stift door het eerste gat (zie pijl) en tweede gat (A) te steken. Dit vergemakkelijkt de demontage en montage van de poly V-riem. 3. Ontspan de poly V-riem zodat deze van de riemschijven kan worden genomen. 4. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tot de aanslag, indien de spanner niet tijdelijk geblokkeerd is. 5. Verwijder de poly V-riem.

ILAj0104

Aanbrengen V-riem Monteer altijd een poly V-riem van dezelfde uitvoering. 1. Inspecteer de poelies op beschadigingen, roest en vetaanslag. 2. Plaats de nieuwe poly V-riem alvast over zoveel mogelijk riemschijven. 3. Span de automatische riemspanner (indien deze niet tijdelijk geblokkeerd is) met een ringsleutel van 17 mm en plaats de poly V-riem over de laatste riemschijven. Laat de automatische riemspanner langzaam terugveren tegen de nieuwe poly V-riem. 4. Verwijder, indien van toepassing, de blokkeerstift. Door de spanrol tegen de veerkracht in te bewegen, kan de blokkeerstift verwijderd worden. 5. Controleer of de poly V-riem in alle groeven van alle riemschijven ligt. 6. Sluit de massakabel aan op de accu, zie 2 - 4.1 Verwijderen en aanbengen accuklemmen ( 4 - 1).

ILAj0105

6

3-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Service manuals airco-compressoren

4.

4.1

SERVICE MANUALS AIRCO-COMPRESSOREN

THERMOKING TM21-TM31

4.2

DENSO 10P30

6

DD017201

4-1

AIRCO COMPRESSOR AANDRIJVING

Service manuals airco-compressoren

2

Citea CLF/SLF PR - ND

6

4-2

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

WEBASTO WATERVERWARMER

WEBASTO WATERVERWARMER

7

DD017201

WEBASTO WATERVERWARMER

2

Citea CLF/SLF PR - ND

7

DD017201

2

Citea CLF/SLF PR - ND

WEBASTO WATERVERWARMER

Webasto waterverwarmer

1.

WEBASTO WATERVERWARMER

Voor informatie betreft Webasto waterverwarmer wordt verwezen naar document DD0332xx.

7

DD017201

1-1

WEBASTO WATERVERWARMER

Webasto waterverwarmer

2

Citea CLF/SLF PR - ND

7

1-2

DD017201

Information

DD017201_group2.book

182 pages

Find more like this

Report File (DMCA)

Our content is added by our users. We aim to remove reported files within 1 working day. Please use this link to notify us:

Report this file as copyright or inappropriate

140458


You might also be interested in

BETA
Sicherheitsbroschüre
DD017201_group2.book