Read DD038500_group5.book text version

WERKPLAATSBOEK

Citea LLE Hoofdgroep 5

1113 DD038500

Citea LLE

Voorwoord Dit werkplaatsboek omvat alle relevante informatie om te helpen bij het opsporen en herstellen van technische problemen, het verrichten van afstelwerkzaamheden en het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden. Het boek bevat schema's, systeembeschrijvingen, storingzoekinstructies en werkinstructies. Bovendien zijn hierin veiligheidsvoorschriften opgenomen, die strikt moeten worden opgevolgd. Ervaren monteurs De technische gegevens en toelichtingen op de reparatiewerkzaamheden, vermeld in dit werkplaatsboek, zijn met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Tijdens de samenstelling van dit werkplaatsboek is er van uitgegaan dat de monteur de nodige ervaring heeft en bovendien de noodzakelijke opleidingen of trainingen heeft gevolgd om de werkzaamheden op een verantwoorde en veilige manier uit te voeren. Voertuig type De informatie in dit boek is bijgewerkt tot het tijdstip van drukken en heeft slechts betrekking op de voertuigreeks: - Citea LLE 120-225 ISB6.7 E5/EEV In dit boek wordt deze voertuigreeks aangeduid als: "Citea LLE". De letters ISB6.7 geven aan dat de inhoud van dit boek betrekking heeft op de 6,7 liter ISB6.7 motor van Cummins. De aanduiding E5/EEV geeft aan dat de inhoud van dit boek richtlijnen bevat voor de motoren overeenkomstig emissie-eisen Euro 5 en EEV.

DD038500

5

Citea LLE

INHOUDSOPGAVE

Technische gegevens

Algemeen....................................................... 1-1 Massaverbindingen......................................... 1-2 Kabelbomen.................................................... 1-4 Componenten ................................................. 1-6 Aanhaalmomenten........................................ 2-1

Algemeen .......................................................1-1 Connector ........................................................1-2 Contact ............................................................1-3 Speciaal gereedschap...................................2-1 Contactdozen ..................................................2-1 Verwijderen en aanbrengen..........................3-1 Ontgrendelen van connectoren .......................3-1 Ontgrendelen van contacten ...........................3-2 Uitdrukken van contacten ................................3-4 Vergrendelen van MQS contact ......................3-5 Bosch 89-polige connector ..............................3-6 Contacten 39-polige connector........................3-7 Verbindingen..................................................4-1 Maken van krimpverbindingen.........................4-1 Aanbrengen van een scat-afdichting ...............4-6 Aanbrengen van een elektrische stootverbinding ..............................4-7 Verwijderen en aanbrengen massadraad........4-9 Reparatie CAN-netwerk-bedrading ...............4-10

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Diagnose

Accu's ............................................................ 1-1 Storingstabel ................................................... 1-1 Levensduur ..................................................... 1-3 Dynamo.......................................................... 2-1 Storingstabel ................................................... 2-1

Storingszoekmethode

Storingszoekmethoden ................................ 1-1 Aandachtspunten storing zoeken.................... 1-2 Lokaliseren van een kortsluiting...................... 1-5 Lokaliseren van een onderbreking.................. 1-6 Lokaliseren van een overgangsweerstand ..... 1-7 Lokaliseren van slechte massaverbindingen .. 1-8

Accu's

Veiligheidsvoorschriften...............................1-1 Accu's algemeen .............................................1-1 Accu laden.......................................................1-2 Algemeen .......................................................2-1 Algemeen ........................................................2-1 Openen en sluiten accubak .............................2-2 Accukabels los- en vastmaken ........................2-3 Accu's uit- en inbouwen...................................2-5 Reinigen accu's ...............................................2-6 Laden van accu's...........................................3-1 Algemeen ........................................................3-1 Laadmethoden.................................................3-3 Opslag van accu's .........................................4-1 Algemeen ........................................................4-1 Opslag tot 4 weken..........................................4-2 Opslag langer dan vier weken .........................4-3 Controleren van accu's.................................5-1 Visueel controleren..........................................5-1 Controleren vloeistofniveau accu ....................5-2 Controle van de ladingstoestand .....................5-3 Controle met accutester ..................................5-5 Starthulp.........................................................6-1 Starthulp met NATO-stekker ...........................6-2 Starthulp met hulpaccu's .................................6-3 Opladen van accu's .........................................6-4

Meet- en diagnosegereedschap

Apparatuur..................................................... 1-1 Ijken tachograaf .............................................. 1-1 BOB-testkast................................................... 1-2 Digitale multimeter (FLUKE) ........................... 1-4 Diagnose-apparaat ......................................... 1-4 Overzicht signalen ........................................ 2-1 Meetgrootheden.............................................. 2-1 Signalen .......................................................... 2-2

Componenten

Beschrijving componenten.......................... 1-1 Inductieve gever.............................................. 1-1 Voertuigsnelheidssensor................................. 1-2 Temperatuursensoren..................................... 1-3 Vloeistofniveau sensoren................................ 1-4 Druksensoren.................................................. 1-6 Dynamo........................................................... 1-7 Stuurkolomschakelaar .................................... 1-8 Massaverbreekschakelaar .............................. 1-9 Diagnose........................................................ 2-1 Diagnose van elektrische systemen ............... 2-1 Diagnose Actia instrumentenpaneel ............... 2-2

Elektrische installatie

Algemeen .......................................................1-1 Veiligheidsbepaling..........................................1-1 Lassen aan het chassis ...................................1-2

Reparatie bedrading

DD038500

INHOUDSOPGAVE

5

Citea LLE

0 1 2 3 4

Piekspanningen .............................................. 1-3 EMC Compatibiliteit ........................................ 1-4 Datacommunicatie .......................................... 1-5 Overzicht netwerksystemen............................ 1-7 Elektrische installatie ................................... 2-1 Simuleren snelheidssignaal ............................ 2-1

Lezen van schema's

Algemeen....................................................... 1-1 Overzicht afkortingen ...................................... 1-1 Markering van elektrische bedrading ......... 2-1 Inleiding........................................................... 2-1 Kleurcodering.................................................. 2-2 Numerieke codering........................................ 2-3 Lezen van principeschema .......................... 3-1 Voeding en massa herkenning ....................... 3-2 Zoekbalk ......................................................... 3-3 Electric Part Code (EPC) ................................ 3-4

Systeembeschrijvingen

5 6 7 8 9 10

Systeembeschrijvingen................................ 1-1 MOKI instrumentenpaneel .............................. 1-1 ECAS .............................................................. 1-6 Externe luchtvulaansluiting ............................. 1-9 R36-schakelaar............................................. 1-10 Motorruimtetemperatuur ............................... 1-10 Over- en onderspanning ............................... 1-11 Navul indicatie systeem ................................ 1-12 Motorstart/stop .............................................. 1-13 Spanningsvoorziening................................... 1-16 Tachograaf.................................................... 1-17 Halterem ....................................................... 1-18

Service schema's

Service schema's.......................................... 1-1

DD038500

Citea LLE

Disclaimer © 1113 VDL Bus & Coach bv, Valkenswaard, Nederland. In het belang van een voortdurende productontwikkeling behoudt VDL Bus & Coach zich te allen tijde het recht voor om zonder voorbericht specificaties of produkten te wijzigen. Niets uit deze publicatie mag door middel van druk, fotokopie, digitaal of op welke wijze ook worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van VDL Bus & Coach. Dit handboek dient in overeenstemming met de Nederlandse wetten geïnterpreteerd en toegepast te worden. Om het even welk geschil hieronder zal voorgelegd worden aan het Gerechtshof te 's Hertogenbosch in Nederland.

DD038500

5

Citea LLE

2-4

DD038500

5

Citea LLE

TECHNISCHE GEGEVENS

TECHNISCHE GEGEVENS

0

DD038500

TECHNISCHE GEGEVENS

5

Citea LLE

0

DD038500

5

Citea LLE

TECHNISCHE GEGEVENS

Algemeen

1.

ALGEMEEN

0

Aandachtspunten met betrekking tot de elektrische installatie · Bij werkzaamheden waarbij de elektrische voedingsbron van het voertuig niet vereist is, moet altijd de massa-verbinding van de accu verbroken worden. · Vervang een zekering van een bepaalde waarde nooit door een zekering met een hogere waarde. De juiste waarde van de zekering is terug te vinden op de sticker aan de binnenzijde van het deksel van de zekeringkast. De waarde van de zekering is ook vermeld op de schema's van de elektrische installatie. · Haal geen zekering uit de zekeringhouder terwijl er nog spanning op de elektrische installatie staat. Door het verwijderen van de zekering kan het contactvlak van de zekeringhouder inbranden door vonkvorming en er kan een piekspanning in de elektrische installatie worden geïnduceerd. · Bij een spanningsmeting aan een elektrische unit wordt aanbevolen een BOB-kast te gebruiken. De ECU-connector met connectorpinnen wordt dan niet onnodig mechanisch belast. · Bij een spanningsmeting op een bepaalde (in-line) connectorpin is het beter om vanaf de achterzijde van de connector te meten. Bij veelvuldig demonteren en monteren neemt de veerkracht van de connectorpin af, wat een nieuwe storing kan oproepen. · Gebruik geen tester met een LED. Een slechte massaverbinding aan het betreffende circuit of de betreffende component is voldoende om de LED te laten branden. Een gewone testlamp gaat bij een dergelijke test niet of nauwelijks branden en geeft een betrouwbaarder beeld.

DD038500

1-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Algemeen 1.1 MASSAVERBINDINGEN

5

Citea LLE

0

Een belangrijke controle bij storingen in de elektrische installatie heeft betrekking op de centrale massaverbinding, waarbij de massaverbindingen op het chassis bijzondere aandacht verdienen. Indien een massaverbinding is losgenomen en weer wordt gemonteerd, moet er op de volgende punten worden gelet: · De bout, moer, massastrip en sluitringen moeten worden gereinigd (bijvoorbeeld met een staalborstel of schuurpapier). Indien een onderdeel is gecorrodeerd, moet dit worden vervangen door een nieuw onderdeel. · Het chassis moet ter plaatse van de motor-chassis-massaverbinding aan beide zijden van de chassisbalk worden ontdaan van alle vuil en lak, zodat er blank metaal te zien is. · Het chassis moet ter plaatse van de accu-chassis-massaverbinding aan de binnenzijde van de chassisbalk worden ontdaan van alle vuil en lak, zodat er blank metaal te zien is. · Aan de massastripzijde moet het gereinigde vlak groter zijn dan het aanlegvlak van de massastrip. · Aan de moerzijde moet het gereinigde vlak groter zijn dan het aanlegvlak van de moer. · De massaverbinding dient na montage aan beide zijden te worden voorzien van een beschermende zinkprimer en lak. · Zorg voor goede massaverbindingen. Er mag zich tussen de contactvlakken geen verf of oxidatie bevinden. Breng voor montage op de contactvlakken een geleidende vetsoort aan, zoals 'Coranode' of een gelijkwaardig product. Zet de bevestigingsbout goed vast. De belangrijkste massadraden worden van de accu's naar de startmotor geleid. Het massapunt op het vliegwiel mag uitsluitend worden gebruikt voor het aan massa leggen van grote stroom-verbruikers, die meer dan 20 A verbruiken en niet met het CANnetwerk zijn verbonden. Alle inductieve en capacitieve verbruikers moeten aan massa worden gelegd op een massa-aansluiting 'M'. Wanneer de massadraad van deze verbruikers wordt teruggeleid naar de ECU (elektronische unit), moet er ook een afzonderlijke 'M-massa'-aansluiting op de ECU zijn, die dus gescheiden is van de 'meet-massa'. Een ECU mag geen massa-aansluiting hebben voor inductieve of capacitieve verbruikers met een 'meet-massadraad'. 1-2 DD038500

5

Citea LLE

Massadraden mogen niet op andere punten worden aangesloten dan op de massa-aansluitpunten (1) of (2). Dit om er zeker van te zijn dat de stroom voor de startmotor steeds uitsluitend door de hoofdmassadraad van de accu kan lopen. Ook het direct aansluiten op de massa-aansluiting van de accu is niet toegestaan. De enige uitzondering is het op massa aansluiten van de tachograaf bij toepassing van een hoofdschakelaar; de massadraad van de tachograaf mag immers niet worden onderbroken.

TECHNISCHE GEGEVENS

Algemeen

0

DD038500

1-3

TECHNISCHE GEGEVENS

Algemeen 1.2 KABELBOMEN

5

Citea LLE

0

Nadat een kabelboom is losgenomen of wanneer deze moet worden vervangen, moet deze weer op de oorspronkelijke wijze worden aangebracht en vastgezet. Afhankelijk van de voertuigconfiguratie worden kabelbomen met rits toegepast. Daarbij kan de mantel worden geopend en gesloten. Bescherm de kabelboom tegen scherpe randen. Breng bij een doorvoering altijd een tule aan. Bescherm de kabelbomen door deze in een beschermslang te leggen. Besteed de nodige aandacht aan de waterdichtheid van de verbindingen. Verwijder nooit de afdichtringen van de connectoren. Breng de connectoren op de juiste wijze aan. Let erop dat de bekabeling niet te dicht bij hete onderdelen komt te liggen. Voorkom dat kabelbomen tegen kunststofleidingen schuren. De pennen van connectoren moeten altijd met speciaal gereedschap worden aangebracht en verwijderd, omdat anders een slechte verbinding kan ontstaan.

1-4

DD038500

5

Citea LLE

1.2.1 SPECIAAL GEREEDSCHAP KABELBOMEN

TECHNISCHE GEGEVENS

Algemeen

Voor het sluiten van de kabelboommantel is speciaal gereedschap beschikbaar. Tang voor sluiten van kabelboommantel

0

Met dit gereedschap kan op elke positie van de kabelboom worden begonnen met het sluiten van de mantel.

ILAk0027

Ritsgereedschap voor sluiten van kabelboom Met dit gereedschap moet aan het begin van de kabelboom worden begonnen met het sluiten van de mantel.

ILAk0028

DD038500

1-5

TECHNISCHE GEGEVENS

Algemeen 1.3 COMPONENTEN

5

Citea LLE

0

Algemeen De minimale doorsnede van kabels kan in de volgende tabel worden afgelezen. Vooral bij grotere stroomsterkten moet de kabellengte zo kort mogelijk worden gemaakt. Max. stroomsterkte (A) in relatie tot de draaddiameter (mm2) Draaddiameter mm2 1 1,5 2,5 4 6 10 16 25 35 50 70 95 120 9 22,5 37,5 60 90 150 240 375 525 750 1050 1425 1800 <3 m 5 13,5 22,5 36 54 90 144 225 315 450 630 855 1080 <6 m 4 7,5 12,5 20 30 50 80 125 175 250 350 475 600 6 10 16 24 40 64 100 140 200 280 380 480 <9 m >9 m

De minimale draaddoorsnede van de verbindingskabel tussen de startmotor en de accu's is afhankelijk van de lengte van de kabels. Daar het voor wat betreft de grote stroomsterkten bij de startmotorbekabeling gaat om kortstondige tijdsduur, mag de toegestane stroom per lengtecategorie met een faktor 1,5 verhoogd worden. Wisselstroomdynamo Stroom max.: Nominale spanning:

2x 110 A 28 V

1-6

DD038500

5

Citea LLE

TECHNISCHE GEGEVENS

Algemeen

Micro-relais Maximale inschakelstroom verbinding 10 A makend tussen punten 3 en 5: Maximale uitschakelstroom verbinding 5 A makend tussen punten 3 en 4:

0

ILAh0097

Mini-relais Maximale inschakelstroom verbinding 20 A makend tussen punten 30 en 87: Maximale uitschakelstroom verbinding 10 A makend tussen punten 30 en 87a:

ILAh0098

Maxi-relais Nominale spanning: 24 V Weerstand over de spoel bij 23 °C: 274,5 ± 27 Ohm Weerstand over de spoel tussen pun- 223 ± 22 Ohm ten 85 en 86:

ILAh0122

DD038500

1-7

TECHNISCHE GEGEVENS

Algemeen

5

Citea LLE

0

Smart Power Terminal (K001) Maximale schakelstroom (ontladen): Maximale schakelstroom (laden): Inschakeltijd Uitschakeltijd

250 A 200 A < 400 microsec. < 200 microsec

ILAh0789

Temperatuursensor motorruimte Uitschakeltemperatuur Inschakeltemperatuur Type schakelaar

110 ± 3 °C 103 ± 3 °C normaal gesloten

ILAh0790

1-8

DD038500

5

Citea LLE

TECHNISCHE GEGEVENS

Aanhaalmomenten

2.

AANHAALMOMENTEN

13 Nm ± 2 Nm 90 Nm ± 5 Nm

0

Wisselstroomdynamo B+ aansluiting: Aandrijfpoelie:

Accuklemmen A B C D Accuklema +: Accuklem +: Accuklema

a a

12 ± 2 Nm 40 ± 4 Nm 12 ± 2 Nm 30 ± 4 Nm

-:

Accuklem -:

a. Smeer de buitenzijde van de verbindingen in met zuurvrije vaseline om corrosie te voorkomen.

ILAh0338

DD038500

2-1

TECHNISCHE GEGEVENS

Aanhaalmomenten

5

Citea LLE

0

2-2

DD038500

5

Citea LLE

DIAGNOSE

DIAGNOSE

1

DD038500

DIAGNOSE

5

Citea LLE

1

DD038500

5

Citea LLE

DIAGNOSE

Accu's

1.

1.1

ACCU'S

STORINGSTABEL

SYMPTOOM: NIEUWE ACCU WORDT BEHOORLIJK WARM BIJ HET VULLEN Mogelijke oorzaak Onvoldoende formatie door slechte conservering of langdurige (vochtige) opslag Maatregel Laten afkoelen Goed opladen Soortelijke massa controleren

1

SYMPTOOM: ACCUZUUR LOOPT OVER, KOMT UIT OPENINGEN VAN DE STOPPEN Mogelijke oorzaak Accu te hoog gevuld Overlading Vloeistof aftappen Laadinrichting controleren en eventueel repareren SYMPTOOM: ELEKTOLYTNIVEAU TE LAAG Mogelijke oorzaak Lekke accubak Te veel gasontwikkeling door te hoog ingestelde lading Accu vernieuwen Laadinrichting controleren/repareren Maatregel Maatregel

SYMPTOOM: SOORTELIJKE MASSA TE LAAG (<1,240) SLECHT STARTEN Mogelijke oorzaak Stroomverbruiker vergeten uit te schakelen Lading onvoldoende Kortsluiting in het laadcircuit Accu opladen Laadinrichting controleren/repareren Laadcircuit controleren Maatregel

SYMPTOOM: SOORTELIJKE MASSA TE HOOG (>1,290) Mogelijke oorzaak Met zuur in plaats van gedestilleerd water bijgevuld Maatregel Vloeistof aftappen en met gedestilleerd water vullen. Zonodig herhalen na doormenging (laden)

SYMPTOOM: SLECHT STARTEN, SLECHTE STARTTEST, SPANNING VALT ONDER BELASTING WEG Mogelijke oorzaak Accu ontladen Accu versleten (platen gecorrodeerd en verteerd) Accu defect ("dode cel") Accu te klein Accu gesulfateerd (platen zijn hard) Accu opladen Accu vernieuwen Accu vernieuwen Accu met grotere capaciteit plaatsen Accu vernieuwen Maatregel

SYMPTOOM: INGEBRANDE ACCUPOLEN Mogelijke oorzaak Klemmen niet goed vastgezet of slecht contact Maatregel Accupolen laten repareren, klemmen goed vastzetten en eventueel klemmen vernieuwen. 1-1

DD038500

DIAGNOSE

Accu's

5

Citea LLE

SYMPTOOM: 1 OF 2 CELLEN BORRELEN STERK BIJ HOGE BELASTING (STARTEN OF STARTTEST) Mogelijke oorzaak Defecte cellen Lek tussenschot Accu vernieuwen Accu vernieuwen SYMPTOOM: ACCU SNEL ONTLADEN (HOUDT GEEN STROOM) Mogelijke oorzaak Lading onvoldoende Kortsluiting in laadcircuit Grote zelfontlading bijvoorbeeld door vervuiling Maatregel Lading controleren. Is de laadtijd (rijtijd) voldoende? Laadcircuit controleren Accu reinigen Maatregel

1

Accu gesulfateerd (bij plaatonderzoek zijn de platen hard Accu vernieuwen en eventueel wit uitgeslagen) SYMPTOOM: KORTE LEVENSDUUR Mogelijke oorzaak Vaak te diep ontladen Na diepe ontlading niet opgeladen (witte afscheiding) Maatregel Tussentijds bijladen met gelijkrichter Accu na diepe ontlading altijd laden

SYMPTOOM: ACCU WORDT IN BEDRIJF WARM EN HEEFT EEN HOOG WATERVERBRUIK Mogelijke oorzaak Overlading of laadspanning te hoog Maatregel Laadinrichting (spanningsregelaar) controleren SYMPTOOM: ACCU IS ONTPLOFT Mogelijke oorzaak Vuur of vonk tijdens of kort na de lading Kortsluiting door gereedschap Inwendig defect (losse verbinding) Maatregel Voor een goede afzuiging zorgen en voorzichtig zijn met vuur en vonken Uitkijken met het wegleggen van gereedschap Accu vernieuwen

SYMPTOOM: DYNAMO EN/OF DIODES DEFECT Mogelijke oorzaak Accu omgepoold of verkeerd geladen Maatregel Accu ontladen en daarna in de goede richting opladen. Eventueel de accu vernieuwen

SYMPTOOM: ACCU DOET NIETS (GEEN SPANNING) Mogelijke oorzaak Inwendige onderbreking Accu zeer diep ontladen Accu vernieuwen Accu laden en testen, zo nodig vernieuwen Maatregel

1-2

DD038500

5

Citea LLE 1.2 LEVENSDUUR

DIAGNOSE

Accu's

De levensduur van een accu wordt aanzienlijk verkort door "cyclisch gebruik". Hiermee wordt bedoeld dat de accu's veel gebruikt worden terwijl ze niet worden geladen. Dit is dan ook vaak de oorzaak van het voortijdig defect raken van de accu's (binnen 1,5 jaar). Wanneer de spanning, gemeten over één accu, tot onder de 12,5 volt daalt, moet de accu worden geladen. Wanneer de accu niet wordt geladen, zal het "sulfateringsproces" starten. Dit proces is een chemische reactie in de accu waarbij loodsulfaat ontstaat. Loodsulfaat hecht zich aan de accu-platen en kan sluiting veroorzaken tussen de accuplaten, waardoor de capaciteit van de accu vermindert. Loodsulfaat wordt echter grotendeels weer afgebroken als de accu geladen wordt. Als een accu wordt gebruikt (ontladen) terwijl deze niet door de dynamo wordt geladen, zal er dus eerder sluiting ontstaan tussen de accuplaten. Hierdoor vermindert de capaciteit en daarmee de levensduur van de accu.

1

DD038500

1-3

DIAGNOSE

Accu's

5

Citea LLE

1

1-4

DD038500

5

Citea LLE

DIAGNOSE

Dynamo

2.

2.1

DYNAMO

STORINGSTABEL

SYMPTOOM: DYNAMO LEVERT STATIONAIR GEEN SPANNING Mogelijke oorzaak Maatregel Aansluiting 15 repareren Aansluiting 15 repareren Regelaar vervangen SYMPTOOM: DYNAMOWAARSCHUWING (GEEL) Mogelijke oorzaak Maatregel De afgeregelde spanning van de dynamo meten met zoveel mogelijk verbruikers ingeschakeld en een hoger motortoerental dan stationair Bedrading controleren/repareren Motortoerental verhogen tot circa 1500 omw/min. Als er dan wel spanning wordt geleverd, aansluiting 15 op dynamo controleren

1

Onderbreking aansluiting 15 op dynamo Massa-aansluiting, aansluiting 15 op dynamo Inwendig defect

Onderbreking in "S"-aansluiting

Onderbreking in "L"-aansluiting Onderbreking in aansluiting 15

Spanningsverschil tussen "B+" en "S"- aansluiting is gro- Alle contacten tussen dynamo en batterijen (overgangster dan 2,5 V weerstanden) controleren. Inwendige weerstand batterijen te hoog Spanning te laag < 16V Dynamo-aandrijving controleren. Bedrading op overgangsweerstanden controleren. Afgeregelde spanning controleren Spanningsregelaar vervangen

Onderbreking spanningsregelaar

SYMPTOOM: DYNAMOSPANNING HOOG (ROOD) Mogelijke oorzaak Spanning te hoog > 31 V Inwendig defect Spanning meten Regelaar/dynamo vervangen Maatregel

DD038500

2-1

DIAGNOSE

Dynamo

5

Citea LLE

1

2-2

DD038500

5

Citea LLE

STORINGSZOEKMETHODEN

STORINGSZOEKMETHODE

2

DD038500

STORINGSZOEKMETHODEN

5

Citea LLE

2

DD038500

5

Citea LLE

STORINGSZOEKMETHODEN

Storingszoekmethoden

1.

STORINGSZOEKMETHODEN

Om storingen te kunnen lokaliseren kan gebruik gemaakt worden van de volgende testapparatuur en hulpmiddelen.

1. Het beste instrument hiervoor is een digitale universeelmeter. Met dit instrument kunnen spanningen, stromen en weerstanden worden gemeten zonder afleesfouten te maken en kunnen nagenoeg alle storingen worden gelokaliseerd. 2. Met een controlelamp kunnen op een eenvoudige manier vele, doch niet alle fouten worden opgespoord. Storingen met een slechte massa als oorzaak zijn meestal niet met deze controlelamp of zoemer op te sporen. 3. Voor complexe storingen is de scopemeter een handig hulpmiddel, hiervoor dient men echter wel een behoorlijke kennis van de voertuigelektronica te hebben. De meest voorkomende storingen zijn: a. kortsluiting b. onderbreking c. overgangsweerstand d. massaproblemen (slechte massa door corrosie).

2

DD038500

1-1

STORINGSZOEKMETHODEN

Storingszoekmethoden 1.1 AANDACHTSPUNTEN STORING ZOEKEN

5

Citea LLE

Het oplossen van storingen aan elektrische of elektronische systemen vereist naast een basiskennis van elektrische systemen, kennis van hulpgereedschappen zoals een multimeter, diagnose apparaten en kennis over hoe deze moeten worden gebruikt.

2

Vervang een zekering nooit door een zekering met een hogere waarde. De juiste waarde voor een zekering is aangegeven in het elektrisch schema en op de sticker aan de binnenzijde van het deksel van de centraalkast.

ILAh0086

Haal geen zekering uit de zekeringhouder terwijl er nog spanning op de elektrische installatie staat. Door het verwijderen van de zekering kan het contactvlak van de zekeringhouder inbranden door vonkvorming en kan er een piekspanning in de elektrische installatie worden geïnduceerd.

ILAh0087

Bij een spanningsmeting op een bepaalde (inline) connectorpin is het beter om vanaf de achterzijde van de connector te meten. Bij herhaald aanbrengen en verwijderen neemt de veerkracht van de connectorpin af, wat een nieuwe storing kan oproepen.

ILAh0088

1-2

DD038500

5

Citea LLE

STORINGSZOEKMETHODEN

Storingszoekmethoden

Zorg ervoor dat de isolatie van een draad nooit beschadigt wanneer er gecontroleerd wordt of er stroom op de draad staat.

2

ILAh0089

Beter is het om de draad door te snijden en een waterdichte las te maken zodra de meting is afgerond.

ILAh0090

DD038500

1-3

STORINGSZOEKMETHODEN

Storingszoekmethoden

5

Citea LLE

Gebruik geen tester met een LED-indicatie. Bij een slechte massaverbinding aan het circuit of component zal de LED al gaan branden. Bij een dergelijke test gaat een gewone testlamp niet of nauwelijks branden en geeft een betrouwbaarder beeld.

2

ILAh0091

Het oplossen van storingen aan elektronische regelsystemen vereist het gebruik van een multimeter en/of een VDL Bus & Coach diagnose apparaat. Foutcodes kunnen worden uitgelezen met het VDL Bus & Coach diagnose apparaat. Signalen kunnen ook met een (digitale) multimeter worden gemeten. · Een elektronisch systeem kan deel uitmaken van een netwerk van diverse elektronische systemen. Dit betekent dat een storing in een systeem kan leiden tot een foutmelding in een ander systeem. · Besteed extra aandacht aan massa-verbindingen en aan connector-draadverbindingen.

ILAk0049

1-4

DD038500

5

Citea LLE 1.2 LOKALISEREN VAN EEN KORTSLUITING

STORINGSZOEKMETHODEN

Storingszoekmethoden

Storingszoekmethode voor het lokaliseren van een kortsluiting Wanneer er een kortsluiting is, dan maakt ergens in het circuit een plusdraad sluiting met de massa. Meestal smelt er dan een zekering door. Om deze storing op te lossen wordt gebruik gemaakt van een testlamp van ca. 70 W. · Kijk eerst op het schema welke apparaten op die bewuste zekering zijn aangesloten en zet deze dan allemaal uit. · Verwijder de zekering en verbindt daarvoor in de plaats een testlamp. · Schakel nu één voor één de apparaten in en uit. Wanneer tijdens dit inschakelen de lamp fel gaat branden dan is het vrijwel zeker dat in de bedrading van dat apparaat de storing zich bevindt. · Kijk nu op het schema via welke connectoren de apparatuur is aangesloten. Trek dan de eerste stekerverbinding (vanaf de zekering gezien) los. Blijft de lamp nog steeds fel branden dan zit de storing vanaf de zekering tot aan de stekerverbinding. Gaat de lamp echter uit dan zit de storing verder in de bedrading. Verbindt nu de losgetrokken stekers weer met elkaar en trek vervolgens de volgende stekerverbinding los. Blijft nu de lamp fel branden dan zit de storing tussen deze twee stekerverbindingen. Gaat de lamp echter ook hier weer uit dan moet op dezelfde manier verder worden gezocht. Op deze wijze kan het gedeelte ontdekt worden waar de storing zich bevindt.

2

ILAh0092

DD038500

1-5

STORINGSZOEKMETHODEN

Storingszoekmethoden 1.3 LOKALISEREN VAN EEN ONDERBREKING

5

Citea LLE

Storingszoekmethode voor het lokaliseren van een onderbreking Wanneer een component niet werkt, kan de fout in het component zitten maar ook kan de bedrading onderbroken zijn. · Schakel eerst het component in, test met de proeflamp (of een multimeter) of het betreffende component spanning krijgt. · Als dit niet het geval is, controleer dan eerst of de zekering nog intact is. · Als er wel spanning aanwezig is op de zekering dan moet de draad van de zekering naar het component verder gevolgd worden. Dus bij elke stekerverbinding moet dan worden gemeten. Staat er dan ergens op een stekerverbinding geen spanning meer dan zit de onderbreking tussen de laatste en voorlaatste gemeten stekerverbinding. · Wanneer er wel spanning stond op het component dan is er nog de mogelijkheid dat de min (massa)draad is onderbroken. Om dit te testen wordt gebruik gemaakt van een proeflamp. Zorg ervoor dat het desbetreffende circuit ingeschakeld is. · Sluit de ene kant van de proeflamp aan op de massa en de andere kant op de min-aansluiting van het te meten component. Indien de proeflamp brandt is de massa-aansluiting van het component onderbroken. Als de proeflamp niet brandt dan is in veel gevallen de massaverbinding nog in goede staat. · Als zowel de plus- als min-aansluiting in orde zijn dan moet het betreffende component vervangen worden.

2

ILAh0093

ILAh0094

1-6

DD038500

5

Citea LLE 1.4 LOKALISEREN VAN EEN OVERGANGSWEERSTAND

STORINGSZOEKMETHODEN

Storingszoekmethoden

Zoekmethode voor het lokaliseren van een overgangsweerstand Spanningsverlies Spanningsverlies door een hoge overgangsweerstand komt met name voor door slechte connectorverbindingen of slechte massaverbindingen. Spanningsverlies is vaak merkbaar door het verminderd functioneren van een component. Een weerstandsmeting van een draad zorgt al snel voor een vertekende (en dus niet correcte) meting. Bij een weerstandsmeting wordt een draad of een aansluiting heel laag belast. Voor een weerstandsmeting is het al voldoende als er maar één draadje in de kabel intact is of als er een aansluiting van slechte kwaliteit aanwezig is. Wanneer het draadje of de slechte verbinding elektrisch belast wordt, is het geleidingsvermogen te laag en de slechte kabel of aansluiting functioneert dan als een grote weerstand, waardoor er spanningsverlies optreedt.

2

Spanningsverliesmeting Met behulp van een voltmeter kan het spanningsverlies in het circuit worden gecontroleerd. · Indien er geen spanningsverlies in het circuit aanwezig is, is de spanning die over de accu wordt gemeten (V1) gelijk aan de spanning die over het component wordt gemeten (V2). · Indien er een overgangsweerstand in het pluscircuit aanwezig is, dan wordt er een spanning gemeten met V3. · Indien er een overgangsweerstand in het massacircuit aanwezig is, dan wordt er een spanning gemeten met V4. Opmerking Bij een goedwerkend circuit zal er altijd een beperkt spanningsverlies in het plus- en mincircuit aanwezig zijn. Dit is afhankelijk van de lengte van de elektrische bedrading.

ILAh0095

DD038500

1-7

STORINGSZOEKMETHODEN

Storingszoekmethoden 1.5 LOKALISEREN VAN SLECHTE MASSAVERBINDINGEN

5

Citea LLE

Storingszoekmethode voor het lokaliseren van slechte massaverbindingen

2

Slechte massaverbinding Massaproblemen ontstaan meestal door corrosie tussen de contactvlakken van de massaverbindingen. Een slechte massaverbinding kan met een, bij voorkeur, digitale multimeter worden opgespoord. Controleren massaverbinding door een spanningsverliesmeting Om te weten of een bepaald massapunt een goede massaverbinding kan de volgende methode worden toegepast. · Sluit de voltmeter aan tussen de massa van de accu en de te controleren massaverbinding. · Schakel zoveel mogelijk verbruikers (lampen, kachelventilator, verstralers e.d.) in. Het stroomverbruik door de accukabel moet tussen de 20 en 40 A liggen. · Bij een goede massaverbinding moet het spanningsverlies kleiner zijn dan 0,5 Volt. Is deze spanning hoger, dan dient de massa-aansluiting goed gecontroleerd te worden. Op deze manier kunnen de massaverbindingen van alle verbruikers gecontroleerd en gemeten worden.

ILAh0096

1-8

DD038500

5

Citea LLE

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

3

DD038500

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

5

Citea LLE

3

DD038500

5

Citea LLE

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

Apparatuur

1.

1.1

APPARATUUR

IJKEN TACHOGRAAF

Voor het ijken van de tachograaf (bijv. bij verandering van bandtype) kan gebruik worden gemaakt van de rollenbank. Als het voertuig is voorzien van ABS/ASR, zal dit systeem de draaiende achterwielen en stilstaande voorwielen interpreteren als het spinnen van de achterwielen. Omdat gas terugnemen nu niet van toepassing is, zal het systeem dit "spinnen" trachten op te heffen door de betreffende achterwielen af te remmen. Het gevolg is dat het voertuig uit de rollenbank geworpen wordt, wat gevaar oplevert. Om dit te voorkomen, moeten, indien het voertuig niet is uitgerust met een EBS-systeem, de zekeringen van het ABS/ ASR-systeem worden verwijderd, waardoor het ABS/ASRsysteem inactief wordt. Dit wordt echter door het systeem gezien als fouten die in het geheugen geregistreerd worden. Deze fouten moeten na het ijken gereset worden met behulp van de VDL Bus & Coach diagnose-tool.

3

DD038500

1-1

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

Apparatuur 1.2 BOB-TESTKAST

5

Citea LLE

BOB is een afkorting van "Break Out Box". De kast is, als het ware, een "tussenconnector" waarbij elke connectorpin naar buiten gaat en is aangesloten op een testbus. De BOB-testkast moet samen met een BOB-kabelboom worden gebruikt. Een BOB-kabelboom is uitsluitend verkrijgbaar voor complexe systemen. Ook kunnen via de BOB-testkast componenten worden geactiveerd. Een sjabloon geeft de connectorpinnen op de elektronische unit aan wanneer deze overeenkomstig de locatie van de pin in de connector is aangesloten op een testbus. (Pin A1 van de elektronische unit is pin A1 op het sjabloon, pin A2 van de elektronische unit is pin A2 op het sjabloon enz.).

3

ILAk0029

Spanning en signalen meten De connector (3) die normaal naar de elektronische unit (1) gaat, wordt op een van de connectoren van de BOB-kabelboom (4) aangebracht. De andere connector van de BOBkabelboom (2) maakt de verbinding met de elektronische unit (1). Via de bussen op de BOB-testkast is het mogelijk om spanning en/of signalen te meten. De betreffende waarde kan worden gemeten op basis van de meettabellen die in de technische gegevens van het systeem zijn opgenomen.

ILAk0030

Meten van weerstandswaarden en activeren van componenten De connector (3) die normaal naar de elektronische unit (1) gaat, wordt op een van de connectoren van de BOB-kabelboom (4) aangebracht. De andere connector van de BOBkabelboom (2) mag NIET worden aangesloten op de elektronische unit (1). De BOB-testkast kan nu worden gebruikt om weerstandswaarden te meten en componenten te activeren. Bij het meten van weerstandswaarden of het activeren van componenten moeten de connectoren van de elektronische unit worden losgenomen.

ILAk0031

1-2

DD038500

5

Citea LLE

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

Apparatuur

Opmerking: Wanneer de connectoren van de elektronische unit zijn losgenomen en het contact van het voertuig is ingeschakeld, is het mogelijk dat in de elektronische unit een foutmelding van een bepaald systeem dat via het CAN-netwerk met andere systemen is verbonden, wordt opgeslagen.

3

DD038500

1-3

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

Apparatuur 1.3 DIGITALE MULTIMETER (FLUKE)

5

Citea LLE

Om storingen in elektrische en/of elektronische systemen op te lossen kan er gebruik worden gemaakt van een multimeter. De Fluke 87 multimeter biedt de mogelijkheid om verschillende meetkeuzes in te stellen, zoals stroommeting, spanningsmeting, weerstandsmeting en frequentiemeting. De meetkeuzes worden ingesteld door een draaiknop en het gebruiken van de juiste aansluitbus.

ILAk0032

3

1.4

DIAGNOSE-APPARAAT

Voor het diagnostiseren van verschillende voertuigsystemen kan er gebruik worden gemaakt van het VDL Bus & Coach diagnose-apparaat (TEXA). Het uitlezen van elektronische systemen gebeurt eveneens met het VDL Bus & Coach diagnose-apparaat. In geval van een foutmelding is het mogelijk te kiezen voor een geleide diagnose, om zo, door middel van meetstappen, de oorzaak van het probleem te vinden. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing voor een uitgebreide beschrijving en de mogelijkheden van het VDL Bus & Coach diagnose-apparaat.

ILAk0002

ILAk0049

1-4

DD038500

5

Citea LLE

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

Overzicht signalen

2.

2.1

OVERZICHT SIGNALEN

MEETGROOTHEDEN

Meetgrootheden worden op het meet- en diagnosegereedschap vaak door middel van symbolen aangegeven. De volgende symbolen worden toegepast. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Gelijkspanning Wisselspanning Gelijkstroom Wisselstroom Weerstand Duty-cycle Frequentie

3

ILAh0082

DD038500

2-1

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

Overzicht signalen 2.2

2.2.1

5

Citea LLE

SIGNALEN

SINUSVORMIG SIGNAAL (WISSELSPANNING)

Dit signaal wisselt regelmatig van polariteit ten opzichte van de '0'-lijn. Frequentie De frequentie wordt aangeduid met Hertz (Hz). Het aantal complete sinussen per seconde vormt de frequentie van het signaal (wanneer t in de afbeelding 1 seconde is, dan is de frequentie 3 Hz). Spanning Als het aantal sinussen per seconde toeneemt, neemt niet alleen de frequentie toe maar ook de spanning. Meten van een sinusvormig signaal Met een multimeter kunnen we het sinusvormig signaal op de volgende manieren meten: · Met de multimeter in de positie frequentie (Hz). Hierbij meten we dus het aantal complete sinussen per seconde. · Met de multimeter in de wisselspanningspositie. Hierbij meten we de gemiddelde waarde van de aangeboden spanning. Sinusvormige signalen in het voertuig Voorbeelden van sinusvormige signalen in een voertuig zijn: · Uitgangssignaal wielsnelheidssensor · Uitgangssignaal krukaspositiesensor · Uitgangssignaal nokkenaspositiesensor

3

ILAh0083

2-2

DD038500

5

Citea LLE

2.2.2 BLOKVORMIG SIGNAAL

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

Overzicht signalen

Bloksignalen zijn signalen met slechts twee spanningsniveaus, waarbij in principe elk niveau dezelfde tijdsduur heeft (t1 is gelijk aan t2). Indien de tijdsduur van het ene niveau afwijkt van de tijdsduur van het andere niveau (t1 is niet gelijk aan t2), dan spreekt men ook wel van 'pulstrein'.

3

ILAh0084

Duty-cycle De duty-cycle is de verhouding tussen de beide spanningsniveaus uitgedrukt in procenten. A / B x 100% Bij een 'pulstrein' kan de spanningsniveauverhouding variëren (bijvoorbeeld bij voertuigsnelheidstoename). Indien het aantal pulsen per tijdseenheid toeneemt, wordt de dutycycle-waarde hoger. Spanning Als het aantal pulsen per tijdseenheid toeneemt, neemt niet alleen de duty-cycle toe maar ook de gemiddelde spanning. Meten van een blokvormig signaal Met een multimeter kunnen we het blokvormig signaal op de volgende manieren meten: · Met de multimeter in de positie duty-cycle (%). Hierbij meten we de spanningsniveau verhouding. · Met de multimeter in de gelijkspanningspositie. Hierbij meten we de gemiddelde waarde van de aangeboden spanning.

ILAh0085

DD038500

2-3

MEET- EN DIAGNOSEGEREEDSCHAP

Overzicht signalen

Blokvormig signalen in het voertuig · Uitgangssignaal snelheidssensor · Snelheidssignaal naar elektronische units

5

Citea LLE

3

2-4

DD038500

5

Citea LLE

COMPONENTEN

COMPONENTEN

4

DD038500

COMPONENTEN

5

Citea LLE

4

DD038500

5

Citea LLE

COMPONENTEN

Beschrijving componenten

1.

1.1

BESCHRIJVING COMPONENTEN

INDUCTIEVE GEVER

Toegepaste inductieve gevers in het voertuig zijn o.a: · wielsnelheidssensor · motortoerentalsensor · nokkenassensor Registratie motortoerental De registratie van het motortoerental vindt plaats via de krukaspositiesensor. Het uitgangssignaal van de krukas-positiesensor is een sinusvormig signaal met een frequentie die overeenkomt met het aantal gaten in de pulsschijf en de rotatiefrequentie van de krukas. In de elektronische unit wordt dit signaal omgezet in een boodschap die via het CAN-netwerk wordt verstuurd. De VFC stuurt deze boodschap weer naar de ICM die dan de toerenteller aanstuurt.

ILAh0099

4

Werkingsprincipe motortoerentalsensor De inductieve gever bestaat uit een permanente magneet (1) een kern (2) en spoel (3). Wanneer de inductieve gever zich tussen twee tanden bevindt lopen de krachtlijnen van het magnetisch veld, van de noordpool via het huis rechtstreeks naar de zuidpool. Op het moment dat een tand de inductieve gever nadert, lopen de krachtlijnen van het magnetisch veld van de noordpool, via het huis, de tanden van het tandwiel en de kern, naar de zuidpool. Omdat er nu meer krachtlijnen door de kern gaan lopen krijgen we een sterker magnetisch veld. Door verandering van het magnetisch veld wordt er een wisselspanning opgewekt in de spoel. De waarde van de opgewekte wisselspanning is afhankelijk van het toerental van het tandwiel en de luchtspleet tussen gever (kern) en tand.

ILAh0100

DD038500

1-1

COMPONENTEN

Beschrijving componenten 1.2 VOERTUIGSNELHEIDSSENSOR

5

Citea LLE

De voertuigsnelheidssensor heeft twee aansluitingen voor uitgaande signalen. Via een aansluiting wordt het "real-time"snelheidssignaal, opgewekt door een Hall-IC, verstuurd. Via de andere aansluiting wordt een datasignaal (bi-directioneel signaal) verstuurd, waarbij uitwisseling van gegevens plaatsvindt tussen de tachograaf en de snelheidssensor. De tachograaf vraagt de sensor om data. De sensor stuurt de op elkaar volgende gecodeerde data naar de tachograaf en deze controleert de juistheid van deze data. Het gecodeerde signaal bestaat uit de volgende gegevens: · serienummer sensor · "Master key" (dezelfde als van de tachograaf) · gecodeerd snelheids-afstandssignaal Het gecodeerde snelheidssignaal wordt in de tachograaf vergeleken met het "real-time"-snelheidssignaal. De tachograaf stuurt opdrachten en data naar de sensor met een interval van 10 seconden.

ILAh0101

4

Duty-cycle snelheidssignaal Het snelheidssignaal dat via de voertuigsnelheidssensor naar de tachograaf gaat, wordt in de tachograaf bewerkt en als een bericht verzonden via het CAN-netwerk. Tevens wordt het snelheidssignaal ook omgevormd tot een dutycycle-signaal. Dit duty-cycle-signaal wordt gebruikt door elektronische units die het bericht niet via het CAN-netwerk ontvangen. In nevenstaande afbeelding is de lineaire karakteristiek weergegeven van de duty-cycle (%) ten opzichte van de voertuigsnelheid (V). Deze grafiek geldt voor alle voertuiguitvoeringen. Controleren Het duty-cycle signaal (blokspanning) kan worden gecontroleerd met een op het gelijkspanning- of duty-cycle-bereik ingestelde multimeter of met een scopemeter.

ILAh0102

1-2

DD038500

5

Citea LLE 1.3 TEMPERATUURSENSOREN

COMPONENTEN

Beschrijving componenten

Temperatuursensoren in het voertuig zijn o.a.: · koelvloeistoftemperatuursensor · inlaatluchttemperatuursensor · brandstoftemperatuursensor · buitenluchttemperatuursensor Deze sensoren zijn temperatuurgevoelige weerstanden. De weerstandswaarde-verandering bij temperatuur toe- of afname is bij deze sensoren hoog. We onderscheiden twee uitvoeringen van temperatuur-sensoren namelijk: · N.T.C. weerstand (Negatieve Temperatuur Coëfficiënt) · P.T.C. weerstand (Positieve Temperatuur Coëfficiënt)

ILAh0103

N.T.C. weerstand Bij een N.T.C. weerstand neemt de weerstandswaarde af bij een stijgende temperatuur. Toepassing: · Meten van koelvloeistof temperatuur

4

ILAh0125

P.T.C. weerstand Bij een P.T.C. weerstand neemt de weerstandswaarde toe bij een stijgende temperatuur. In tegenstelling tot de N.T.C. weerstand zal er bij de P.TC. weerstand een grote weerstandsverandering plaatsvinden in een klein temperatuursbereik. Controleren De temperatuur-sensoren kunnen met een, op het weerstandsbereik ingestelde, multimeter worden gecontroleerd.

ILAh0126

DD038500

1-3

COMPONENTEN

Beschrijving componenten 1.4

1.4.1

5

Citea LLE

VLOEISTOFNIVEAU SENSOREN

OLIENIVEAUSENSOR

Olieniveau sensoren in het voertuig zijn o.a.: · Vloeistofniveau sensor ten behoeve van hydraulisch systeem. · Motorolieniveausensor.

4

De olieniveausensor is van het capacitieve type. Hierbij wordt een condensator als sensor gebruikt. De capaciteit van de condensator kan verandert worden door verandering van het diëlektricum van de stof tussen de condensatorplaten. (De relatieve diëlektrische constante van lucht is anders dan van olie.) De capaciteitsverandering rondom de elektrode van de sensor zorgt ervoor dat een hoog frequente oscillator gaat trillen (frequentie ± 600 kHz.). Dit signaal wordt verwerkt door de elektronica van de sensor. De sensor en elektronica vormen een geheel. Zodra de sensor niet meer omgeven wordt door olie, (de sensor ligt geheel vrij), wordt een signaal via IOU 4 naar de VFC gestuurd. De sensor is voorzien van een ingebouwde functiecontrole. Wordt de sensor op een voeding aangesloten, dan zal er gedurende 2 seconden een spanning over de sensor staan ten teken dat alles bedrijfsgereed is. Wordt er geen spanning gemeten over de sensor, dan dient de sensor gecontroleerd te worden.

ILAh0047

1. Plus (+) 2. Min (-) 3. Signaal (S)

ILAj0327

A. B. C. D. E.

Lucht Olie Sensor Scherm Elektrisch veld

Controleren Voorwaarden: · voeding (+24V) aangesloten op de + en - aansluitingen. · controlelamp (max. 2 W) aangesloten op de S aansluiting. 1-4 DD038500

5

Citea LLE

Hang de sensor in de betreffende vloeistof, sluit de sensor aan zoals aangegeven in de tekening. Als men de sensor uit de vloeistof haalt moet na een vaste vertraging (ca. 7 sec.) de controlelamp gaan branden of doven (afhankelijk van een minimum of maximum niveauschakelaar).

COMPONENTEN

Beschrijving componenten

1.4.2

KOELVLOEISTOFNIVEAUSENSOR

De koelvloeistofniveausensor bestaat uit twee microschakelaars (reed-schakelaars), die parallel geschakeld zijn met twee weerstanden. Deze microschakelaars worden beïnvloed door een buiten de sensor gelegen magnetisch veld. Indien het koelvloeistofniveau daalt, zal een vlotter die op de koelvloeistof drijft en is voorzien van een permanente magneet, ervoor zorgen dat de microschakelaars worden gesloten.

4

ILAj0422

De "Niveau te laag" -schakelaar detecteert dat het koelvloeistof niveau te laag is en sluit de parallel geschakelde weerstand kort. De "Niveau laag" -schakelaar detecteert dat er koelvloeistof moet worden bijgevuld en sluit de parallel geschakelde weerstand kort. De weerstandswaarde wordt door de VFC gebruikt om te detecteren wat de status van de microschakelaars is. Als gevolg hiervan zal de VFC het instrumentendisplay aansturen.

ILAj0427

DD038500

1-5

COMPONENTEN

Beschrijving componenten 1.5 DRUKSENSOREN

5

Citea LLE

Druksensoren in het voertuig zijn onder andere: · Druksensor voor registratie van de balgdruk bij ECAS. · Druksensor voor registratie van de vuldruk. 1.5.1 DRUKSENSOR ECAS

In de druksensor bevindt zich een membraan van halfgeleidermateriaal (silicium). Indien er druk op het membraan wordt uitgeoefend, zal dit membraan doorbuigen. Het doorbuigen van het membraan geeft een weerstandsverandering van het halfgeleidermateriaal. Het membraan is een onderdeel van een zogenaamde brugschakeling. Bij het doorbuigen van het membraan komt de brugschakeling uit haar evenwicht, waardoor het uitgangssignaal zal veranderen. De uitgangsspanning is recht evenredig met de toegepaste druk (doorbuiging membraan).

4

Controleren De uitgangsspanning kan met een op het gelijkspanningsbereik ingestelde multimeter worden gecontroleerd.

ILAh0161

1.5.2

DRUKSENSOR TER CONTROLE VAN DE VULDRUK

Voor het controleren van de vuldruk wordt gebruik gemaakt van een piëzo-druksensor. Deze sensor bestaat uit een elektronische schakeling en een drukopname-element. Het drukopname-element registreert drukveranderingen; deze drukveranderingen worden omgezet in een elektrische spanning. De elektronische schakeling versterkt deze spanning, zodat een bruikbaar uitgangssignaal ontstaat. Controleren De uitgangsspanning kan met een op het gelijkspanningsbereik ingestelde multimeter worden gecontroleerd.

ILAh0104

1-6

DD038500

5

Citea LLE 1.6 DYNAMO

COMPONENTEN

Beschrijving componenten

De compactdynamo is een lichtgewicht-dynamo en heeft twee interne koelventilatoren. De elektronische regelaar regelt ook de voorbekrachtiging van de dynamo. Ook de functie van de velddiodes is vervangen door de regelaar. De dynamo levert een grote stroom in het lagere toerentalgebied. B 1 5 S L aansluiting met klem 30 van de startmotor voeding na contact sens-aansluiting van de regelaar aansluiting naar IOU A011

B-aansluiting De dynamo heeft twee B+ aansluitingen die intern met elkaar verbonden zijn. B+1 is aangesloten op klem 30 van de startmotor. B+2 is NIET aangesloten. B- (massa-aansluiting) is verbonden met de behuizing van de dynamo en via de bevestiging van de dynamo met het motorblok.

ILAh0105

4

Aansluiting 15 Via aansluiting 15 wordt de dynamo voorzien van spanning na contact. De regelaar gebruikt deze spanning om de voorbekrachtiging te activeren (zelfbekrachtiging). Als deze aansluiting wordt onderbroken, zal de dynamo geen vermogen leveren totdat de dynamo een toerental heeft van circa 5000 omw/min. Dit komt overeen met ongeveer 1500 omw/min van de motor. Als dit toerental bereikt is, zal de dynamo zichzelf bekrachtigen. Sens-aansluiting De sens-aansluiting kan gebruikt worden om spannings-verliezen in B+ te compenseren. Tussen dynamo en accu heersen spanningsverschillen. Door deze spanningsvariaties te controleren, kan de afgeregelde spanning verbeterd worden. De sens-aansluiting is verbonden met klem 30 van de startmotor. L-aansluiting De L-aansluiting is via een IOU d.m.v. het CAN-systeem verbonden met de VFC en geeft aan of de dynamo stroom levert en dus de accu opgeladen wordt. Dit signaal moet hoog zijn als de motor loopt en laag als de motor niet loopt. Is dit niet het geval, dan stuurt de VFC een foutmelding naar het hoofddisplay.

ILAh0162

DD038500

1-7

COMPONENTEN

Beschrijving componenten

De volgende storingen kunnen herkend worden via de "L"aansluiting: · Te lage spanning (<16V) · Onderbreking aansluiting 15 · Onderbreking "S"-aansluiting · Onderbreking "L"-aansluiting Een te hoge spanning wordt herkend door een te hoge voedingsspanning (> 31 V) op IOU A011.

5

Citea LLE

1.7

STUURKOLOMSCHAKELAAR

De Citea LLE voertuigseries zijn uitgevoerd met onderstaande stuurkolomschakelaars. De voordelen van de schakelaars zijn: · Schakelaars zijn kortsluitvast · Langere levensduur door toepassing van reed-schakelaars · Functie van cruise-control is in de rechter schakelaar geïntegreerd (optioneel).

4

ILAh0106

De functies van de linker schakelaar zijn: · Richtingaanwijzer links/rechts · Verlichting groot/dimlicht · Claxon · Ruitenwisser snelheid/interval/sproeien De functie van de rechter schakelaar (optioneel) is: · Cruise-control-functie versnellen/vertragen/memorie

1-8

DD038500

5

Citea LLE 1.8 MASSAVERBREEKSCHAKELAAR

COMPONENTEN

Beschrijving componenten

De functie van de massaverbreekschakelaar is het spanningsloos maken van de elektrische installatie bij langdurige stilstand (maximaal 2 weken). De massaverbreekschakelaar bevindt zich linksvoor achter het serviceluik. De DTCO tachograaf slaat een foutcode op als de massaschakelaar uitgeschakelt wordt. In sommige landen wordt de foutcode opgevat als een wettelijke overtreding. Om te voorkomen dat de eenheid een foutcode opslaat, gebruik een DTCO werkplaats kaart in de eenheid. Als een foutcode wordt opgeslagen, contacteer dan een erkende DTCO service dealer om de DTCO te kalibreren en de code te wissen. Wacht na het uitschakelen van het contact en de hoofdschakelaar 5 minuten voordat de massaverbreekschakelaar wordt bediend zodat bepaalde elektrische systemen van het voertuig nog kunnen nawerken.

ILAh0743

4

Uitschakelen De massaverbreekschakelaar niet uitschakelen wanneer: - de motor draait - de waterverwarmer nog in bedrijf is. - overige elektrische verbruikers nog ingeschakeld zijn. De elektrische installatie, elektronische units en dynamo's kunnen hierdoor beschadigen. 1. Schakel het contact en de hoofdschakelaar uit. 2. Wacht na het uitschakelen van het contact en de hoofdschakelaar 5 minuten. 3. Open het serviceluik linksvoor. 4. Draai de massaverbreekschakelaar linksom in de "off"stand. De gehele elektrische installatie is nu uitgeschakeld, inclusief tachograaf en waarschuwingslichten. 5. Sluit het serviceluik. Inschakelen 1. Schakel het contact en de hoofdschakelaar uit. DD038500 1-9

COMPONENTEN

Beschrijving componenten

2. Open het serviceluik linksvoor. 3. Draai de massaverbreekschakelaar rechtsom in de "on"stand. 4. De elektrische installatie is nu weer met de accu's verbonden. 5. Sluit het serviceluik. Sommige elektrische apparaten dienen gereset te worden.

5

Citea LLE

4

1 - 10

DD038500

5

Citea LLE

COMPONENTEN

Diagnose

2.

2.1

DIAGNOSE

DIAGNOSE VAN ELEKTRISCHE SYSTEMEN

In het onderstaande overzicht is af te lezen met welke diagnose-apparatuur een bepaald systeem te diagnostiseren is. Voor het bedienen van de diagnose-apparatuur verwijzen wij u naar de handleiding van de fabrikant. Systeem ZF EST146 Voith Diwa.5 EBS Cummins ECM ICM (CIPA) CAN-bus ECAS-CAN Diagnose-apparatuur VDL Bus & Coach diagnose apparaat VDL Bus & Coach diagnose apparaat VDL Bus & Coach diagnose apparaat VDL Bus & Coach diagnose apparaat VDL Bus & Coach diagnose apparaat VDL Bus & Coach diagnose apparaat ZF-Testman Voith Diwagnosis DAVIE XD Insite/DAVIE XD

4

DD038500

2-1

COMPONENTEN

Diagnose 2.2

2.2.1

5

Citea LLE

DIAGNOSE ACTIA INSTRUMENTENPANEEL

HOOFDDISPLAY (C)

Uitgevallen pixel in het hoofddisplay (C) Definitie functionele schade van het display: 3 of meer opeenvolgende LED's of 5 of meer LED's op willekeurige plaatsen zijn uitgevallen (dit heeft een merkbare invloed op de achtergrondverlichting tot gevolg). Als het defect voldoet aan de gestelde eisen zoals beschreven in Service Bulletin 546, vervang het display na overleg met de service afdeling van VDL Bus & Coach. Contrast display niet goed Stel het contrast in met behulp van VDL Bus & Coach diagnose-apparaat. Vervanging is niet nodig. Zwart display Als het display/meters geheel niet werken, voer de volgende controles uit: · Controleer de voeding naar het instrumentenpaneel, indien OK; · Controleer de massa-verbinding naar het instrumentenpaneel, indien OK; · Controleer de CAN-aansluiting van het instrumentenpaneel, indien OK; · Probeer met VDL Bus & Coach diagnose-apparaathet instrumentenpaneel en de VFC te diagnostiseren, indien er geen fouten zijn; · Probeer met VDL Bus & Coach diagnose-apparaat de juiste CIPA software en parameters (2 stappen) te laden. Vervang het display als deze zwart blijft nadat bovengenoemde controles zijn uitgevoerd. Waarschuwings-indicatie blijft actief in het instrumentenpaneel Controleer de oorzaak van de storing. Diagnostiseer het dashboard en alle andere systemen in het voertuig, zoals CAN-netwerk, ABS, motor, versnellingsbak, deuren, enz. op fouten. Los problemen in andere systemen op. Als er geen fouten in andere systemen zijn: · Voer met het VDL Bus & Coach diagnose-apparaat diagnose uit op het display en VFC (centrale processor); noteer de foutcodes en los actieve problemen op. · Laad de nieuwste CIPA software en parameters (2 stappen). · Voer met VDL Bus & Coach diagnose-apparaat diagnose uit op het display en VFC (centrale processor); noteer de foutcodes en los actieve problemen op. · Vervang het display. Als het probleem is opgelost na vervanging, probeer de oude display opnieuw om er zeker van te zijn dat het display het defecte onderdeel is.

ILAh0198

4

A B C D E F G H

Kilometer en dagteller Brandstofmeter Hoofddisplay Koelvloeistoftemperatuurmeter Snelheidsmeter Waarschuwingsindicatoren Toerenteller Dimschakelaar hoofddisplay

2-2

DD038500

5

Citea LLE

Display controle Controleer het display volgens onderstaande tabel. Controleer elke indicatie op elke meter. Hoofdschakelaar AAN Meter Snelheid KM Brandstof RPM Koelmiddel Indicatie 0/waarde/bewegen uit/waarde/99999 0/waarde 0/waarde/bewegen 0/waarde/bewegen Reactie KM Brandstof RPM Koelmiddel Meter Snelheid

COMPONENTEN

Diagnose

Hoofdschakelaar + contact AAN Indicatie 0/waarde/bewegen uit/waarde/99999 0/waarde 0/waarde/bewegen 0/waarde/bewegen Reactie

2.2.2

FOUTMELDINGEN IN HET KILOMETER/ DAGTELLER DISPLAY (A)

De volgende 4 foutmeldingen kunnen verschijnen in het KMdisplay: · Status: Error 00 · Status: Error 01 · Status: Error 02 · Fout: DL_CAN Err Error 00 Deze fout wordt weergegeven als er tijdens de opstartprocedure geen CAN-communicatie mogelijk is tussen de CIPAcentrale processor en de meters. Mogelijk veroorzaakt door: · Drive Line CAN-fout · Ontbrekende 120 ohm weerstand Error 01 Deze fout wordt weergegeven bij een interne CIPA probleem. Mogelijk veroorzaakt door: · Interne CAN-aansluiting CIPA defect · CIPA centrale processor start niet op Error 02 Deze fout wordt weergegeven wanneer de ontstekingsingang niet actief is en het CAN-systeem van de aandrijflijn berichten verzend. Mogelijk veroorzaakt door: · Interne fout CIPA (ontstekings-ingang) · Storing voertuigzijde Vign

4

ILAh0198

A B C D E F G H

Kilometer en dagteller Brandstofmeter Hoofddisplay Koelvloeistoftemperatuurmeter Snelheidsmeter Waarschuwingsindicatoren Toerenteller Dimschakelaar hoofddisplay

DD038500

2-3

COMPONENTEN

Diagnose

5

Citea LLE

DL_CAN Err Dit bericht wordt weergegeven in geval van gedeeltelijk ontbreken of het totaal ontbreken van tachograaf CAN-berichten. De volgende systeem reacties kunnen optreden: · Naald van snelheidsmeter gaat op en neer. · Er wordt geen tijd weergegeven. · Kilometer- en dagteller tonen het volgende: Kilometerteller: 9999999 km Dagteller: 9999.9 km Andere niet tachograaf gerelateerde problemen die fout DL_CAN Err. kunnen geven zijn: · Naald toerenteller gaat op en neer (ontbrekend CANbericht van de motor). · Naald koelvloeistofmeter gaat op en neer (ontbrekend CAN-bericht van de motor).

4

ILAh0376

2-4

DD038500

5

Citea LLE

REPARATIE BEDRADING

REPARATIE BEDRADING

5

DD038500

REPARATIE BEDRADING

5

Citea LLE

5

DD038500

5

Citea LLE

REPARATIE BEDRADING

Algemeen

1.

ALGEMEEN

· Door toepassing van steeds meer elektronica in voertuigen worden ook steeds meer connectoren, contacten en draad toegepast. Het is dan ook van groot belang dat hier aandacht aan wordt besteed bij reparatie, zodat onnodige storingen kunnen worden voorkomen. · Voor reparatie van motor gerelateerde connectoren, wordt verwezen naar: https://quickserve.cummins.com

5

DD038500

1-1

REPARATIE BEDRADING

Algemeen 1.1 CONNECTOR

5

Citea LLE

Een connector is een losneembare verbinding tussen twee of meerdere elektrische draden of componenten. Aan de ene kant zitten de vrouwelijke en aan de andere kant zitten de mannelijke contacten. Dit maakt het mogelijk om ze in en uit elkaar te schuiven. De taak van de connector is het beschermen van de contacten tegen ongewenste elektrische verbindingen en milieuinvloeden en te garanderen dat de juiste contacten op een correcte manier aan elkaar worden gekoppeld.

5

1-2

DD038500

5

Citea LLE 1.2 CONTACT

REPARATIE BEDRADING

Algemeen

Een connector bevat één of meerdere contacten. Deze contacten zijn er in verschillende maten en uitvoeringen. Wel hebben ze dezelfde opbouw. Het pasdeel (1) maakt de elektrische verbinding tussen de contacten mogelijk. Het contactpersdeel (2) is de elektrische verbinding tussen het gestripte deel van de draad en het contact. Het ontlastdeel (3), ook wel trekontlasting, ontlast het contactpersdeel van mechanische slijtage. De isolatieontlasting wordt geplaatst over het isolerende omhulsel van de draad en/of de scat.

ILAh0107

Bij een contact zijn drie afmetingen belangrijk, de diameter (1) van de te verbinden draad, de daarmee samenhangende grootte van het contactpersdeel (2) en de grootte van het pasdeel (3).

5

ILAh0108

DD038500

1-3

REPARATIE BEDRADING

Algemeen

5

Citea LLE

5

1-4

DD038500

5

Citea LLE

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

2.

SPECIAAL GEREEDSCHAP

Voor toepassing van het speciaal gereedschap, wordt verwezen naar de parts documentatie in VIP.

2.1

2.1.1

CONTACTDOZEN

CONTACTDOOS A

Voor de contacten, uitgezonderd contacten met enkeladerafdichtingen (SCAT-contacten) en voor de microtimer-contacten, is contactendoos A (VDL Bus & Coach nr. 40694960) beschikbaar. Om de keuze van contact, contactkrimptang en uitdrukgereedschap te vergemakkelijken, is aan de binnenzijde van de doos een sticker aangebracht.

ILAk0067

5

ILAh0109

DD038500

2-1

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

5

Citea LLE

Bovenaan staat het nr. van het contact dat daar is afgebeeld. Onder de afbeelding staat in Romeinse cijfers aangegeven welke contactkrimptang moet worden gebruikt (I of II). Achter dit cijfer wordt aangegeven, met een cijfer of letter, in welke uitsparing van die contactkrimptang het contact moet worden geplaatst. Daaronder staat weer in Romeinse cijfers aangegeven welk uitdrukgereedschap moet worden gebruikt om het contact uit de connector te halen (III t/m VII). Als laatste staat vermeld voor welke aderdoorsnede het contact geschikt is.

ILAh0110

5

ILAk0068

Uitdrukgereedschap 4,0 mm VDL Bus & Coach nr. 40694954 (Onderdeel van contactdoos A 40694960)

ILAk0069

Uitdrukgereedschap contact timer VDL Bus & Coach nr. 40694955 (Onderdeel van contactdoos A 40694960)

ILAk0070

Uitdrukgereedschap AMP 2-2 DD038500

5

Citea LLE

VDL Bus & Coach nr. 40694956 (Onderdeel van contactdoos A 40694960)

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

ILAk0071

Krimptang VDL Bus & Coach nr. 40694957 (Onderdeel van contactdoos A 40694960)

ILAk0072

Krimptang VDL Bus & Coach nr. 40694958 (Onderdeel van contactdoos A 40694960)

5

ILAk0073

Uitdrukgereedschap Canon VDL Bus & Coach nr. 40694959 (Onderdeel van contactdoos A 40694960)

ILAk0074

Uitdrukgereedschap 1,5 mm VDL Bus & Coach nr. 40694962 (Onderdeel van contactdoos A 40694960)

DD038500

2-3

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

5

Citea LLE

ILAk0075

Uitdrukgereedschap contacttimer VDL Bus & Coach nr. 41453169 (Onderdeel van contactdoos A 40694960)

5

2-4

DD038500

5

Citea LLE

2.1.2 CONTACTDOOS B

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

Voor de contacten met enkeladerafdichtingen (SCAT-contacten) en voor de microtimercontacten is een uitbreiding van contactkrimptang en uitdrukgereedschap nodig. Hiervoor is contactendoos B (VDL Bus & Coach nr. 41240065) beschikbaar. Om de keuze van contact, contactkrimptang en uitdrukgereedschap te vergemakkelijken, is aan de binnenzijde van de doos een sticker aangebracht die op dezelfde manier is te gebruiken als die van contactendoos A.

ILAk0076

ILAk0077

ILAk0078

Krimptang VDL Bus & Coach nr. 41240058 (Onderdeel van contactdoos B 41240065)

Krimpgereedschap VDL Bus & Coach nr. 41240059 (Onderdeel van contactdoos B 41240065)

5

ILAk0079

ILAk0080

Krimpgereedschap VDL Bus & Coach nr. 41240060 (Onderdeel van contactdoos B 41240065)

Uitdrukgereedschap 4,0 mm SCAT VDL Bus & Coach nr. 41240061 (Onderdeel van contactdoos B 41240065)

DD038500

2-5

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

5

Citea LLE

ILAk0081

ILAk0082

Uitdrukgereedschap micro-timer VDL Bus & Coach nr. 41240063 (Onderdeel van contactdoos B 41240065)

Uitdrukgereedschap 1,5 mm SCAT VDL Bus & Coach nr. 41240084 (Onderdeel van contactdoos B 41240065)

5

Uitdrukgereedschap mini-timer VDL Bus & Coach nr. 41329367 (Onderdeel van contactdoos B 41240065)

ILAk0083

2-6

DD038500

5

Citea LLE

2.1.3 OVERIG SPECIAAL GEREEDSCHAP93

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

ILAk0050

ILAk0084

Delsi 2, simulatie voertuigsnelheid VDL Bus & Coach nr. 40694941

Uitdrukgereedschap VDL Bus & Coach nr. 41453119

5

ILAk0085

ILAk0087

Uitdrukgereedschap VDL Bus & Coach nr. 41453115 Bosch Cummins nr. 3164093

Uitdrukgereedschap mini-timer VDL Bus & Coach nr. 41657029

ILAk0086

ILAk0088

Uitdrukgereedschap VDL Bus & Coach nr. 41453117 Bosch Cummins nr. 3164091

Uitdrukker ABS-contact VDL Bus & Coach nr. 41329392

DD038500

2-7

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

5

Citea LLE

ILAk0089

ILAk0090

Uitdrukgereedschap contacten OBD-connector VDL Bus & Coach nr. 41696704

Handkrimptang contacten OBD-connector VDL Bus & Coach nr. 41696705

5

ILAk0091

ILAk0092

Adapterset voor Fluke ScopeMeter VDL Bus & Coach nr. 41696748

Stroomtang VDL Bus & Coach nr. 41453184

ILAk0093

ILAk0094

Universele Break Out Box (156 pins) VDL Bus & Coach nr. 41329433

Siemens VDO ATC 1601-26 tachograaftester Art. nr. 1602-04000060

2-8

DD038500

5

Citea LLE

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

ILAk0095

ILAk0096

Europe TVI tachograaftester Art. nr. 7955-976

Deutsch Terminal uitneemgereedschap Nr. 20 Rood: Cummins nr. 3824815 Nr. 16 Blauw: Cummins nr. 3822760

5

DD038500

2-9

REPARATIE BEDRADING

Speciaal gereedschap

5

Citea LLE

5

2 - 10

DD038500

5

Citea LLE

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen

3.

3.1

VERWIJDEREN EN AANBRENGEN

ONTGRENDELEN VAN CONNECTOREN

Ontgrendelen van connectorverbindingen De connectoren zijn vaak vergrendelbaar met elkaar of met een component. Ze zijn onder te verdelen in:

A .

Actieve vergrendeling. Dit houdt in dat het slot actief moet worden gemaakt. Vaak moet bij dit type een vergrendeling worden ingedrukt.

B .

Passieve vergrendeling. Deze gaat open als de delen met een bepaalde kracht van elkaar worden getrokken.

5

ILAh0067

Twee connectoren in een behuizing Dit type connector bestaat uit twee losse connectoren. Om de contacten te verwijderen moeten eerst de connectoren uit het connectorhuis worden verwijderd. Voor het demonteren moet de vergrendellip opzij worden gedrukt. Nu kan de connector uit het connectorhuis worden geschoven.

ILAh0068

DD038500

3-1

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen 3.2 ONTGRENDELEN VAN CONTACTEN

5

Citea LLE

Contactvergrendeling Er bestaan verschillende uitvoeringen van contact-vergrendelingen. Hier onder zijn enkele voorbeelden gegeven. Wanneer er een vergrendeling is toegepast, individueel voor elk contact, wordt dit een primaire vergrendeling genoemd. Een extra algemene vergrendeling voor meerdere contacten in een connector is een secundaire vergrendeling. Primaire contactvergrendeling Om een individueel contact in de connector op zijn plaats te houden, is een contact vaak van één of meerdere borgtongen voorzien. Dit is een primaire vergrendeling. Het is van groot belang dat deze borgtongen niet beschadigd worden, in verband met het in en uitdrukken van contacten.

ILAh0069

5

Secundaire contactvergrendeling Dit type vergrendeling wordt meestal op 2- en 3- rijige connectoren toegepast. Bij connectoren (1) met een vergrendellip (2) moet eerst de vergrendellip worden verwijderd voordat de contacten kunnen worden verwijderd. Dit is een secundaire vergrendeling. De vergrendellip bevindt zich aan de zijkant van de connector en is meestal herkenbaar aan een kleur die niet overeenkomt met de kleur van de connector. De vergrendellip wordt er in zijn geheel uitgehaald. Nu kunnen de contacten met het juiste uitdruk-gereedschap worden verwijderd door de primaire vergrendeling te ontgrendelen.

ILAh0070

3-2

DD038500

5

Citea LLE

Ook is het mogelijk dat de contacten secundair vergrendeld worden door het onderste deel van de connector. Door dit onderste deel weg te kantelen, kunnen de contacten met het juiste uitdrukgereedschap worden verwijderd door de primaire vergrendeling te ontgrendelen. Dit type vergrendeling wordt alleen op 3-rijige connectoren toegepast.

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen

ILAh0071

5

Een andere vorm van een secundaire vergrendeling wordt gevormd door twee verschuifbare delen van de connector. De bovenste helft (aan de draadinvoerzijde) vormt samen met de onderste helft de extra contactvergrendeling. Voor het ontgrendelen van deze secundaire contact-vergrendeling moet de bovenste helft van de connector in de richting van de pijlen (die op het connectorhuis zijn aangebracht) een stukje worden weggedrukt. Vervolgens kunnen de contacten met het juiste uitdrukgereedschap uit de connector gedrukt worden. Na het eventueel aanbrengen van draden met contacten moet de connector weer in de vergrendeling worden gedrukt. Anders past deze ook niet in het tegendeel.

ILAh0072

DD038500

3-3

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen 3.3 UITDRUKKEN VAN CONTACTEN

5

Citea LLE

Voor reparatie of uitbreiding van de bedrading is het mogelijk dat er een contact vervangen of toegevoegd moet worden. Met behulp van speciaal uitdrukgereedschap kan een contact zonder te worden beschadigd uit de connector gedrukt worden. Uitdrukken van contacten 1. Druk de draad met contact naar voren (1). De borgtong (2) komt nu vrij te liggen van de connector (3). 2. Druk het juiste uitdrukgereedschap (4) voor in de connector. Hierdoor wordt de borgtong (2) naar beneden geduwd. 3. Het contact kan nu worden verwijderd door voorzichtig aan de draad te trekken. Opmerking: Als er aan de draad getrokken wordt voordat het uitdrukgereedschap de borgtong omlaag heeft geduwd, komt het contact alleen maar vaster in de connector zitten.

5

ILAh0073

Uitdrukken van contacten Er worden ook contacten toegepast waarbij de borgtong (2) zich aan de achterzijde van de connector (3) bevindt. 1. Trek de draad met contact naar achteren (1). De borgtong (2) komt nu vrij te liggen van de connector (3). 2. Druk het juiste uitdrukgereedschap (4) achter in de connector. Hierdoor wordt de borgtong (2) naar boven geduwd. 3. Het contact kan nu worden verwijderd door voorzichtig de draad naar voren te duwen. Opmerking: Ten opzichte van de gebruikelijke connectoren werkt de borgtong hier net andersom. Het uitdrukgereedschap verschilt per contact.

ILAh0074

3-4

DD038500

5

Citea LLE 3.4 VERGRENDELEN VAN MQS CONTACT

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen

Micro Quadlock System contact Voordat het contact kan worden verwijderd moet met een naaldvormig voorwerp de vergrendeling ontgrendeld worden.

1. Druk eerst de vergrendeling in aan het uiteinde van de connector (1). Trek tegelijkertijd voorzichtig aan de draad (2) tot een weerstand gevoeld wordt. 2. Druk nu de tweede vergrendeling (3) in en trek weer voorzichtig aan de draad (2). 3. Het contact komt nu uit de connector. Opmerking: Dit type contact is twee keer vergrendeld en moet dus twee keer ontgrendeld worden.

ILAh0075

5

DD038500

3-5

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen 3.5 BOSCH 89-POLIGE CONNECTOR

5

Citea LLE

Om bij deze connector een contact te verwijderen moeten de volgende handelingen uitgevoerd worden: Verwijderen van de Bosch 89-polige connector 1. Klap de beschermkap die om de draadboom zit naar beneden door de vergrendeling naar buiten te duwen. 2. Duw nu de twee buitenste helften van de beschermkap naar buiten en vervolgens omhoog. De beschermkap kan nu worden verwijderd. 3. De roze secundaire contactvergrendeling (1) moet naar het midden van de connector geschoven worden om de contacten te kunnen verwijderen. 4. Nu kunnen de contacten door middel van het juiste uitdrukgereedschap worden verwijderd. Opmerking: De grote contacten zijn met vier borgtongen vergrendeld. De kleine contacten zijn met twee borgtongen vergrendeld. Ook voor het bijsteken van contacten moet altijd de vergrendeling worden opgeheven! Montage van de Bosch 89-polige connector Als de beschermkap weer gemonteerd wordt, moet erop gelet worden dat de hevel en de schuif beide in de `ontgrendelde' positie staan. Gebeurt dit niet, dan zal bij montage van de connector op de elektronische unit de connector niet goed vergrendeld worden op de elektronische unit. Dan bestaat de kans dat er slecht contact ontstaat tussen de connector en de elektronische unit.

ILAh0111

5

ILAh0112

3-6

DD038500

5

Citea LLE 3.6 CONTACTEN 39-POLIGE CONNECTOR

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen

Verwijderen contacten 39-polige connector 1. Draai wartel G los. 2. Schuif de drukring H en afdichting K een stukje terug over de bedrading. 3. Druk nu met behulp van speciaal uitdrukgereedschap uit contactendoos A of B de contacten uit connectorhuis F.

5

ILAh0113

Aanbrengen contacten 39-polige connector 1. Breng wartel G, drukring H aan over de bedrading. 2. Voorzie, met het juiste gereedschap, de draden van nieuwe contacten. 3. Steek de draden met contacten door afdichting K. 4. Druk de contacten op hun definitieve plaats in connectorhuis F. 5. Schuif afdichting K tegen connectorhuis F. 6. Positioneer drukring H zodanig dat de 2 nokjes op de zijkant van connectorhuis F in de uitsparingen van de drukring vallen. 7. Draai wartel G handvast. Opmerking: · Drukring H is voorzien van contactnummers (deze dienen voor een juiste plaatsbepaling van de contacten). Deze contactnummers moeten in dezelfde positie staan als de contactnummers op het connectorhuis. · Een verkeerd geplaatste draad laat na verwijdering een lek in de afdichting na. Als hierin geen nieuwe draad wordt gestoken, moet er een afdichtplugje in aangebracht worden.

DD038500

3-7

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen

Verwijderen contacten contragedeelte 39-polige connector 1. Draai eindwartel A en verloopwartel B los en schuif deze zover mogelijk terug over de isolatieslang. 2. Schuif drukring H en afdichting K zover mogelijk over de kabelboom terug. 3. Schuif wartel E over de kabelboom terug. 4. Verwijder voorzichtig afdichtring (2). 5. Los voorzichtig de borgingen (3) in connectorhuis F. 6. Verwijder centreerhuls D van connectorhuis C. 7. Druk nu met behulp van speciaal uitdrukgereedschap uit contactendoos A of B de contacten uit connectorhuis C.

5

Citea LLE

5

ILAh0114

3-8

DD038500

5

Citea LLE

Aanbrengen contacten contragedeelte 39-polige connector 1. Schuif eindwartel A en verloopwartel B zover mogelijk terug over de isolatieslang. 2. Breng centreerhuls D in connectorhuis C zodanig aan, dat alle openingen tegenover elkaar liggen. 3. Controleer of alle borgclips (3) in de borgopeningen (1) zitten. 4. Steek de draden zonder contacten door drukring H en afdichting K. 5. Voorzie, met het juiste gereedschap, de draden van nieuwe contacten. 6. Voer de kabelboom door verloopwartel B. 7. Schuif afdichting K tegen connectorhuis C. 8. Positioneer drukring H zodanig dat de 2 nokjes op de zijkant van connectorhuis C in de uitsparingen van de drukring vallen. 9. Druk de connectorpennen op hun juiste positie in connectorhuis C. 10. Breng afdichtring (2) rond centreerhuls D aan en druk deze tot aan de aanslag van connectorhuis C. Opmerking: · Voor de laatste 2 stappen is het belangrijk dat de kabelboom niet getordeerd wordt, omdat deze hierdoor ernstig kan worden beschadigd (kans op draadbreuk). · Draai de respectievelijke wartels handvast aan. Gebruik hiervoor geen gereedschap (tangen). 11. Draai verloopwartel B op connectorhuis C. 12. Draai eindwartel A (met isolatieslang) op verloopwartel B.

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen

5

DD038500

3-9

REPARATIE BEDRADING

Verwijderen en aanbrengen

5

Citea LLE

5

3 - 10

DD038500

5

Citea LLE

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen

4.

4.1

VERBINDINGEN

MAKEN VAN KRIMPVERBINDINGEN

Algemeen Door de toepassing van steeds meer elektronica in voertuigen worden steeds meer verschillende soorten connectoren, contacten en draad gebruikt. Dit houdt in dat er meer aandacht besteed moet worden aan de te maken of te repareren verbindingen. Houd hierbij rekening met de onderstaande criteria. Aanbrengen van contacten aan elektrische draad 1. Draad met gereduceerde isolatiedikte, met behoud van de mechanische eigenschappen, voor toepassing van 0,5 t/m 2,5 mm2. 2. Draad met normale isolatiedikte voor toepassing van 4 tot en met 120 mm2. 3. Draad met verschillende temperatuurbereiken: T1: van 40°C tot +70°C (in opbouw en chassis) en T2: van 40°C tot +100°C (in motorruimte en versnellingsbak). Opmerking: Met het oog op de mechanische sterkte is de minimaal toe te passen aderdoorsnede 1 mm2, met uitzondering van de cabinebedrading. Deze kan op bepaalde plaatsen 0,5 mm2 zijn. Om de betrouwbaarheid van systemen en verbindingen te garanderen, dienen bij reparatie of uitbreiding van de bedrading de volgende punten in acht te worden genomen: Kies altijd: 1. het juiste type contact. 2. de juiste draaddiameter voor dat contact. 3. de juiste materiaalsoort van het contact (vertind, verzilverd of verguld). 4. Gebruik het juiste gereedschap. Draadeinden worden altijd aan een contact geklemd. Hiervoor zijn speciale tangen ontwikkeld. Opmerking: Alleen bij gebruik van deze tangen, waarbij het contact in de juiste opening wordt geplaatst, ontstaan betrouwbare verbindingen. 5. Strip de draad op de juiste lengte af. Gebruik altijd een striptang. Vuistregel: striplengte = krimphulslengte + 1 mm. Bij het afstrippen mag het koper niet beschadigd worden, omdat er anders na enige tijd problemen kunnen ontstaan. Opmerking: Een goede verbinding komt pas tot stand als voldaan is aan de punten 1 t/m 5. Dit houdt in dat zowel het koper als de isolatie goed geklemd moeten zijn. DD038500 4-1

5

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen

5

Citea LLE

Draad aan een contact krimpen Kies het juiste krimpgereedschap en plaats het contact in de juiste uitsparing. Het contact mag niet gedraaid, schuin of verschoven (X) in de persklemuitsparing liggen.

ILAh0115

1. Plaats de draad in het contact. 2. Het gestripte draaddeel, de koperen geleider moet in het contactpersdeel (1) liggen. De isolatie van de draad moet in het ontlastdeel (2) liggen. 3. Controleer nogmaals of de draad in de juiste positie in het contact (1 en 2) ligt en druk het contactpersdeel (3 en 4) samen. 4. Onderbreek de contactpersing niet voordat het gereedschap helemaal is samengeperst in de eindstand. Pas dan is de complete contactpersing bereikt en kan het gereedschap worden geopend.

5

ILAh0116

4-2

DD038500

5

Citea LLE

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen

Koperverbinding 1A. Het risico ontstaat dat kopergeleiders gaan uitsteken, waardoor de inklemming van de andere kopergeleiders ook minder wordt. Uiteindelijk kan dit resulteren in kortsluiting en het totaal losraken van het contact. Het contact kan scheuren en het risico bestaat dat de kopergeleiders niet vast genoeg in het contact geklemd zijn. Kopergeleiders zijn niet vast genoeg in het contact geklemd. De draad zal losraken van het contact. Het contact raakt hierdoor beschadigd. De kans bestaat dat het contact op den duur gaat scheuren en de draad dus losraakt van het contact. Het contact raakt beschadigd en de kopergeleiders zijn niet allemaal even vast geklemd in het contact. Losraken van de draad is hierdoor mogelijk. De hoogte van een eventueel ontstane uitstulping van het contact mag maximaal de materiaaldikte van het contact zijn. De breedte van deze uitstulping mag maximaal de helft van de materiaaldikte zijn.

1B.

2A. 2B.

3A en 3B

5

ILAh0076

1A. 1B. 2A. 2B. 3A. 3B. 4. S= X=

Te grote draaddikte Te kleine draaddikte Krimphoogte te hoog (te groot gat in krimptang) Krimphoogte te laag (te klein gat in krimptang) Asymmetrische krimping Symmetrische krimping Goede contactkrimping materiaaldikte scheurvorming

DD038500

4-3

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen

5

Citea LLE

Isolatieverbinding Er zijn verschillende soorten toegestane krimpingen: A. Goede isolatieverbinding: Bij een goede isolatieverbinding wordt de draad met de juiste druk in het ontlastdeel geklemd en wordt de isolatie niet doorbroken. De isolatie is doorbroken: Door een te hoge contactpersingsdruk bestaat de kans dat de isolatie doorbroken wordt, waarbij het risico ontstaat van kortsluiting. Dit kan bijvoorbeeld ontstaan door: - het verkeerde krimpgereedschap te gebruiken; - een te kleine uitsparing in het krimpgereedschap te gebruiken; - een defect in het krimpgereedschap waardoor de contactpersing te laat wordt onderbroken. De isolatie wordt niet omklemd: Door een te lage contactpersingsdruk bestaat de kans dat de isolatie niet vastgeklemd wordt en de draad losraakt, waarbij de elektrische verbinding onderbroken wordt, maar ook de kans op kortsluiting ontstaat. Dit kan bijvoorbeeld ontstaan door: - het verkeerde krimpgereedschap te gebruiken; - een te grote uitsparing in het krimpgereedschap te gebruiken; - een vroegtijdig onderbreken van de contact-persing.

B.

C.

ILAh0077

5

1. Normale krimping; de twee zijden van het ontlastdeel omklemmen de isolatie compleet 2. Dubbele krimping; twee draden worden in één contact geklemd. 3. Overlapkrimping; de twee zijden van het ontlastdeel omklemmen elkaar voor een klein gedeelte. 4. Dubbele overlapkrimping; twee draden worden in één contact geklemd waarbij de twee zijden van het ontlastdeel elkaar voor een klein gedeelte omklemmen. Bij een dubbele krimping altijd de dunste draad onder.

Een verbinding kan gecontroleerd worden door voorzichtig aan de draad te trekken nadat het contact in de connector is gestoken. De vergrendeling van de borgtong in de connector moet dan voelbaar zijn.

ILAh0078

4-4

DD038500

5

Citea LLE

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen

Voorbeelden draad-contactverbindingen A. Niet voldoende naar voren geschoven draad. De draad is niet voldoende naar voren geschoven om een goede stroomoverbrenging en trekontlasting te garanderen. B. Te kort gestript deel van de draad. Hier is het gestripte deel van de draad te kort om een goede stroomoverbrenging te garanderen terwijl een deel van de isolatie beklemd ligt onder het contact-persdeel. C. De draad te ver naar achteren. Als het gestripte deel van de draad te lang is en de draad correct wordt geplaatst ten opzichte van het contactpersdeel, zal de trekontlasting een te klein deel van de draad omsluiten. D. De draad te ver naar voren. Als het gestripte deel van de draad te lang is en de draad correct wordt geplaatst ten opzichte van de trek-ontlasting, zullen de koperen geleiders aan de voorkant te ver voorbij het contactpersdeel steken. E. Niet ingeklemde koperen geleiders. Niet ingeklemde koperen geleiders kunnen leiden tot kortsluiting naar nabijgelegen draden. F. Dit is een correcte verbinding.

ILAh0079

5

DD038500

4-5

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen 4.2 AANBRENGEN VAN EEN SCATAFDICHTING

5

Citea LLE

Scats worden gebruikt op plaatsen waar draden worden blootgesteld aan zware omstandigheden (milieu of toepassing van het voertuig) en dus het risico bestaat dat water in de connector dringt. De Scat-afdichting, die van siliconen is gemaakt, verhindert corrosievorming binnen de connector en houdt de afdichteigenschappen in stand bij temperatuurwisselingen. De Scat-afdichting wordt rondom de draad met het ontlastdeel van het contact samengeperst. De scats zijn leverbaar in verschillende kleuren en maten.

1. Selecteer de juiste scat voor de betreffende draad, contact en connector. 2. Schuif de scat op een ongestripte draad (A). 3. Schuif de scat ver genoeg op de draad en strip de draad op de juiste lengte (B). 4. Schuif de scat weer naar het uiteinde van de gestripte draad zodat het koper nog uit de scat steekt (C). 5. Plaats het contact op de juiste manier (D) om de scat (2) en de gestripte draad (1). 6. Nu moet nog met het juiste krimpgereedschap het contact om de scat en de draad gekrompen worden.

5

ILAh0117

4-6

DD038500

5

Citea LLE 4.3 AANBRENGEN VAN EEN ELEKTRISCHE STOOTVERBINDING

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen

Een stootverbinding wordt gemaakt als minimaal twee draadeinden met elkaar verbonden moeten worden. Dit kan noodzakelijk zijn vanwege een draadreparatie of ais er een draad moet worden toegevoegd bij een aansluiting. Wordt een nieuwe draad aan een bestaande draad gezet, dan moet deze draad dezelfde dikte hebben. Als een stuk van de bestaande draad verwijderd moet worden, probeer er dan rekening mee te houden dat het draadnummer nog makkelijk terug te vinden is op de draad.

Het contactkrimpdeel (1) is de elektrische verbinding met het gestripte draaddeel. De middenstop (2) is een begrenzing, zodat de te verbinden bedrading niet te ver ingestoken kan worden. De isolatie is een krimpisolatiehuis met lijmlaag (3) die na verwarmen door middel van een föhn een bescherming vormt tegen ongewenst elektrisch contact en corrosie. Er zijn drie verschillende stootverbinders beschikbaar: rood, blauw en geel. Afhankelijk van de te verbinden draaddikten (en eventueel de hoeveelheid te verbinden draden) moet een bepaalde kleur worden toegepast. · rood diameter 0,25 - 0,75 mm2 · blauw diameter 1,0 - 2,5 mm2 · geel diameter 4,0 - 6,0 mm2.

5

Het is niet aan te raden om meer dan twee draden met elkaar te verbinden. De lijmlaag van de krimpisolatie is niet voldoende om alle kieren die dan ontstaan, af te dichten. Zeker buiten de opbouw is dit dus niet toegestaan.

ILAh0080

Het is zeer belangrijk dat het contactkrimpen op de juiste manier wordt uitgevoerd om elektrische storingen te voorkomen. Voor het ontstaan van een koude samenvloeiing is een contactkrimptang nodig. Met deze tang wordt een koude samenvloeiing tussen draad en stootverbinder gecreëerd.

ILAk0026

DD038500

4-7

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen

Aanbrengen contactkrimpverbinding 1. Selecteer de juiste stootverbinder voor de te verbinden draden. Wanneer er om één of andere reden toch 3 draden van gelijke dikte verbonden moeten worden, kies dan een stootverbinder die de diameter van de 2 draden heeft. De enkele draad aan de andere zijde moet tot de dubbele lengte gestript en dubbelgevouwen worden. Dit moet ook gebeuren als aan één zijde een dubbel zo dikke draad toegepast wordt. 2. Strip de draad tot een lengte van 4 tot 5 mm. Het gestripte draaduiteinde mag niet worden getwist. 3. Kies het juiste contactkrimpgereedschap uitgaande van de stootverbinder en draaddikte en controleer welke uitsparingen moeten worden gebruikt. 4. Plaats de stootverbinder in de uitsparing van de tang en klem deze voorzichtig dicht, zodat de stootverbinder in de uitsparing blijft zitten.

5

Citea LLE

ILAh0118

5

5. Schuif de gestripte draaduiteinden in de zijde van de stootverbinder die door het contactkrimpgereedschap wordt omklemd. De isolatie van de draad mag niet in het contactdeel van de stootverbinder geschoven worden.

ILAh0119

6. Druk de contactkrimptang samen. Breek de contactkrimping niet af voordat het gereedschap helemaal is samengeperst tot de eindstand. Pas dan is een complete contactkrimping bereikt en wordt het gereedschap geopend. 7. Herhaal dit ook voor de andere uiteinden van de stootverbinder. 8. Controleer of de contactkrimping niet beschadigd is en trek aan de draden om zeker te zijn dat deze goed vastzitten. Een slechte contactkrimping betekent een slechte verbinding die storingen kan veroorzaken. Vermijd het inademen van de dampen die vrijkomen tijdens het verwarmen van de krimpisolatie. 9. Verwarm de krimpisolatie zodat deze nauw aansluit op de draadisolatie. Zorg ervoor dat de isolatie niet verbrandt. Door verbranding van de isolatie wordt deze bros en zal gemakkelijk breken of scheuren. 4-8 DD038500

ILAh0120

5

Citea LLE 4.4 VERWIJDEREN EN AANBRENGEN MASSADRAAD

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen

Een belangrijke controle bij storingen in het elektrisch systeem is de massaverbinding, waarbij de massaverbinding op het chassis bijzondere aandacht verdient. Aandachtspunten controleren massaverbinding chassis Indien een massaverbinding is losgenomen en weer wordt gemonteerd, moet er op de volgende punten worden gelet: · De bout, moer, massastrip en sluitringen moeten worden gereinigd (bijvoorbeeld met een staalborstel of schuurpapier). Indien een onderdeel is gecorrodeerd, moet dit worden vervangen door een nieuw onderdeel. · Het chassis moet ter plaatse van de motor/ chassis-massaverbinding aan beide zijden van de chassisbalk worden gereinigd van alle vuil en lak, zodat er blank metaal te zien is. · Het chassis moet ter plaatse van de accu/ chassis-massaverbinding aan de binnenzijde van de chassisbalk worden gereinigd van alle vuil en lak, zodat er blank metaal te zien is.

ILAh0121

· Aan de massastripzijde moet het gereinigde vlak groter zijn dan het aanlegvlak van de massastrip. · Aan de moerzijde moet het gereinigde vlak groter zijn dan het aanlegvlak van de moer. · De massaverbinding dient na montage aan beide zijden te worden voorzien van een beschermende zinkprimer en lak.

5

DD038500

4-9

REPARATIE BEDRADING

Verbindingen 4.5 REPARATIE CAN-NETWERKBEDRADING

5

Citea LLE

Bij vervanging/reparatie van de CAN-bedrading moeten de originele gewikkelde draadlengten en draaddiameters in acht worden genomen, waarbij voor de gewikkelde draadlengte een tolerantie van 10% wordt toegestaan. Wikkeldichtheid 40-50 omw/m. Bij reparatie aan de bedrading moet de wikkeldichtheid intact worden gehouden, waarbij het is toegestaan dat de bedrading ter plaatse van de reparatie over een afstand van maximaal 60 mm niet is gewikkeld. Bij een reparatie moet de bedrading aan het uiteinde en in het midden worden omklemd door een draadbinder.

ILAh0081

Vervangen van CAN-draad 1. Meet de lengte van de oorspronkelijke draad op in ongetwiste toestand.

5

2. Meet de dikte van de oorspronkelijke draad. Neem altijd een draad met een gelijke dikte of als de dikte niet beschikbaar is, de daarna hogere afmeting. 3. Kies bij voorkeur een draad van dezelfde kleur als de oorspronkelijke draad. 4. Volg de routing van de oorspronkelijke draad en bevestig de draad op de originele manier.

4 - 10

DD038500

5

Citea LLE

ACCU'S

ACCU'S

6

DD038500

ACCU'S

5

Citea LLE

6

DD038500

5

Citea LLE

ACCU'S

Veiligheidsvoorschriften

1.

1.1

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

ACCU'S ALGEMEEN

· Verwijder bij werkzaamheden aan accu's altijd eerst de massakabel. Breng bij het aanbrengen van de accukabels altijd als laatste de massakabel aan. · Behandel accu's altijd voorzichtig en houd ze rechtop. · Het zwavelzuur dat zich in accu's bevindt, is een agressieve en giftige vloeistof. Draag bij werkzaamheden aan accu's beschermende kleding, handschoenen en een beschermende bril. Bij contact met kleding, huid of ogen onmiddellijk spoelen met een ruime hoeveelheid water. Roep in geval van contact met de ogen of huid medische hulp in. Draag geen nylon kleding vanwege de vorming van statische elektriciteit. · Laat tijdens het bijvullen van de accu het elektrolytpeil niet verder stijgen dan 10 mm boven de platen of tot aan de niveau-indicator. · Leg geen gereedschap of andere materialen, die per ongeluk de accupolen zouden kunnen kortsluiten, op of in de nabijheid van accu's. Door kortgesloten accupolen kan de accu exploderen. · Gebruik geïsoleerd gereedschap. · Zet de accu's na de werkzaamheden goed vast, maar niet te vast. · Vervang de accu's bijvoorkeur gelijktijdig.

6

DD038500

1-1

ACCU'S

Veiligheidsvoorschriften 1.2 ACCU LADEN

5

Citea LLE

· Tijdens het laden van accu's kan een explosief gas-mengsel vrijkomen. Laad accu's uitsluitend in een goed geventileerde ruimte. Roken, open vuur en vonkvorming zijn ten strengste verboden. · Laat bevroren accu's voor het opladen eerst ontdooien. · Schakel het laadapparaat uit, voordat de kabels naar de accu worden losgenomen. · Start het voertuig nooit met behulp van een snellader.

6

1-2

DD038500

5

Citea LLE

ACCU'S

Algemeen

2.

2.1

ALGEMEEN

ALGEMEEN

· Hoe vaker de accu's ontladen raken, des te minder lang gaan de accu's mee. · De levensduur van de accu's worden bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De accu's verliezen na verloop van tijd aan startcapaciteit en moeten daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of slechts korte afstanden met het voertuig wordt gereden. Ook bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af. · Voor de maximale levensduur dienen de accu's altijd volledig opgeladen te blijven. · Als het voertuig overwegend wordt gebruikt voor korte ritten of gedurende langere tijd buiten bedrijf wordt gesteld, dient de laadtoestand van de accu vaker gecontroleerd te worden of men dient de accu's met een druppel lader continue onder spanning te houden. · Schakel de massa-verbreekschakelaar bij het voor langere tijd buiten bedrijf stellen van het voertuig UIT. · Vervang de accu's bijvoorkeur gelijktijdig.

6

DD038500

2-1

ACCU'S

Algemeen 2.2 OPENEN EN SLUITEN ACCUBAK

5

Citea LLE

Openen accubak 1. Schakel het contact en de hoofdschakelaar uit en wacht 5 minuten. 2. Open het serviceluik linksvoor. 3. Verwijder borgpen (1) en ontgrendel de accubak met hendel (2). 4. Draai de accubak naar buiten.

ILAh0771

Sluiten accubak 1. Sluit de accubak en vergrendel deze. 2. Controleer of haak (3) correct is aangebracht. Borg hendel (2) met borgpen (1). 3. Sluit het serviceluik.

6

2-2

DD038500

5

Citea LLE 2.3 ACCUKABELS LOS- EN VASTMAKEN

Er bestaat de kans op kortsluiting indien de plus-kabel van de accu in contact komt met voertuigdelen. Bij kortsluiting kan het explosieve knalgas ontploffen. Leg geen metalen voorwerpen of gereedschap op de accu's. Verwijder bij het verwijderen van de accuklemmen éérst de zwarte min (-) kabel en daarna pas de rode (+) plus-kabel. Sluit bij het aanbrengen van de accuklemmen éérst de rode (+) plus-kabel en daarna pas de zwarte min (-) kabel. De DTCO tachograaf slaat een foutcode op als de accuklemmen worden losgemaakt. In sommige landen wordt de foutcode opgevat als een wettelijke overtreding. Om te voorkomen dat de eenheid een foutcode opslaat bij het verwijderen van de accukabels, gebruik een DTCO werkplaats kaart in de eenheid terwijl u de accu loskoppelt. Accuklemmen losmaken 1. Schakel alle elektrische verbruikers uit. 2. Zet het contact en de hoofdschakelaar UIT. Verwijder indien van toepassing de contactsleutel. 3. Wacht na het uitschakelen van het contact en de hoofdschakelaar 5 minuten. 4. Open het serviceluik linksvoor. 5. Open de accubak, zie 6 - 2.2 Openen en sluiten accubak ( 2 - 2). 6. Bij beide accu's eerst de min- en daarna pas de pluskabels losnemen.

ACCU'S

Algemeen

6

ILAh0770

Accuklemmen aansluiten 1. Controleer of het contact en de hoofdschakelaar UIT staan. Verwijder indien van toepassing de contactsleutel. DD038500 2-3

ACCU'S

Algemeen

2. Controleer of alle elektrische verbruikers uit staan. 3. Controleer of de accu-polen en klemmen schoon en goed ingesmeerd zijn met vaseline. Smeer ze indien nodig in met zuurvrije vaseline. 4. Bij beide accu's eerst de plus- en daarna de min-kabels aansluiten. 5. Sluit de accubak, zie 6 - 2.2 Openen en sluiten accubak ( 2 - 2). 6. Sluit het serviceluik.

5

Citea LLE

6

2-4

DD038500

5

Citea LLE 2.4 ACCU'S UIT- EN INBOUWEN

Een accu weegt ± 60 kg. Gebruik geschikt hijsgereedschap.

ACCU'S

Algemeen

Als een accu moet worden vervangen, is het van belang dat beide accu's tegelijkertijd worden vervangen. Als slechts een van de accu's wordt vervangen, dan wordt de levensduur van beide accu's verkort. Retourneer oude accu's voor een milieuvriendelijke verwerking.

Uitbouwen 1. Schakel het contact en de hoofdschakelaar uit en wacht 5 minuten. 2. Open het serviceluik linksvoor. 3. Open de accubak, zie 2.2 Openen en sluiten accubak ( 2 - 2). 4. Maak de accukabels los, zie 2.3 Accukabels los- en vastmaken ( 2 - 3). 5. Maak de bevestigingsbanden (5) los en verwijder de montagebalk (6). 6. Verwijder de accu's een voor een.

6

ILAh0771

Inbouwen 1. Breng de accu's aan in de accubak. 2. Breng de montagebalk (6) en bevestigingsbanden (5) aan. 3. Sluit de accukabels aan, zie 2.3 Accukabels los- en vastmaken ( 2 - 3). 4. Sluit de accubak, zie 2.2 Openen en sluiten accubak ( 2 - 2). 5. Sluit het serviceluik. DD038500 2-5

ACCU'S

Algemeen 2.5 REINIGEN ACCU'S

5

Citea LLE

De staat van de accu's dient regelmatig te worden gecontroleerd. Vervuilde accuklemmen en accu's kunnen leiden tot stroomlekkage en spanningsafname. Zorg er daarom voor dat de accuklemmen, accupolen en de deksel van de accu altijd schoon en droog zijn. · Reinig de accu alleen met gesloten vuldoppen. · Reinig het deksel met warm water en zeep. Gebruik geen oplosmiddelen. · Houd polen en klemmen licht ingevet met zuurvrije vaseline of een gelijkwaardig product. · Afzettingen aan de polen kan men met een koperborstel en lauw water verwijderen. · Controleer de ontluchting van de vuldoppen. Indien nodig, verwijder de vuldop en prik de ontluchting door.

6

2-6

DD038500

5

Citea LLE

ACCU'S

Laden van accu's

3.

3.1

LADEN VAN ACCU'S

ALGEMEEN

· Een accu mag alleen met gelijkstroom worden geladen. De pluspool van de accu moet met de plusaansluiting (+) van het laadapparaat worden verbonden en de minpool van de accu met de negatieve aansluiting (-) van de lader. De celafdichtingsstoppen kunnen tijdens het laden (met uitzondering van het snelladen) op de accu blijven. Tijdens het laden zal de celspanning stijgen. Deze spannings-stijging is afhankelijk van de toegepaste laadstroom en temperatuur. De celspanning zal bij normale lading van circa 2 volt/cel oplopen tot circa 2,65 volt/cel. Bij overschrijding van een laadspanning van circa 2,35 tot 2,4 volt/cel (circa 14,2 volt bij een 12 V-accu) begint een levendige gasontwikkeling. Als gevolg van de stijgende spanning tijdens het laden zal de laadstroom gewoonlijk geleidelijk afnemen. Overlading is schadelijk voor de levensduur van een accu. · Overlaad de accu NOOIT! Overladen en ook laden met een laadstroom hoger dan 20% van de capaciteit (Ah/20h), veroorzaakt een hoog waterverbruik en reduceert de levensduur. Door onnodig doorladen (ook met kleine stroom) als de accu volgeladen is, treedt corrosie (aantasting) op van de roosters van de positieve accuplaten. Deze vorm van slijtage leidt ertoe dat de accu vroegtijdig onbruikbaar raakt. Afhankelijk van het vermogen van het laadapparaat ligt de normale laadtijd tussen 8 en 15 uur. Indien tijdens het laden het accuzuur een temperatuur van 55°C overschrijdt, dient het laden onderbroken te worden. Een hoge temperatuur is schadelijk voor de levensduur van een accu. · Controleer altijd het soortelijk gewicht van het elektrolyt na het laden. Een accu moet als geladen worden beschouwd, indien de laadspanning gedurende 2 uur niet meer toeneemt en de zuurdichtheid (soortelijke massa) de nominale waarde (1,280 kg/dm3 voor accuzuur en 1,240 kg/dm3 voor tropenzuur) bereikt heeft en niet verder oploopt. · Een geladen accu moet direct in gebruik worden genomen. Is dit niet mogelijk, dan moet de accu worden onderhouden zoals beschreven in het hoofdstuk "Opslag van accu's", zie 6 - 4. Opslag van accu's ( 4 - 1). · Een ontladen accu moet zo snel mogelijk worden geladen. Indien een ontladen accu niet wordt bijgeladen, gaan de accuplaten sulfateren (dit is het verharden van de accuplaten), waardoor blijvend capaciteitsverlies optreedt.

6

DD038500

3-1

ACCU'S

Laden van accu's

· Neem nooit de accuklemmen los bij een draaiende motor, om beschadiging van elektronische componenten te voorkomen. · Sluit eerst de plusklem (+) van het laadapparaat aan op de pluspool (+) van de accu en daarna de minklem (-) op de minpool (-). · Schakel het laadapparaat uit, voordat de kabels van het laadapparaat worden losgenomen, om vonkvorming en explosiegevaar te voorkomen. · Maak bij het verwijderen eerst de minklem (-) los en daarna de plusklem (+).

5

Citea LLE

6

3-2

DD038500

5

Citea LLE 3.2 LAADMETHODEN

Verwijder voor het laden altijd de accuklemmen.

ACCU'S

Laden van accu's

Normaalladen · Normaalladen dient om een geheel of gedeeltelijk ontladen accu weer op 100% capaciteit te brengen. Meestal wordt een laadstroom gekozen van 1/20 tot 1/10 van de capaciteit. · Van belang zijn het reduceren van de laadstroom tijdens gasontwikkeling en het uitschakelen als de accu vol is. Snelladen · Bij deze laadmethode wordt met een veelvoud van de normale laadstroom (circa drie tot vijfvoudig) gewerkt, teneinde in de kortst mogelijke tijd tot een acceptabele ladingstoestand te komen. · Verwijder voor het snelladen de accukabels om beschadiging van de elektronische componenten te voorkomen. · Verwijder de celafdichtingsstoppen, zodat vrijkomende gassen beter kunnen ontwijken. · Om overlading te voorkomen, dient men bij het bereiken van de gasspanning (2,35 tot 2,4 volt/cel) op een gereduceerde laadstroom over te schakelen. Vermijd snelladen. Snelladen mag slechts bij uiterste noodzaak worden toegepast. De accu wordt door snelladen overbelast, waardoor de levensduur van de accu afneemt. Bufferladen · Hierbij zijn de verbruiker en de lader beide op de accu aangesloten. De lader levert zodanig stroom, dat de accu praktisch vol blijft. De accu levert stroompieken aan de verbruiker. · Bufferladen kan het best bij een constante (gestabiliseerde) spanning plaatsvinden. Druppelladen · Indien de accu vol is, maar niet op korte termijn wordt gebruikt, treedt zelfontlading op. Deze kan 0,1% tot 1% per dag bedragen. Door druppelladen wordt deze zelfontlading gecompenseerd. · De laadstroom bij druppelladen moet circa 0,1 A per 100 Ah bedragen.

6

DD038500

3-3

ACCU'S

Laden van accu's

5

Citea LLE

6

3-4

DD038500

5

Citea LLE

ACCU'S

Opslag van accu's

4.

4.1

OPSLAG VAN ACCU'S

ALGEMEEN

Voer voor de opslag van de accu's de onderstaande werkzaamheden uit. Werkzaamheden 1. Verwijder de accuklemmen. 2. Reinig de accupolen en de bovenzijde van de accu's. 3. Vet de accupolen in met vaseline. 4. Controleer de ladingstoestand van de accu's en laad deze zo nodig bij, zie 6 - 5.3 Controle van de ladingstoestand ( 5 - 3). 5. Controleer het elektrolytniveau. Dit moet circa 10 mm boven de platen staan of, indien aanwezig, tot aan de niveau-indicator. Vul de accu's zo nodig bij met gedestilleerd water.

6

DD038500

4-1

ACCU'S

Opslag van accu's 4.2 OPSLAG TOT 4 WEKEN

5

Citea LLE

Indien de accu's (los of in een voertuig) gedurende langere tijd (maximaal 4 weken) niet worden gebruikt, moeten onderstaande maatregelen worden genomen. Maatregelen 1. Verwijder de accuklemmen. 2. Controleer de ladingstoestand van de accu's regelmatig, met name bij lage temperaturen, zie 6 - 5.3 Controle van de ladingstoestand ( 5 - 3). Indien de spanning onder 12,54 volt komt of de soortelijke massa van het elektrolyt in een of meer cellen lager is dan 1,250 kg/dm3 (1,240 bij accu's met tropenzuur), moet de accu worden geladen. Hoe lager de soortelijke massa van het elektrolyt, des te eerder zal de accu bevriezen.

6

4-2

DD038500

5

Citea LLE 4.3 OPSLAG LANGER DAN VIER WEKEN

ACCU'S

Opslag van accu's

Indien de accu's langer dan 4 weken niet worden gebruikt, moeten onderstaande maatregelen worden genomen. Maatregelen 1. Verwijder de accu's uit het voertuig en sla de accu's op in een vorstvrije, droge, koele en goed geventileerde ruimte. 2. Controleer de ladingstoestand van de accu's regelmatig, minimaal eens per 4 weken, zie 6 - 5.3 Controle van de ladingstoestand ( 5 - 3). Indien de spanning onder 12,54 volt komt of de soortelijke massa van het elektrolyt in een of meer cellen lager is dan 1,250 kg/dm3 (1,240 bij accu's met tropenzuur), moet de accu worden geladen. 3. Beperk de opslag tot maximaal drie maanden. Hoe langer de opslag, des te groter het blijvende capaciteitsverlies.

6

DD038500

4-3

ACCU'S

Opslag van accu's

5

Citea LLE

6

4-4

DD038500

5

Citea LLE

ACCU'S

Controleren van accu's

5.

5.1

CONTROLEREN VAN ACCU'S

VISUEEL CONTROLEREN

· Een witte scheidingslijn op 1/3 van de plaathoogte (door transparante accubakken zichtbaar) wijst erop dat men de accu in een diepontladen toestand heeft laten staan. · Is het elektrolyt bruinkleurig en verbruikt de accu veel water, dan wijst dit op het overladen van de accu. · Is het elektrolyt troebel, melkachtig en zijn de cellen wit uitgeslagen, dan is de accu door gebrek aan lading beschadigd (diepe ontlading).

6

DD038500

5-1

ACCU'S

Controleren van accu's 5.2 CONTROLEREN VLOEISTOFNIVEAU ACCU

In de nabijheid van de accu's vonkvorming en open vuur vermijden. Accuzuur is een agressieve vloeistof. Bij huidcontact: de huid onmiddellijk met soda of zeepsop neutraliseren en met veel water naspoelen; bij blijvende roodheid of pijn arts raadplegen; verontreinigde kleding uittrekken neutraliseren met soda of zeepsop en naspoelen met veel water. Bij oogcontact: minimaal 15 minuten met schoon stromend water uitspoelen, arts raadplegen. Na inslikken: GEEN braken opwekken, mond spoelen, en veel water drinken, direct een arts raadplegen. Na inademen: veel frisse lucht toedienen, rust, arts raadplegen.

5

Citea LLE

1. Controleer het elektrolytniveau bij alle 6 cellen. Is deze onder de op de accubak aangegeven MIN streep, of onder de in het vulgat aanwezige indicator (wit kruis). Vul de accu's dan bij met gedestilleerd water. 2. Controleer de accu-behuizing op lekkage. Maak het deksel van de accu schoon en droog.

6

ILAh0001

Controle ladingstoestand: 1. Wanneer u twijfelt aan de ladingstoestand van de accu, kunt u deze controleren, zie 6 - 5.3 Controle van de ladingstoestand ( 5 - 3).

5-2

DD038500

5

Citea LLE 5.3 CONTROLE VAN DE LADINGSTOESTAND

ACCU'S

Controleren van accu's

Soortelijke massa · Door het laden en ontladen van de accu ontstaat er een chemische reactie in de accu, waarbij zwavelzuur is betrokken. De concentratie van het zwavelzuur daalt naarmate de accu verder is ontladen. De concentratie gemeten als soortelijke massa (kg/dm3) is een bruikbare maatstaf voor de ladingstoestand van de accu. · Voor het controleren van de ladingstoestand kan gebruik worden gemaakt van een zuurweger. Soortelijke massa bij 27°C in kg/dm3. Geladen accu Halfgeladen accu Ontladen accu : : : 1,28 1,20 1,10

· Bij sterk afwijkende temperaturen zijn meetcorrecties nodig. Per 7°C lagere temperatuur moet 0,005 punt van de gemeten waarde worden afgetrokken. Per 7°C hogere temperatuur moet 0,005 punt bij de gemeten waarde worden opgeteld. Als de accu in goede staat verkeert, moet de soortelijke massa in alle cellen gelijk zijn. Het verschil tussen hoogste en laagste soortelijke massa mag maximaal slechts 0,03 kg/dm3 bedragen. Indien de soortelijke massa bij één cel sterk achterblijft, kan dit een gevolg zijn van celsluiting. Indien de soortelijke massa van twee naast elkaar liggende cellen sterk achterblijft, duidt dit op lekkage in het tussenschot. In beide gevallen moet de accu worden vervangen.

6

DD038500

5-3

ACCU'S

Controleren van accu's

Relatie tussen ladingstoestand, zuursterkte en klemspanning De zuursterkte van het elektrolyt is afhankelijk van de temperatuur. Bij temperaturen lager dan 20°C wordt het zuur "dikker" door krimp en zal dus een hogere waarde afgelezen worden. Bij temperaturen hoger dan 20°C geldt het omgekeerde. Als vuistregel kan genomen worden dat bij elke 7°C lager dan 20°C de zuursterkte met 0,005 toeneemt en bij elke 7°C hoger dan 20°C de zuursterkte met 0,005 afneemt.

5

Citea LLE

ILAh0160

1. Ladingstoestand 2. Zuursterkte 3. Klemspanning Temperatuur (°C) Gemeten zuursterkte (kg x l-1 6 13 20 27 34 1,290 1,285 1,280 1,275 1,270 Gecorrigeerde zuursterkte (kg x /-1) bij 20°C 1,280 1,280 1,280 1,280 1,280

6

Spanning · De ladingstoestand van accu's kan ook door middel van een gevoelige, liefst digitale voltmeter worden gemeten. Deze methode kan slechts 1 tot 2 uur na totale beëindiging van lading of ontlading plaatsvinden. Men meet dan de absolute rustspanning (de plus- en minklem moeten van de accu zijn verwijderd). De ladingstoestand kan worden berekend uit de formule: spanning per cel = soortelijke massa (kg/dm3) + 0,84. Voorbeeld Bij een geheel geladen accu is de soortelijke massa per cel 1,28 kg/dm3. Dus de spanning per cel is 1,28 + 0,84 = 2,12 V. Een 12 V-accu heeft 6 cellen. De totale spanning bij een geladen accu bedraagt 6 x 2,12 = 12,72 V. Bij een half geladen accu bedraagt de spanning circa 12,24 V. Bij een ontladen accu bedraagt de spanning circa 11,75 V.

5-4

DD038500

5

Citea LLE 5.4 CONTROLE MET ACCUTESTER

ACCU'S

Controleren van accu's

· Met behulp van een accutester kan een snelle meting worden uitgevoerd, om globaal de conditie van de accu te testen. Hierbij wordt de accu belast, waarna de ontlaadspanning op de accupolen wordt gemeten. De belasting op de accu moet minstens 3x de capaciteit van de accu zijn. · Stelregel is dat de test kan worden uitgevoerd als de accu voldoende geladen is (soortelijke massa 1,25 - 1,28 kg/ dm3). Bij normale temperatuur (10-20°C) moet de belaste spanning bij een goed geladen accu na 10 seconden 10 volt bedragen. Bij een gedeeltelijk ontladen accu (soortelijke massa 1,25 kg/dm3) moet men minstens 9 volt meten. Van belang is dat de spanning dan direct op de accupolen wordt gemeten.

6

DD038500

5-5

ACCU'S

Controleren van accu's

5

Citea LLE

6

5-6

DD038500

5

Citea LLE

ACCU'S

Starthulp

6.

STARTHULP

Beide systemen moeten dezelfde accuspanning hebben (24V).

Veroorzaak geen vonken omdat daardoor de accu's kunnen exploderen. Raak de klemmen tijdens het starten niet aan. Gebruik dikke startkabels, minimaal 25 mm2, met geïsoleerde klemmen.

Starthulp mag alleen met behulp van accu's worden gegeven. Een hulpstartvoorziening kan een te groot voltage leveren wat schade veroorzaakt aan de elektrische systemen van het voertuig. Start de motor NOOIT met behulp van een snellader!

Voorkom dat beide voertuigen elkaar raken. Indien het voertuig gestart wordt met een afzonderlijke accu (ongeveer 24V), of met behulp van een ander voertuig met een lopende motor (ongeveer 28V), mogen de accukabels niet los genomen worden.

6

DD038500

6-1

ACCU'S

Starthulp 6.1 STARTHULP MET NATO-STEKKER

5

Citea LLE

De NATO-stekker bevindt zich linksvoor achter het serviceluik. De exacte positie van de NATO-stekker is per voertuig verschillend.

De accukabels mogen bij starthulp nooit losgenomen worden. 1. Schakel het contact en hoofdschakelaar van beide voertuigen uit. 2. Open het serviceluik linksvoor. 3. Controleer of de hulpstartbron de juiste spanning heeft (24 V). 4. Schroef het deksel van de NATO-stekker los en draai deze opzij. 5. Steek de hulpstartkabel met NATO-contrastekker in de NATO-stekker van het voertuig met de lege accu (stroomontvanger). 6. Sluit de hulpstartkabels/NATO-stekker aan op de accu van het hulpvoertuig. 7. Start de motor van het hulp-voertuig (stroomleverancier). Laat die motor gedurende 1 minuut draaien met een iets verhoogd toerental. 8. Start dan het voertuig met de lege accu's.

ILAh0774

6

Ga als volgt te werk indien de motor loopt en de accu minimaal 5 minuten opgeladen is.

1. Schakel zoveel mogelijk stroomverbruikers in (bijvoorbeeld: koplampen, mistlampen, verwarming, ventilators, etc.). 2. Verwijder de NATO-stekker/Hulpstartkabels, eerst bij het voertuig met de lege accu's en daarna bij het hulpvoertuig. Verwijder, bij het losmaken, eerst de kabel van de negatieve (-) klemmen en dan van de positieve klemmen (+). In geval de accu volledig leeg is en de gestarte motor loopt, dan is het belangrijk de startkabels/NATO-stekker niet onmiddellijk te verwijderen. Om schade aan het elektrisch systeem door spanningspieken te voorkomen, dient de motor minstens 5 minuten te draaien alvorens de startkabels/NATO-stekker te verwijderen. 3. Schakel daarna de stroomverbruikers weer uit. 4. Breng het deksel van de NATO-stekker weer aan. 6-2 DD038500

5

Citea LLE

5. Sluit het serviceluik.

ACCU'S

Starthulp

6.2

STARTHULP MET HULPACCU'S

De accukabels mogen bij starthulp nooit losgenomen worden.

1. Open het serviceluik linksvoor. 2. Open de accubak, zie 2.2 Openen en sluiten accubak ( 2 - 2). 3. Controleer of de hulpaccu (B) de juiste spanning heeft (24 V). 4. Schakel het contact en hoofdschakelaar van beide voertuigen uit. 5. Sluit de startkabels eerst aan op de positieve (+) accuklemmen en dan op de negatieve (-) accuklemmen, voor de volgorde zie afbeelding. Om vonkvorming te voorkomen moeten de klemmen goed vastzitten. 6. Start de motor van het voertuig met de hulpaccu. Laat die motor gedurende 1 minuut draaien met een iets verhoogd toerental. 7. Start dan het voertuig met de lege accu's. Ga als volgt te werk indien de motor loopt en de accu minimaal 5 minuten opgeladen is.

ILAh0772

A. Accu's met lage spanning B. Volledig geladen accu

6

1. Schakel zoveel mogelijk stroomverbruikers in (bijvoorbeeld: koplampen, mistlampen, verwarming, ventilators, etc.). 2. Maak de hulpstartkabels los. Hierbij mag de motor alléén stationair draaien. 3. Verwijder, bij het losmaken, eerst de kabel van de negatieve (-) klemmen en dan van de positieve klemmen (+). In geval de accu volledig leeg is en de gestarte motor loopt, dan is het belangrijk de startkabels niet onmiddellijk te verwijderen. Om schade aan het elektrisch systeem door spanningspieken te voorkomen, dient de motor minstens 5 minuten te draaien alvorens de startkabels te verwijderen. 4. Schakel daarna de stroomverbruikers weer uit. 5. Sluit de accubak, zie 2.2 Openen en sluiten accubak ( 2 - 2). 6. Sluit het serviceluik.

DD038500

6-3

ACCU'S

Starthulp 6.3 OPLADEN VAN ACCU'S

Neem nooit de accuklemmen los bij een draaiende motor!

5

Citea LLE

Zorg tijdens het opladen van de accu's met een acculader voor een goed geventileerde omgeving en vermijd vonkvorming en open vuur in verband met explosiegevaar. Overlaad de accu NOOIT! Overladen en ook laden met een laadstroom hoger dan 20% van de capaciteit (Ah/20h), veroorzaakt een hoog waterverbruik en reduceert de levensduur. Verbreek altijd de massaverbinding van de accu bij werkzaamheden aan de elektrische installatie. Leg nooit gereedschap op een accu. Dit kan kortsluiting veroorzaken en in het ergste geval explosie van de accu tot gevolg hebben. Laat bevroren accu's voor het laden eerst ontdooien. Verwijder alle vuldoppen voor het laden.

6

6.3.1

LADEN OP DE ACCUPOLEN De hierna volgende beschrijving voor het opladen van de accu dient slechts ter informatie. Volg altijd de voorschriften van de leverancier van het laadapparaat op.

· Laad de accu langzaam, met een lage stroomsterkte (amperage) gedurende ca. 24 uur op. Als men de accu langer oplaadt, kan de accu beschadigen. · Gebruik slechts in uiterste noodzaak een snellader. De belasting van de accu's bij snel laden is erg hoog en kan nadelige invloed hebben op de levensduur van de accu's. · Voor het `snel' laden MOETEN, om schade aan de voertuigelektronica te voorkomen, beide accukabels worden losgenomen. 1. Verwijder de accu, zie 2.4 Accu's uit- en inbouwen ( 2 - 5), of maak de klem van de minpool (-) op de accu los, zie 2.3 Accukabels los- en vastmaken ( 2 - 3). 2. Sluit de plusklem (+) van de acculader aan op de plusklem (+) van de accu. 3. Sluit de minklem (-) van de acculader aan op de minklem (-) van de accu.

6-4

DD038500

5

Citea LLE

4. Het laadapparaat dient geschikt te zijn voor de voltage: 12V enkele accu; 24V accu's (2x 12V) in serie. 5. Zet de acculader aan. 6. Schakel na het laden de acculader uit. 7. Maak eerst de minklem (-) los. 8. Maak de plusklem (+) los. 9. Controleer het elektrolytniveau, zie 5.2 Controleren vloeistofniveau accu ( 5 - 2). 10. Monteer de accu, zie 2.4 Accu's uit- en inbouwen ( 2 - 5), of maak de klem van de minpool (-) op de accu los, zie 2.3 Accukabels los- en vastmaken ( 2 - 3).

ACCU'S

Starthulp

6.3.2

LADEN MET DE NATO-STEKKER De hierna volgende beschrijving voor het opladen van de accu dient slechts ter informatie. Volg altijd de voorschriften van de leverancier van het laadapparaat op.

· Laad de accu langzaam, met een lage stroomsterkte (amperage) gedurende ca. 24 uur op. Als men de accu langer oplaadt, kan de accu beschadigen. · Gebruik slechts in uiterste noodzaak een snellader. De belasting van de accu's bij snel laden is erg hoog en kan nadelige invloed hebben op de levensduur van de accu's. · Voor het `snel' laden MOETEN, om schade aan de voertuigelektronica te voorkomen, beide accukabels worden losgenomen. 1. Schakel het contact en de hoofdschakelaar uit en wacht 5 minuten. 2. Open het serviceluik linksvoor. 3. Schroef het deksel van de NATO-stekker los en draai deze opzij. 4. Sluit het laadapparaat op de NATO-stekker aan. Het laadapparaat dient geschikt te zijn voor 24 V. 5. Schakel de acculader in. 6. Schakel aan het einde van het opladen eerst de acculader uit en koppel dan pas de NATO-stekker los. 7. Breng het deksel van de NATO-stekker weer aan. 8. Controleer het elektrolytniveau, zie 5.2 Controleren vloeistofniveau accu ( 5 - 2). 9. Sluit het serviceluik.

6

ILAh0774

DD038500

6-5

ACCU'S

Starthulp

5

Citea LLE

6

6-6

DD038500

5

Citea LLE

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

7

DD038500

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

5

Citea LLE

7

DD038500

5

Citea LLE

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Algemeen

1.

1.1

ALGEMEEN

VEILIGHEIDSBEPALING

Elektrische systemen welke worden toegevoegd aan de elektrische installatie van het voertuig, mogen zich niet zodanig gedragen dat het standaard systeem van het voertuig of de veiligheid in het algemeen negatief worden beïnvloed. Neem te allen tijde eerst de pluspool (+) van de accu los wanneer aan de elektrische installatie moet worden gewerkt. Lees bij laswerkzaamheden de instructies zoals omschreven in 7 - 1.2 Lassen aan het chassis ( 1 - 2).

7

DD038500

1-1

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Algemeen 1.2 LASSEN AAN HET CHASSIS

Lassen aan het chassis is zonder schriftelijke toestemming van VDL Bus & Coach niet toegestaan. Te allen tijde dienen de onderstaande lasinstructies te worden opgevolgd: Lassen aan het chassis · Neem de connectoren van elektrische en elektronische apparatuur (sensoren en actuatoren) en de accuklemmen los indien deze zich binnen 1 meter van het te lassen chassisdeel of massaklem van de lasapparatuur bevinden. · Indien de accu klemmen moeten worden losgenomen moeten ook alle aan het chassis gemonteerde elektronische units én de doorvoerconnectoren worden losgenomen. Lassen aan de opbouw · Volg de bovengenoemde instructies "Lassen aan chassis" op aangevuld met specifieke opbouwinstructies, zie hoofdgroep 1. Algemeen · De massaklem nooit aan voertuigcomponenten zoals motor, assen en veren vastmaken. Ook vonktrekken aan deze delen is niet toegestaan omdat dit schade kan veroorzaken aan o.a. lagers en veren. · De massaklem moet goed contact maken en zo dicht mogelijk bij het te lassen deel geplaatst worden. · Kunststofleidingen, rubberdelen en paraboolveren dienen goed te worden afgeschermd tegen lasspatten en temperaturen boven 70°C. · De accessoire of contactstand van het contactslot mag nooit ingeschakeld zijn. De contactsleutel dient te zijn verwijderd. De hoofdschakelaar en contact-schakelaar dienen in de stand "UIT" staan. · Aansluiten in omgekeerde volgorde van het losnemen. Er moet ten allen tijde een goede massaverbinding tussen chassis, motor en opbouw tot stand worden gebracht. Indien de connectoren niet worden losgenomen, kan ernstige schade ontstaan aan de elektronische units (ECU's) van diverse voertuigsystemen.

5

Citea LLE

7

1-2

DD038500

5

Citea LLE 1.3 PIEKSPANNINGEN

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Algemeen

Alle toe te voegen stroomverbruikers dienen beveiligd te zijn tegen inductieve piekspanningen. Eventueel kan een diodebeveiliging worden gemonteerd. Inductieve piekspanningen mogen bij minimaal 50 Hz niet hoger oplopen dan 40 V. Boven deze waarde kan schade aan de elektrische installatie ontstaan, De beveiligingsdiode zo dicht mogelijk bij de stroomverbruiker plaatsen.

7

DD038500

1-3

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Algemeen 1.4 EMC COMPATIBILITEIT

5

Citea LLE

Onder elektromagnetische compatibiliteit (EMC) wordt verstaan de mate van ongevoeligheid van elektrische systemen voor elektromagnetische storingen. Deze storingsvormen worden elektromagnetische interferentie (EMI) genoemd, en zijn als volgt te verdelen. Storingsvormen 1. Storingen veroorzaakt door magnetische velden welke in principe aanwezig zijn in de buurt van alle elektrische apparaten. Grote stoorbronnen zijn o.a. zendmasten (bijv. voor radio, televisie en mobiele telefonie) en elektriciteitsmasten. 2. Elektromagnetische straling welke veroorzaakt wordt door componenten in het voertuig zelf. Grote stoorbronnen zijn de generator, elektromagneten, motoren voor o.a. elektrische raambediening en elektronica units. 3. De beïnvloeding van de systemen onderling, veroorzaakt door schakelende signalen. Teneinde de invloeden door elektromagnetische interferentie te minimaliseren, dient de opbouwer rekening te houden met de volgende uitgangspunten: · Elektronica systemen welke toegevoegd worden aan het VDL Bus & Coach chassis moeten gecertificeerd zijn volgens de EMI wetgeving 95/54/EEC. · Voor ieder systeem een eigen voedingsdraad en massa gebruiken.Enkel de voedingspunten en massa's gebruiken zoals aangegeven op het elektrisch schema. · De bedrading dient zo dicht mogelijk tegen de VDL Bus & Coach kabelboom te liggen zowel in de opbouw als in het chassis, de kabelboom altijd aan de binnenkant van het chassis leggen om instraling door elektromagnetische velden zoveel mogelijk te voorkomen. · De bedrading van de componenten welke gevoelig voor EMI (raadpleeg leverancier) zijn, dienen getwist te worden. · Te lange bedrading dient ingekort te worden, en het gebruik van lussen moet vermeden worden, door het opbinden van de kabelboom kan de gevoeligheid verminderd worden. In zijn algemeenheid mogen draagbare telefoons of zendapparatuur zonder buitenantenne niet gebruikt worden in het voertuig. De extreem hoge veldsterkten die hierdoor ontstaan in het voertuig kunnen storingen of het uitvallen van de elektronica veroorzaken. Tevens kan dit schadelijk zijn voor de gezondheid vanwege de hoge elektromagnetische velden. Het inbouwen dient derhalve door erkende inbouwstations te geschieden waarbij de correcte aansluiting van de buiten-antenne geverifieerd dient te worden. Het gebruik van draagbare telefoons op korte afstand van een voertuig waarvan het contact aan staat dient vermeden te worden. Voor 27MC en satellietcommunicatieapparatuur geldt hetzelfde als voor draagbare telefoons. 1-4 DD038500

7

5

Citea LLE 1.5 DATACOMMUNICATIE

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Algemeen

Naast de reeds bekende systemen zijn ook een aantal nieuwe systemen toegepast. Zij moeten het gebruiksgemak, de effectiviteit en de veiligheid van het voertuig verder verhogen. De componenten die deze systemen met zich meebrengen vinden in het algemeen een plaats in de opbouw. Enkele van deze nieuwe systemen (met bijbehorende afkortingen) zijn de volgende: · Vehicle Function Controller (VFC) · Controller Area Network (CAN databus) · Motormanagement ISBe4/ISB6.7 motoren (EMC) VFC De VFC is de centrale verwerkingseenheid van waaruit alle informatie wordt gecoördineerd. De functie van de VFC is o.a. informatie die van de voertuigsystemen, schakelaars, sensoren, etc. wordt ontvangen, om te zetten in protocollen voor de verschillende voertuigsystemen en vervolgens gecodeerd weer door te geven. Zo wordt bijvoorbeeld ook alle informatie met het instrumentenpaneel (ICM) uitgewisseld. Met de protocollen worden berichten in volgorde van belangrijkheid op het CAN netwerk (CAN-databus) geplaatst. Bij VDL Bus & Coach voertuigen wordt gebruik gemaakt van twee CAN-netwerken, namelijk de CAN-multibus en de CAN-J1939. De VFC staat d.m.v. de CAN-multibus in verbinding met de voertuigsystemen en de ICM. De aandrijflijn (versnellingsbak (TCM), motor (ECM) en ABS) communiceren onderling via CAN-J1939. De J1939 berichten van de aandrijflijn wordt uitgelezen door de ICM. CAN-bus De CAN-databus is in principe een distributienetwerk van verschillende elektronische signalen. Deze pulsvormige digitale signalen vormen gecodeerde berichten. Deze kunnen verzonden, ontvangen en verwerkt worden door alle zich op dit netwerk bevindende systemen. Elk systeem neemt de informatie die het nodig heeft op van het netwerk. Zo kan een signaal dat door het ene systeem wordt opgewekt ook worden gebruikt door andere systemen. Verder is ieder netwerk opgebouwd uit twee lijnen: CAN-H (hoog) en CAN-L (laag). De draden van deze twee lijnen worden getwist (zonder afscherming) om magnetische beïnvloeding onderling en van buitenaf te voorkomen. CAN bedrading is derhalve altijd herkenbaar, zowel aan de twisting (verstrengeling) als ook aan de kleur, zie 8 - 2. Markering van elektrische bedrading ( 2 - 1). In de Automotive Industry is voor een wereldwijde standaard gekozen m.b.t. de communicatie (gecodeerde berichten) tussen elektrische systemen: · SAE J1939/21 (Society of Automotive Engineers) bekabeling + netwerk · SAE J1939/71 (Society of Automotive Engineers) berichten + protocolafhandeling DD038500 1-5

7

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Algemeen

ISO 11898 is de europese equivalent van de SAE J1939 norm. VDL Bus & Coach heeft gekozen voor de extended CAN 2.0B protocol toepassing. Ook bij VDL Bus & Coach wordt gewerkt volgens deze internationale afspraken. Voor de opbouwer bestaat de mogelijkheid om via "body builder connectoren", interface-panelen of CAN-interface van het bestaande CAN-netwerk gebruik te maken, indien het elektrisch systeem van de opbouw met dezelfde berichtenstructuur en CAN communicatie werkt. Het wijzigen van bestaande kabelbomen in het voertuig, anders dan in de opbouwrichtlijnen wordt aangegeven, is niet toegestaan! De mogelijkheid bestaat dat het CAN-netwerk verzwakt of verstoord wordt, waardoor een mogelijk onveilige, maar in ieder geval onbetrouwbare situatie kan ontstaan.

5

Citea LLE

7

1-6

DD038500

5

Citea LLE 1.6 OVERZICHT NETWERKSYSTEMEN

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Algemeen

Voertuigbesturingssystemen Aantal IOU's VFC - Hardware - Software - Download / diagnose gereedschap ICM - Hardware - Software - Download / diagnosis gereedschap Network - Voertuig multiplex netwerk - ICM - aandrijflijn - opbouwer interface

E4/5/EEV met MOKI dashboard 4 5 kanaals ZR32-A KIBES-32 logiCAD / TEXA DMUX32 Cavtan Cavtan / TEXA M1-can/M2-can (multibus) I-can (J1939) P-can (J1939) K-can (J1939)

7

DD038500

1-7

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Algemeen

5

Citea LLE

7

1-8

DD038500

5

Citea LLE

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Elektrische installatie

2.

2.1

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

SIMULEREN SNELHEIDSSIGNAAL

Het simuleren van het snelheidssignaal, bijvoorbeeld noodzakelijk voor het uitvoeren van een roetmeting, kan op een aantal manieren: 2.1.1 MET EEN DELSI:

Werkwijze 1. Zet het contact en de hoofdschakelaar in de stand "UIT". 2. Verbreek het (ijk)zegel van de kabelboom op de voertuigsnelheidssensor van de versnellingsbak. 3. Sluit de Delsi (VDL Bus & Coach nr. 40694941) aan op de connector van de voertuigsnelheidssensor. Zorg ervoor dat de Delsi in de stand "UIT" staat voordat deze wordt aangesloten. Voor het aansluiten van de DELSI op de connector van de voertuigsnelheidssensor moet een verloopkabel gemaakt worden. De verloopkabel moet bestaan uit: 1. Pin 1: Snelheidssensor, voeding 2. Pin 2: Snelheidssensor, massa 3. Pin 3: Snelheidssensor, "real-time"-snelheids-/afstandssignaal 4. Pin 4: Niet in gebruik 4. Zet de hoofdschakelaar en het contact in de stand "AAN", en start de motor. 5. Draai nu pas aan de Delsi, zodat er een snelheidssignaal op de tachograaf binnenkomt, bv. 10 km/h. De deuren zullen automatisch sluiten

ILAh0128

7

6. Bij het losnemen van de connector van de voertuigsnelheidssensor wordt een fout in de tachograaf opgeslagen. Deze fout kan worden gewist met DAVIE/VDL Bus & Coach diagnoseapparatuur, maar zal wel "zichtbaar" blijven voor de controlerende instanties (blijft in interne geheugen van de tachograaf geregistreerd). Tevens dient de tachograaf opnieuw geijkt te worden.

DD038500

2-1

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Elektrische installatie

2.1.2 MET BEHULP VAN WERKPLAATSKAART (ALLEEN DTCO) + TACHOGRAAFTESTAPPARAAT; BIJVOORBEELD TVI.

5

Citea LLE

Er wordt een fout in de tachograaf opgeslagen. Deze fout kan worden gewist met VDL Bus & Coach diagnose-apparatuur, maar zal wel "zichtbaar" blijven voor de controlerende instanties (blijft in interne geheugen van de tachograaf geregistreerd). Tevens dient de tachograaf opnieuw geijkt te worden. Let op bij het simuleren van de snelheid sluiten de deuren automatisch!

2.1.3

MET EEN TACHOGRAAFTESTER MET SNELHEIDSSIMULATIE-FUNCTIE (BIJVOORBEELD VDO ATC 1601-26)

Werkwijze 1. Sluit de tachograaftester aan op de tachograaf volgens de fabrikant-instructies. 2. Zet de hoofdschakelaar en het contact in de stand "AAN", en start de motor. 3. Stel nu pas een snelheidssignaal in, bijvoorbeeld 10 km/ h. Let op bij het simuleren van de snelheid sluiten de deuren automatisch!

7

2-2

DD038500

5

Citea LLE

2.1.4 MET DE MTCO

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Elektrische installatie

1. Zet de hoofdschakelaar en het contact uit. 2. M-toets indrukken en ingedrukt houden en zet tegelijkertijd de hoofdschakelaar en het contact aan. Deze procedure dient binnen 3 sec. te worden uitgevoerd. Als het contact wordt in- en uitgeschakeld, dan wordt alleen de bestuurdersmodus geactiveerd (menu 26 geblokkeerd) 3. Na het inschakelen van het contact de M-toets weer loslaten. 4. Start de motor en verhoog het motortoerental. 5. Selecteer met de M-toets "menu 6" (V-signaal simuleren).

ILAh0129

6. Stel het snelheidssignaal in tussen 75 en 120 km/h met de + en ­ toets (Ingestelde snelheid wordt weergegeven door de kilometerteller op het dashboard). 7. De service-mode wordt automatisch afgesloten wanneer het contact afgezet wordt.

7

ILAh0130

DD038500

2-3

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Elektrische installatie

2.1.5 DYNAMISCH MET BEHULP VAN EEN ROLLENBANK Let op bij het simuleren van de snelheid sluiten de deuren automatisch!

5

Citea LLE

7

2-4

DD038500

5

Citea LLE

LEZEN VAN SCHEMA'S

LEZEN VAN SCHEMA'S

8

DD038500

LEZEN VAN SCHEMA'S

5

Citea LLE

8

DD038500

5

Citea LLE

LEZEN VAN SCHEMA'S

Algemeen

1.

1.1

ALGEMEEN

OVERZICHT AFKORTINGEN

Verklaring Anti Blokkeer Systeem/Anti Slip Regeling - versie D Airconditioning Heating Ventilation AirConditioning Automatische Neutralstellung bei Stillstand Anti Slip Regeling Controller Area Network Coach Instrument Pack Actia CAN Levelling System Central Management Unit Digital Tachograph Electronically Controlled Air Suspension version 2 Engine Control Module Input Output Unit Input Output Node Instrument Control Module Multiplexed Actia Modular instrument panel Neutral by standstil Digital Tachograph Modular Tachograph Transmission Control Module Central Processor Elctronic Brake System Electronic Stability System MOdul Kombi Instrument (instr.panel) Fahrer Arbeits Plats (working area driver) Display MUltipleXer (display) Electric Part Code Closed Circuit TeleVision Vehicle Function Controller Vertaling Antiblokkeersysteem/Antislipregeling, versie D Airconditioning Verwarming, ventilatie en airconditioning Automatische neutraal-schakeling bij stilstand Antislipregeling Controller Area Network Instrumentenpaneel Tour CAN-gestuurd hoogteregelingssysteem Centraal managementsysteem Digitale tachograaf Elektronisch geregeld luchtveersysteem - versie 2 Motormanagementsysteem In- en uitgangsunit In- en uitgangsknooppunt Instrumentenpaneel Multiplex modulair instrumentenpaneel Neutraal bij stilstand Digitale tachograaf Modulaire tachograaf Controle unit versnellingsbak Centraalprocessor Elektronisch gestuurd remsysteem Elektronisch stabiliteit systeem MOdul Kombi Instrument (instr.paneel) Fahrer Arbeits Plats (werkomgeving chauffeur) Display MUltipleXer (display) Codering elektrisch onderdeel Gesloten camera bewaking systeem Voertuig functie regelunit

Afkorting ABS/ASR-D AIRCO HVAC ANS ASR CAN CIPA CLS CMU DTCO ECAS-2 ECM IOU ION ICM MODAC NBS Tacho DTCO Tacho MTCO TCM CP EBS ESC MOKI FAP DMUX EPC CCTV VFC

8

DD038500

1-1

LEZEN VAN SCHEMA'S

Algemeen

5

Citea LLE

8

1-2

DD038500

5

Citea LLE

LEZEN VAN SCHEMA'S

Markering van elektrische bedrading

2.

2.1

MARKERING VAN ELEKTRISCHE BEDRADING

INLEIDING

Het markeringssysteem voor de bedrading bestaat uit een kleuren codering en een numeriek coderingsysteem, waardoor de bedrading overzichtelijk kan worden gerangschikt. Aansluit- en fabricagefouten worden zo zoveel mogelijk voorkomen.

8

DD038500

2-1

LEZEN VAN SCHEMA'S

Markering van elektrische bedrading 2.2 KLEURCODERING

5

Citea LLE

Alle bedrading heeft een van onderstaande kleuren. Draad kleuren Massa draden 0.5 mm2 - 6 mm2 > 6 mm Voeding van subgroep 1

2

Bruin Zwart met witte identificatie Rood

Aangesloten op een fysieke zekering met aan/uit schakel mogelijkheid, Ubat, +30, +15 Anders

Geel Rood Zwart met witte identificatie Geel Rood Groen Geel Blauw Geel Groen Blauw Wit Blauw Groen Wit Blauw

Voeding bedrading algemeen

0.5 mm2 - 50 mm2 > 50 mm

2

Andere functies, geen voeding

0.5 mm2 - 6 mm2 > 6 mm

2

Getwiste bedrading, CAN acc. J1939

CAN-Low CAN-High

Getwiste bedrading, M-CAN / ICAN / K-CAN

CAN-Low CAN-High

Sensoren met 2 aansluitingen

Voeding Signaal

Sensoren met 2 aansluitingen

Massa Signaal

8

Sensoren met 3 aansluitingen

Voeding Massa Signaal

2-2

DD038500

5

Citea LLE 2.3 NUMERIEKE CODERING

LEZEN VAN SCHEMA'S

Markering van elektrische bedrading

De numerieke codering is opgebouwd uit vijf cijfers, waarvan de eerste twee cijfers verwijzen naar de hoofdgroep. De opdruk is altijd in contrasterende kleur en wordt om de 20 cm herhaalt. · Hoofdgroepen, 1e en 2e cijfer van de 5-cijferige code Hoofd groep 11 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 30 31 32 35 36 37 39 40 41 45 46 47 49 50 51 52 Benaming Brandstofsysteem, (faciliteit voor) hulpverwarming Brandbeveiligingssysteem, branddetectiesysteem Veiligheidssysteem, noodbediening Voeding, +15 (na contactslot) Tacho, tacho simulator Ruitenwisser installatie Ruitensproeier installatie Motormanagement Voorgloei installatie Voor- / hulpverwarming Ontdooien / frontbox Verwarminssysteem Airconditioning systeem Ventilatiesysteem, ontluchting voertuig Verwarmde spiegels Elektrisch bedienbare schermen, ramen Voeding, +30 (na hoofdschakelaar) Massa verbindingen Voeding centraal processor, wake-up Betaal systeem Diagnose, test systeem Stekkers, stopcontacten Toilet, slaapcabine Gearbox system Versnellingsbak Route borden (Interieur) bewaking systeem Achteruitrij waarschuw systeem Richtingaanwijzers Start, stop Spiegels Claxon Hoofd groep 61 62 63 64 66 67 68 69 70 72 74 75 76 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 91 92 93 94 95 96 98 99 Benaming Koelinstallatie Audio systeem, video systeem Luidsprekers Navigatie systeem Luidsprekers Intercom Halte verzoek, hostess oproep, alarm drukknoppen Interieur verlichting Elektronische luchtvering Elektronisch remsysteem, remslijtage Remsysteem Vrij Instrumenten paneel CAN connecties Deurbediening, algemeen, deurgroep 1 Deurbediening, deurgroep 2, achterste Deurbediening, deurgroep 3 Deurbediening, deurgroep 4 Deuren, anders Centrale ontgrendelen, bagagekleppen, detectiesysteem Inbraaksysteem, diefstal preventie systeem Lift systeem, instaphulp systeem Persoonlijk veiligheid systeem Chassis bekabeling Hydraulische systemen Curve veiligheidssysteem Bord keuken Voeding anders dan 24VDC Filtersystemen Pneumatische systemen Reserve bedrading Extra installaties 2-3

8

DD038500

LEZEN VAN SCHEMA'S

Markering van elektrische bedrading

Hoofd groep 53 56 58 59 Benaming 24V accu booster, extern laadsysteem Buitenverlichting Parkeerlichten, +58 Knipperend licht Hoofd groep Benaming

5

Citea LLE

· Subgroep, 3e cijfer van de 5-cijferige code Sub groep 1 2 3 4 5 6 7 8 9 Benaming Voeding Sensoren (groep 76 - ingangen op instrumentenpaneel) Loads (groep 76 - uitgangen op instrumentenpaneel Diagnose Anders Communicatie Vrij Vrij Massa

· Volgnummers, 4e en 5e cijfer van de 5-cijferige code Digit 4+5 Volgnummers

Uitzondering voor sub groep 1 Digit 1+2 ** Digit 3 1 Digit 4+5 00 - 29 30 - 49 50 - 99 Beschrijving Ubat (direct +) 30 (na hoofdschakelaar) 15 (na contact)

8

Opmerkingen · Bij het zogenaamde doorlussen van de bedrading wordt de numerieke codering voor iedere draad gehandhaafd. Massaverbindingen Met de toepassing van elektronische systemen is er een onderscheid gemaakt in de massaverbindingen. We onderscheiden nu 2 verschillende massa's nl. · schakelmassa · meetmassa De schakelmassa is die massa die normaal gebruikt dient te worden voor het aan massa leggen van elektrische apparaten. De meetmassa is de massa die uitsluitend wordt gebruikt voor elektronische systemen.

2-4

DD038500

5

Citea LLE

Dit zijn de massa's uit de subgroep 9. Gebruik NOOIT de meetmassa bij de montage van een elektrisch component

LEZEN VAN SCHEMA'S

Markering van elektrische bedrading

Wordt dit toch gedaan dan bestaat de mogelijkheid dat elektronische componenten worden ontregeld. Moet er een elektronische component worden aangesloten dan moet de massa van dit systeem worden verbonden op een van de centrale massa aansluitingen van het voertuig.

8

DD038500

2-5

LEZEN VAN SCHEMA'S

Markering van elektrische bedrading

Afkortingen bij kleurcodering Kleur rood bruin groen blauw oranje geel wit grijs zwart Notatie rd bn gn be oe yw we gy bk

5

Citea LLE

8

ILAz0072

A

Verwijzingsnummers

2-6

DD038500

5

Citea LLE

LEZEN VAN SCHEMA'S

Markering van elektrische bedrading

8

ILAz0073

A B C

Locatienummer Soort voeding EPC-code

DD038500

2-7

LEZEN VAN SCHEMA'S

Markering van elektrische bedrading

5

Citea LLE

8

2-8

DD038500

5

Citea LLE

LEZEN VAN SCHEMA'S

Lezen van principeschema

3.

LEZEN VAN PRINCIPESCHEMA

Zorg ervoor dat u het juiste schema bij het voertuig gebruikt, zie stamkaart. Voor het vinden van het juiste bijbehorende schema kunt u het `Vehicle Information Portal' raadplegen. Hierbinnen kunt u met de laatste acht karakters van het chassis nummer als zoekargument het juiste "wiring diagram"-nummer vinden. Zie hiervoor onderstaande screenshots.

8

ILAz0074

DD038500

3-1

LEZEN VAN SCHEMA'S

Lezen van principeschema 3.1 VOEDING EN MASSA HERKENNING

5

Citea LLE

We kennen een aantal soorten 24V voedingen, gerangschikt naar het moment dat ze zijn of worden ingeschakeld. +bat Permanente voeding. De voeding is direct op de accu's aangesloten en is permanent aanwezig. +30 Voeding na hoofdschakelaar. Na het ingeschakeld zijn van hoofdrelais is deze voedingspanning aanwezig. +15 Voeding na kontakt. Na het ingeschakeld zijn van het kontaktrelais is deze spanning aanwezig. +58 Parkeerverlichting, zoekverlichting van schakelaars en verlichting van instrumenten. Deze voeding is aanwezig als van de wagenverlichting minimaal het parkeerlicht is ingeschakeld. D+ Voeding indien de motor loopt. Deze voeding is aanwezig nadat gesignaleerd is dat de voertuigdynamo's het boordnet laden. 31 Massa. Een massa is een massaverbinding als die massa permanent aanwezig is. In het schema is boven elke zekering, door middel van bovenstaande kenmerken, aangegeven welke aard van voeding het betreft (2). Indien een (low-side) uitgang van een knooppunt wordt gebruikt om een relais te schakelen, dan is het afhankelijk van de doorverbinding op de IOU-unit en het programma in de centraalprocessor wanneer een dergelijke voeding actief is. Ook wordt altijd aangegeven wat de massa aansluiting, met kenmerk `31', is.

ILAz0073

8

3-2

DD038500

5

Citea LLE 3.2 ZOEKBALK

LEZEN VAN SCHEMA'S

Lezen van principeschema

Om het zoeken in het schema eenvoudiger te maken is aan de onder- en bovenzijde van elke bladzijde een "zoekbalk", ook wel `stramien' genoemd, aangebracht met de cijfers 1 tot en met 29. Deze cijfers noemen we lokatienummers. Indien een verbinding op een andere positie van dat blad verder gaat, dan wordt het lokatienummer waar de verbinding verder gaat aangegeven. Indien een verbinding op een ander blad verder gaat, dan wordt het bladnummer + lokatienummer, waar de verbinding verder gaat, aangegeven.

ILAz0073

8

ILAz0072

DD038500

3-3

LEZEN VAN SCHEMA'S

Lezen van principeschema 3.3 ELECTRIC PART CODE (EPC)

5

Citea LLE

In het principeschema vinden we de EPC-codes (bijvoorbeeld K001) terug. Dit is een codeer-systeem vlg DIN norm 40719. Hierin is bepaald dat de elektrische componenten zijn opgedeeld in groepen. · Elke groep heeft een groepsletter, het eerste karakter van de EPC-code. · Deze groepsletter wordt gevolgd door een volgnummer. 3.3.1 INDELING ELECTRIC PART CODE NUMMERS

EPC componentengroepen Letter A A B Soort componenten Regeleenheden, elektronische apparatuur Regeleenheden, elektronische apparatuur A031 A032 Voorbeeld Elektronische unit motormanagement (DMCI) Elektronische unit motormanagement (ECM) Schakelaar, motoroliedruk

Signaleringen, sensoren en schakelaars (Omvor- B003 mer van niet elektrische naar elektrische grootheden of omgekeerd) B511 B581

1e luidspreker links Camera, dode hoek CD-wisselaar Satelliet ontvanger Dimlicht xenon links hoofdzekering lift Zekering AdBlue elektronica (+15) Accu 1 Dynamo 1 Claxon 1 Controlelamp halterem Achteruitkijkspiegel links Koelkast 1 Hoofdschakelaarrelais Relais leesverlichting rechts Startmotor Circulatiepomp voorverwarmer Regelknop frontkachelkraan Elektronisch instrumentenpaneel

C D E F G H

Condensatoren Audiovisuele apparatuur Verlichting, interieur en exterieur Veiligheidsinrichtingen, zekeringen Stroomverzorging, dynamo, accu Waarschuwingsinrichtingen D020 D039 E005 F016 F108 G001 G031 H003 H121

8

I J K L M N O P Meet-, indicatie inrichtingen, instrumenten paneel (Meetapparaat) P001 Diverse componenten en systemen Relais, beveiliging Inductiviteit Motor Regelaar, versterker M001 M021 N002 J001 J204 K001 K083

3-4

DD038500

5

Citea LLE

EPC componentengroepen Letter Q R S Weerstand Schakelaar, bediening en controle mechanisch Gekoppeld aan een functie Transformatoren, spanningsdelers Modulator, omvormer Halfgeleiders Antennes, verbindingsleidingen Klem, stekkerverbinding, stopcontact, verdeelpunten Elektromagnetische ventielen, kleppen, brandstofpomp Filter, frequentiedelers U003 V001 W002 X000 t/m X099 X000 Y Y022 Y202 Z R001 R105 S002 S608 T U V W X Soort componenten P201

LEZEN VAN SCHEMA'S

Lezen van principeschema

Voorbeeld Display AS-Tronic Sigarettenaansteker Afsluitweerstand CAN J1939 (120ohm) Kontaktschakelaar Controleschakelaar AdBlue luik Omvormer 24V/12V Diode nachtlading Antenne radio/GSM/GPS (Zijn gereserveerd voor functionele aansluitingen) Diagnoseaansluiting VDL Ventiel, waste-gate (DAF) Ventiel liftrem

Toegevoegde letter achter de EPC-code In het elektrisch schema vindt u achter de EPC-code een toegevoegde letter. Deze letter geeft de locatie van het betreffende component in het voertuig aan. Basis hiervan is een isometrische voorstelling van het voertuig met daarin aangegeven de letters die een locatie aanduiden. Indien de locatie (nog) onbekend is, dan staat daar een `x' ingevuld. De notatie zou er dan als volgt kunnen uitzien: Hierbij is de code als volgt opgebouwd; A 123 v Componentengroep Volgnummer Letter die de locatie in het voertuig aanduidt A123v

8

DD038500

3-5

LEZEN VAN SCHEMA'S

Lezen van principeschema

5

Citea LLE

8

3-6

DD038500

5

Citea LLE

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

9

DD038500

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

5

Citea LLE

9

DD038500

5

Citea LLE

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

1.

1.1

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

MOKI INSTRUMENTENPANEEL

De chauffeur krijgt op het hoofddisplay informatie gepresenteerd over de status van het voertuig. De informatie wordt zichtbaar via symbolen en afbeeldingen. A. B. C. D. Kilometer en dagteller Brandstofvoorraadmeter Controlelamp brandstoftank Reset dagteller zodat deze weer op 0 km staat. Wordt de knop ingedrukt gehouden, wordt er overgeschakeld naar tijdweergave. E. Deze knoppen worden gebruikt voor onboard diagnose. Als de meest linkse en meest rechtse knop wordt bediend als het voertuig op de handrem staat, wordt het onboard diagnose menu actief. F. IHoofddisplay dimmen of helderder maken G. Temperatuurmeter koelvloeistof H. Koelwatertemperatuur waarschuwingslamp I. Toerenteller met ledje voor overtoeren J. Hoofddisplay K. Waarschuwingsindicatoren * Controle ABS (EBS) * Controle grootlicht * Controle richtingaanwijzer * Controle rode algemene waarschuwingslamp * Controle gele algemene waarschuwingslamp * Parkeerrem L. Snelheidsmeter met tacho ledje De kilometer met dagteller, toerenteller, brandstofvoorraadmeter en koelwatertemperatuurmeter zijn na contact pas actief. In het hoofddisplay kunnen de 6 hierna beschreven schermen weergegeven worden. Raadpleeg de chauffeursinstructie voor meer uitleg over de verschillende schermen. De schermen van het hoofddisplay kunnen afzonderlijk opgeroepen worden door het indrukken van deze scrollschakelaar op het instrumentenpaneel. De hoofdschakelaar en de contactschakelaar moeten eerst ingeschakeld worden. Als de scrollschakelaar 10 seconden niet wordt bediend, wordt er automatisch overgeschakeld naar het rijscherm, ongeacht in welk scherm men staat (m.u.v. het onboard diagnose).

ILBh0008

9

DD038500

1-1

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

Het is mogelijk om een ander scherm als het rijscherm vast te zetten, zodat niet automatisch na 10 seconden naar het rijscherm wordt overgeschakeld. Hiervoor moet de scrollschakelaar worden bediend en vastgehouden, vervolgens moet de enterschakelaar worden ingedrukt. Er kan nu gewoon geschrolled worden zonder dat het scherm na 10 sec. automatisch naar het rijscherm gaat. Het vastzetten kan worden opgeheven door de scrollschakelaar te bedienen en vast te houden, gevolgd door het indrukken van de enterschakelaar.

5

Citea LLE

Startscherm Schakel de hoofdschakelaar in. Het startscherm verschijnt nadat de hoofdschakelaar is ingeschakeld. De zes schermen van het hoofddisplay kunnen afzonderlijk opgeroepen worden door het indrukken van de schrollschakelaar op het instrumentenpaneel. Als de scrollschakelaar niet binnen 10 seconden wordt bediend, wordt er automatisch overgeschakeld naar het rijscherm, ongeacht in welk scherm men staat (m.u.v. het onboard diagnose).

ILBh0056

Rijscherm In de afbeelding van de bus kunnen de volgende symbolen worden weergegeven: 1. Deur symbolen 2. Halterem 3. Symbolen voertuighoogte 4. Invalide trede symbool 5. Symbolen dakluiken Voor meer uitleg over de symbolen, zie chauffeursinstructie. Overige meldingen worden middels pictogrammen onder de afbeelding van de bus weergegeven. Er kunnen maximaal 14 pictogrammen worden getoond in volgorde van prioriteit. Prio 1 pictogrammen worden eerst getoond, gevolgd door prio 2 en prio 3 pictogrammen.

ILBh0080

9

1-2

DD038500

5

Citea LLE

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

Luchtdrukscherm In het luchtdrukscherm worden de luchtdrukken van alle 4 de kringen weergegeven. Tevens worden de remdrukken van de kringen 1 en 2 getoond. Deze staan naast de luchtdrukken van kring 1 en 2. Voor de luchtdrukken gelden de volgende kleuren: Rood Geel Groen 0 t/m 5 bar 5 t/m 6 bar > 6 bar

De kleur van de remdruk is oranje.

ILBh0057

Adblue- en olieniveau-scherm De bargrafs geven de hoeveelheid Adblue en het olieniveau weer in procenten.

ILBh0058

Brandstorverbruikscherm (optie) 1. Gemiddelde brandstofverbruik in liters per 100 km 2. Afgelegde weg nadat de dagteller op "0" is gezet 3. Gemiddelde brandstofverbruik in liters per 100 km 4. Afgelegde weg nadat de motor is gestart

9

ILAh0744

DD038500

1-3

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

5

Citea LLE

Onboard diagnose startscherm Na het opstarten van het onboard diagnosemenu kan er een keuze worden gemaakt van welk systeem de fouten getoond moeten worden. Boven de streep · Sleutel geeft aan dat het een diagnose scherm is. · "K" toont de softwareversie van Kibes 32. · "C" toont de softwareversie van Cavtan. Onder de streep Pictogrammen van systemen die te diagnoticeren zijn. Systeemscrollknoppen: Met de knoppen onder de pijlen kan er een systeem gekozen worden. Systeemkeuzeknop: Het systeem van het pictogram wat oplicht kan met de knop onder dit pictogram worden geopend. Onboard diagnose afsluitknop:

ILAh0745

Het onboard diagnosemenu kan in het opstartscherm als volgt worden afgesloten: 1. Slecteer met de systeemscrollknoppen het pictogram "Onboard diagnose afsluitknop". 2. Druk op de knop onder "Systeemkeuzeknop" om het afsluiten te bevestigen. Vanuit alle diagnose-schermen wordt het diagnose-menu afgesloten als de handrem eraf wordt gehaald en "Ingang voor het mogelijk maken om in het onboard diagnose scherm te kunnen rijden" niet actief is.

Als er een systeem gekozen is om actuele fouten te bekijken wordt bijvoorbeeld het hiernaast getoonde scherm actief (in geval van motorfouten uitlezen). Boven de streep · Sleutel geeft aan dat het een diagnose scherm is. · Het pictogram toont het systeem waar de actuele fouten worden uitgelezen. · "639-9": voorbeeld van een actieve foutcode. "No Fault": als er geen fouten zijn.

9

ILAh0746

1-4

DD038500

5

Citea LLE

Onder de streep Extra informatie van het betreffende systeem. Foutenscrollknoppen: Met de knoppen onder de pijlen kan er naar de volgende of vorige fout worden gegaan, indien er meerdere fouten in het systeem zitten. Als er niet meer fouten zijn blijft de huidige fout zichtbaar. Terug naar startscherm knop: Met de knop onder deze pictogram kan worden teruggegaan naar het "Onboard diagnose startscherm".

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

9

DD038500

1-5

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen 1.2

1.2.1

5

Citea LLE

ECAS

ALGEMEEN

Het ECAS-systeem is een zelfstandig regelsysteem dat bestaat uit: · Één elektronische unit voor 4x2 en 6x2 uitvoering Twee elektronische units voor een gelede bus; · 1 hoogtesensor per wiel; · 2 hoogteregelventielen voor 2 balgen met eigen voedingsventiel. De functies van het ECAS-systeem is: · Het automatisch regelen van de rijhoogte zodat deze constant blijft; · Handmatige hoogteinstelling door elektronische ingangen of CAN boodschap ASC2; · Wegrijhulp d.m.v. het ontluchten van de 3e as; · Antitiltsysteem; · Aslastregeling 2e en 3e as.

1.2.2

IN- EN UITGANGSSIGNALEN

Ingangssignalen · Remsignaal · Snelheidssignaal · Stoeprand detectie · Deursignaal · Luchtvoorraad signaal · Hoogteverandering aanvraag dmv schakelaar · Motortoerental · ASR actief Uitgangssignalen · Deurvrijgave · Halterem aansturing · Niet op rijniveau · Knielniveau bereikt · Systeemdruk informatie · Aslast informatie · Waarschuwingslamp

9

1.2.3

DASHBOARD SCHAKELAARS

Ferrylift (stijgen/rijniveau) Met deze veerretourschakelaar kan men de voertuighoogte (bodemvrijheid) verhogen. Bus omhoog door bovenzijde schakelaar in te drukken. Alleen te gebruiken bij een snel-

1-6

DD038500

5

Citea LLE

heid lager dan 30 km/h. Onderzijde schakelaar drukken is rijniveau. Deze positie wordt gebruikt als de bodem vrijheid van de bus te laag wordt door een obstakel. Het voertuig kan terug gezet worden naar rijniveau door kort op het onderste gedeelte van de schakelaar te drukken. Het voertuig gaat automatisch naar rijniveau bij een voertuigsnelheid boven 30 km/h. De ferrylift kan geactiveerd worden als: · de voorraaddruk voldoende is of · de motor loopt en · · · · het knielen niet actief is, alle deuren gesloten zijn, de voertuigsnelheid < 30 km/h is, de ramp geheel in is.

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

De ferrylift kan gestopt worden als: · een ander hoogteniveau gevraagd wordt tijdens de ferrylift regeling of · 2 hoogteniveaus gelijktijdig gevraagd worden Luchtvering, knielen Met deze veerretourschakelaar kan men de voertuighoogte (bodemvrijheid) in geval van bijzondere omstandigheden aanpassen. De schakelaar activeert het luchtveringsysteem. Omlaag door de schakelaar ingedrukt te houden tot laagste punt is bereikt. Inschakelen alleen mogelijk bij stilstaande bus en geopende deur(en). Obstakelsensoren kunnen het knielen doen stoppen en de bus op rijniveau stellen als ze een obstakel waarnemen. Gelijktijdig zal het volgende symbool op het hoofddisplay zichtbaar worden.

9

DD038500

1-7

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

Knielen is niet mogelijk met te lage luchtdruk. Het ECAS systeem werkt alleen bij ingeschakeld contact. Als het voertuig in de hef of kniel stand staat en het contact wordt uitgeschakeld dan zal het voertuig terug gaan naar rijniveau als het contact weer ingeschakeld wordt. Knielen kan geactiveerd worden als: · geen andere hoogteniveauveranderingen actief zijn, · het actuele hoogteniveau hoger is dan het gekalibreerde knielniveau, · de voertuigsnelheid < 5 km/h is, · de voorraaddruk voldoende is of de motor loopt, · de knielbeveiliging niet actief is of niet geconfigureerd is, · alle deuren gesloten zijn (optioneel met geopende deuren, doorrelease moet in dat geval gebruikt worden voor deursturing), · de ramp geheel in is. Het knielen kan gestopt worden als één of meerdere van onderstande situaties zich voordoet: · een ander hoogteniveau gevraagd wordt tijdens knielen. · 2 hoogteniveaus gelijktijdig gevraagd worden. · de knielknop losgelaten wordt (Wanneer het voertuig nog niet op knielniveau is, keert het voertuig weer terug naar rijniveau (optioneel blijft het voertuig op de bereikte hoogte)). · het knielniveau bereikt wordt. · de knielbeveiliging actief wordt. · één deur zich opend (optioneel met geopende deuren, doorrelease moet in dat geval gebruikt worden voor deursturing. · de ramp niet geheel in is.

5

Citea LLE

9

1-8

DD038500

5

Citea LLE 1.3

1.3.1

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

EXTERNE LUCHTVULAANSLUITING

ALGEMEEN

Als de motor niet loopt en het signaal van de externe luchtvulaansluiting wordt actief, dan verschijnt op het dashboard: het pictogram dat de vulaansluiting is aangesloten en de rode waarschuwingsindicator.

Er kan er niet gestart worden en de halterem wordt aangestuurd. Wordt na contact de halterem-noodlosschakelaar actief, dan kan er wel weer gestart worden. De halterem wordt dan ook gelost. Als de motor loopt en het signaal van de externe luchtaansluiting wordt actief, dan verschijnt op het dashboard alleen het pictogram dat de vulaansluiting is aangesloten zonder de rode waarschuwingsindicator. Het voertuig blijft in dat geval inzetbaar. Wordt de externe luchtaansluiting aangesloten bij een draaiende motor, dan kan er gewoon worden weggereden met aangesloten luchtvulling!

1.3.2

IN- EN UITGANGSSIGNALEN

Ingangssignalen · Externe luchtvulaansluiting · Motor loopt · Halterem noodlos schakelaar Uitgangssignalen · Externe luchtvulaansluiting symbool op het rijscherm · Startblokkeerring · Halterem actief · Centrale rode waarschuwingslamp op het instrumentenpaneel

9

DD038500

1-9

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen 1.4

1.4.1

5

Citea LLE

R36-SCHAKELAAR

ALGEMEEN

De R36-schakelaar op het dashboard is een verzegelbare noodschakelaar en heeft 2 standen: IN en UIT. Bij bediening van de noodschakelaar worden alle systemen spanningsloos, m.u.v. de tachograaf (DTCO), MTS-units en de voorverwarmer (i.v.m. naloop). Tevens gaan de alarmlichten automatisch aan. Schakel de R36 schakelaar terug om het systeem weer actief te maken.

ILBh0143

1.4.2

IN- EN UITGANGSSIGNALEN

Ingangssignalen · R36 schakelaar · Hoofdschakelaar actief Uitgangssignalen · Uitschakelen motor · Afschakelen hoofdschakelaar · Activeren alarmlichten

1.5

1.5.1

MOTORRUIMTETEMPERATUUR

ALGEMEEN

Als de temperatuur in de motorruimte stijgt tot boven de 110°C wordt de motorruimte temperatuurschakelaar verbroken. Bij het verbreken van de schakelaar valt het signaal weg en zal de pictogram "motorruimte temperatuur te hoog" zichtbaar worden.

1.5.2

IN- EN UITGANGSSIGNALEN

9

Ingangssignalen · Motorruimte temperatuurschakelaar (B017) · Hoofdschakelaar actief Uitgangssignalen · Pictogram motorruimte temperatuur te hoog

1 - 10

DD038500

5

Citea LLE 1.6

1.6.1

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

OVER- EN ONDERSPANNING

ALGEMEEN

Als de accuspanning 30 seconden onder de 23,5 Volt is, wordt het contactrelais en alle verbruikers uitgeschakeld. Op het dashboard verschijnt het waarschuwingssymbool batterijspanning te laag op in het rijscherm.

Om de motor te kunnen starten, moet het contact (opnieuw) worden aangezet. Vervolgens moet binnen 30 seconden de startmotor worden ingeschakeld en gestart. Tijdens het starten wordt het systeem niet in de onderspanningsbeveiliging gebracht.

1.6.2

IN- EN UITGANGSSIGNALEN

Ingangssignalen · Hoofdschakelaar · Contactschakelaar · Motorstartknop voor · Motor loopt · Startmotor actief · Boordnetspanning Uitgangssignalen · Waarschuwingssymbool batterijspanning te laag op rijscherm

9

DD038500

1 - 11

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen 1.7

1.7.1

5

Citea LLE

NAVUL INDICATIE SYSTEEM

ALGEMEEN

In de brandstofvulnisopening is een kast met 4 controle_LED's gemonteerd. Hiermee kunnen de volgende vloeistofniveau's worden gecontroleerd: 1. Koelvloeistofniveau 2. Motorolieniveau carternavulreservoir 3. Ruitensproeiervloeistofniveau 4. Urea niveau Urea-tank Na het inschakelen van de hoofdschakelaar geven de LED's de status van de vloeistofniveau's weer. Indien de groene LED's van het koelstofniveau, motorolieniveau en ruitensproeiervloeistofniveau branden zijn deze op niveau.

ILAh0015

De LED van de AdBlue ureumtank knippert bij ingeschakelde hoofdschakelaar. Na het inschakelen van het contact geeft de LED van de AdBlue ureumtank de status van het urea-niveau weer. De werking van de LED's kan gecontroleerd worden met drukknop (5). Een parameter bepaalt of het pictogram bijvullen ruitensproeierreservoir in het rijscherm tevens zichtbaar wordt.

1.7.2

IN- EN UITGANGSSIGNALEN

Ingangssignalen · Hoofdschakelaar · Contactschakelaar · Sensor ruitensproeierreservoir · Sensor koelvloeistofreservoir motor · Sensor carternavulreservoir · Sensor AdBlue-reservoir

9

Uitgangssignalen · LED koelvloeistofniveau · LED motorolieniveau carternavulreservoir · LED vloeistofniveau ruitensproeierreservoir · LED AdBlue niveau · pictogram ruitensproeierreservoir in het rijscherm (optie)

1 - 12

DD038500

5

Citea LLE 1.8

1.8.1

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

MOTORSTART/STOP

ALGEMEEN

De motor kan zowel bij de chauffeur als achter bij de motor worden gestart/gestopt. Als de achterklep open staat of de schakelaar op het "bedieningspaneel motorruimte" staat in de stand "Rear", dan kan er niet via het dashboard worden gestart. Om te kunnen starten moet de versnellingsbak in neutraal staan en het contact zijn ingeschakeld. Het stoppen van de motor kan door het contact uit te schakelen. Voorwaarde is wel dat het voertuig stil staat aangezien het contactrelais niet kan worden uitgeschakeld als het voertuig rijdt (beveiliging).

1.8.2

INSTRUMENTENPANEEL

Schakelaars Schakelaar Betekenis Hoofdschakelaar: Als de hoofdschakelaar wordt ingeschakeld, dan wordt het elektrisch systeem getest. Na 3 seconden zullen tijdelijk alle waarschuwingsindicatoren oplichten en de zoemer hoorbaar zijn. Als de hoofdschakelaar uitgeschakeld wordt, wordt het elektrisch systeem spanningsloos met uitzondering van de alarmlichten en de TSU. De hoofdschakelaar kan alleen worden uitgezet als de parkeerrem is bediend en de contactschakelaar uitgeschakeld is.

Schakelaar

Betekenis Contactschakelaar / motorstop: Met deze schakelaar kan het contact ingeschakeld worden nadat de hoofdschakelaar is bediend. Als de motor draait en de contactschakelaar wordt uitgeschakeld, dan stopt de motor, mits het voertuig geen snelheid meer heeft. Motorstart: Met deze schakelaar kan de motor worden gestart. De hoofdschakelaar en de contactschakelaar moeten zijn ingeschakeld en de bedieningsknop van de versnellingsbak dient in de stand N te staan.

Dashboard meldingen Melding Betekenis Melding hoofdschakelaar: Het controlelampje gaat branden wanneer de hoofdschakelaar is ingeschakeld en niet de contactschakelaar is ingeschakeld.

9

DD038500

1 - 13

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

5

Citea LLE

Melding contactschakelaar: Het controlelampje gaat branden wanneer de contactschakelaar is ingeschakeld en de motor niet draait.

Motor draait: Deze controlelamp gaat branden zodra de motor draait en blijft in het display staan.

De controlelampen hoofdschakelaar, contactschakelaar en motor draait verschijnen, in deze volgorde, op dezelfde positie op het display.

Melding

Betekenis Motor starten achter: Dit symbool wordt zichtbaar zodra de schakelaar VOOR/ACHTER in de motorruimte in de stand achter staat of het motorluik geopend is.

1.8.3

BEDIENINGSPANEEL MOTORRUIMTE

Om veiligheidsredenen en voor het gemak bij bepaalde onderhoudswerkzaamheden kan de motor gestart worden vanuit de motorruimte. Wanneer de "FRONT/REAR"-schakelaar op "REAR" staat is het niet mogelijk om vanaf het instrumentenpaneel met schakelaar Motorstart te starten en omgekeerd. Zet het voertuig altijd eerst op de parkeerrem!

ILBh0162

De voorwaarden om de motor te starten vanuit de motorruimte zijn: · hoofdschakelaar in stand "aan"; · contactschakelaar in stand "aan"; · keuzeschakelaar in de neutraalstand "N". Starten van de motor vanuit de motorruimte Zet het voertuig op de parkeerrem en zet de keuzeschakelaar in de neutraalstand. Schakel eerst de hoofdschakelaar en dan de contactschakelaar in op het instrumentenpaneel. Zet in de motorruimte aan de achterzijde de keuzeschakelaar S1 in de stand "Rear". Start de motor door de motorstartknop S2 omhoog te drukken. De motor kan afgezet worden door de motorstopknop S2 naar beneden te drukken. Na afloop dient de schakelaar S1 weer in de stand "Front" gezet te worden.

S1 S2

Keuzeschakelaar voor/achter Motor start/stop knop

9

1 - 14

DD038500

5

Citea LLE

1.8.4 IN- EN UITGANGSSIGNALEN

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

Ingangssignalen · Hoofdschakelaar · Contactschakelaar · Motorstartknop voor · Versnellingsbak in neutraal · Motor loopt signaal · Motorstartknop achter · Motorstartschakelaar voor/achter · Motorklepveiligheidsschakelaars · Motorstop achter Uitgangssignalen · Startmotorrelais · Pictogram achterklep geopend

· Pictogram motorstart in motoruim actief

· Pictogram motor loopt

9

DD038500

1 - 15

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen 1.9

1.9.1

5

Citea LLE

SPANNINGSVOORZIENING

ALGEMEEN

De VFC (A001) kan via het Moki-instrumentenpaneel (P001) een wake-up signaal krijgen van de hoofdschakelaar (S001), de alarmlichtschakelaar (S071) of de functie deurbediening.. Bediening R36 schakelaar (S006) Bij bediening van de R36-schakelaar worden alle systemen spanningsloos, muv de tachograaf (DTCO), MTS units en de waterverwarmer (ivm nalloop). Tevens gaan de alarmlichten automatisch aan. Om dit mogelijk te maken zijn de DTCO, waterverwarmer, VFC, Moki-instrumentenpaneel en de IOU's die gebruikt worden voor de richtingaanwijzers direct op de accu aangesloten. Het hoofdrelais voor MTS-deurbediening blijft tevens in om de deuren te kunnen bedienen in noodgevallen. De R36 schakelaar wordt in het Moki-instrumentenpaneel ingelezen. Door het hard af laten vallen van de spanning op alle units zullen deze geen fouten weg kunnen schrijven. Bediening hoofdschakelaar (S001) Bij bediening van de hoofdschakelaar wordt het Moki-instrumentenpaneel (P001) wakker en wekt de VFC (A001) over ICAN. Door middel van 2 low-side uitgangen wordt de +30 voor het uitlaatgasnabehandelingssysteem en voor de overige systemen ingeschakeld. Na het uitschakelen van de hoofdschakelaar blijft +30 op het uitlaatgasnabehandelingssysteem gedurende 80 seconden actief. +30 van de overige systemen blijft nog 5 seconden actief om de units de kans te geven alle informatie weg te schrijven. De wake-up van de VFC wordt gebruikt om het mogelijk te maken een lege VFC en Moki-instrumentenpaneel te laden in het voertuig. Indien de motor loopt zal via de LS uitgangen het hoofdrelais in blijven. Bediening contactschakelaar (S002) De contactschakelaar wordt ingelezen op de Moki-instrumentepaneel. Via 2 LS uitgangen wordt de contactvoeding naar de grote verbruikers en naar de IOU's ingeschakeld. Deze splitsing is gemaakt om te voorkomen dat bij het in- of uitschakelen het schakelgedrag van de grotere verbruikers het opkomen of afvallen van de IOU's beïnvloed. Bij het uitschakelen worden de IOU's ook iets vertraagd uitgeschakeld. Indien de snelheid > x km/h is zal via de LS uitgangen de contact voeding in stand gehouden worden zodat tijdens het rijden het contact (en ook de motor) niet afgezet kan worden. Middels bediening van de R36 schakelaar kan in noodsituatie de motor altijd uitgezet worden. Massaklem Om tijdens langdurige stalling te voorkomen dat de accu's leeg raken, dient de massa-klem losgenomen te worden. Om dit eenvoudiger te maken wordt er een massaverbreekschakelaar toegepast tussen accu minpool en voertuigmassa, zie 4 - 1.8 Massaverbreekschakelaar ( 1 - 9). 1 - 16 DD038500

9

5

Citea LLE 1.10 TACHOGRAAF

1.10.1 TSU De TSU krijgt vanaf de kitas gever het toerental signaal van de uitgaande as op de versnellingsbak. Om fraude of beïnvloeding van het signaal te voorkomen, wordt er een versleuteld signaal meegestuurd van Kitas gever naar TSU. De TSU wordt gekalibreerd of geparametreerd, De afgelegde weg en de snelheid worden berekend aan de hand van het aantal pulsen (W-waarde) van de Kitas gever en de tijd. De snelheid wordt via CAN naar het instrumentenpaneel en naar de VFC gezonden (TCO1 bericht). De VFC gate-wayed dit bericht naar de PCAN voor de overige systemen. De afgelegde weg wordt opgeslagen en weergegeven als totale km stand en als trip teller. De TSU ontvangt vanuit de instrumentenpaneelsignaal om de tripstand te resetten. De TSU heeft tevens een interne klok die datum en tijd doorgeeft op de ICAN en (via VFC) PCAN. De tijd kan op de TSU ingesteld worden. De TSU bevat een batterij zodat de klok ook bij loskoppelen van de accu's doorloopt. De overbrengingsverhouding van de achteras, bandenmaat en afrolomtrek van de banden worden bij ingebruikname in de TSU opgeslagen om bij controles een compleet overzicht op te kunnen roepen. Voor meer informatie over de TSU, zie DD025800.

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

1.10.2 DTCO De DTCO krijgt vanaf de Kitas gever het toerental signaal van de uitgaande as op de versnellingsbak. Om fraude of beïnvloeding van het signaal te voorkomen, wordt er een versleuteld signaal meegestuurd van Kitas gever naar DTCO. De DTCO wordt gekalibreerd of geparametreerd, De afgelegde weg en de snelheid worden berekend aan de hand van het aantal pulsen (W-waarde) van de Kitas gever en de tijd. De snelheid wordt via CAN naar het instrumentenpaneel en naar de VFC gezonden (TCO1 bericht). De VFC gate-wayed dit bericht naar de PCAN voor de overige systemen. De afgelegde weg wordt opgeslagen en weergegeven als totale km stand en als trip teller. De DTCO ontvangt vanuit de instrumentenpaneel-signaal om de tripstand te resetten. De DTCO heeft tevens een interne klok die datum en tijd doorgeeft op de ICAN en (via VFC) PCAN. De tijd kan op de DTCO ingesteld worden. De DTCO bevat een batterij zodat de klok ook bij loskoppelen van de accu's doorloopt. De overbrengingsverhouding van de achteras, bandenmaat en afrolomtrek van de banden worden bij ingebruikname in de DTCO opgeslagen om bij controles een compleet overzicht op te kunnen roepen. Voor meer informatie over de DTCO, zie DD022900.

9

DD038500

1 - 17

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen 1.11 HALTEREM

1.11.1 ALGEMEEN De halterem kan alleen worden geactiveerd indien de snelheid onder de 3 km/h is. De halterem kan geactiveerd worden door een van de onderstaande voorwaarden: · halterem-drukknop bediend; · deur aanvraag; · uitschuifbare of uitklapbare trede aanvraag; · ECAS aanvraag; · halterem drukknop bediend; · Cruise-control plus-schakelaar is actief en geen handrem; · klep staat open; · externe luchtvulling is actief; · als de parameter automatische halterem aan staat en V= 0 km/h wordt de haltrerem geactiveerd als de rem een bepaalde tijd wordt bediend. De halterem wordt gedeactiveerd/gelost indien: · het voertuig in de versnelling staat en het gaspedaal wordt bediend; · de handrem bediend wordt; · de hoofdschakelaar uit gezet wordt; · kl 15 valt af en komt eventueel weer op na het inschakelen van het contact; Via de noodlos schakelaar "override door brake request" is het mogelijk om de halterem uit te schakelen.

5

Citea LLE

1.11.2 IN- EN UITGANGSSIGNALEN Ingangssignalen · Hoofdschakelaar · Contactschakelaar · Filerem schakelaar (optie) · Snelheidssignaal 0 km/h · Snelheidssignaal 3 km/h · Deur systeem halterem aanvraag · Trede halterem aanvraag · ECAS halterem aanvraag · Gaspedaal positie · Versnellingsbak ingeschakeld · Rempedaal bediend · Halterem noodlos schakelaar · Halterem actief · Halterem storing · Externe luchtvulling actief · Klep open

9

1 - 18

DD038500

5

Citea LLE

Uitgangssignalen · Halterem inschakelen (signaal naar EBS unit) · Melding dashboard; halterem actief

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

· Melding dashboard; storing halterem

· Melding dashboard; halterem actief · Melding dashboard; storing halterem

1.11.3 BEDIENING HALTEREM Met behulp van drukknop kan men de halterem handmatig op de halterem zetten bij snelheden < 3 km/h.

Voorwaarde voor halterem functie is dat de hoofdschakelaar ingeschakeld is! Voorwaarde voor antigas is dat de versnelling in stand D staat! Bij snelheden < 3 km/h is het mogelijk de deuren te openen. Met het openen van de deuren treedt de halterem automatisch in werking. Gelijktijdig schakelt antigas in, waardoor het niet mogelijk is om gas te geven. Na het sluiten van de deuren kan weer gas worden gegeven. Door het gaspedaal in te trappen lost de halterem en rijdt kan het voertuig direct weg rijden. Bij snelheden < 5 km/h kan het voertuig knielen. Met het knielen treedt de halterem en het antigas automatisch in werking. Zodra het voertuig op rijhoogte is gebracht, kan weer gas worden gegeven. Door het gaspedaal in te trappen lost de halterem en kan het voertuig direct weg rijden.

9

DD038500

1 - 19

SYSTEEMBESCHRIJVINGEN

Systeembeschrijvingen

Dashboard meldingen Melding Betekenis Halterem is actief

5

Citea LLE

Storing in halteremcircuit

Noodlosschakelaar Indien de halterem, om wat voor reden dan ook, niet gelost kan worden, dan kan men met de noodlos-schakelaar het voertuig van de halterem zetten. Bij het bedienen van deze schakelaar gaat de H knipperen in de afbeelding op het hoofddisplay. Na het bedienen van de noodlosschakelaar kan men verder rijden, let wel : voorzichtigheid is geboden, daar er door het uitschakelen van het halteremsysteem, gevaarlijke situaties kunnen ontstaan.

9

1 - 20

DD038500

5

Citea LLE

SERVICE SCHEMA'S

SERVICE SCHEMA'S

10

DD038500

SERVICE SCHEMA'S

5

Citea LLE

10

DD038500

5

Citea LLE

SERVICE SCHEMA'S

Service schema's

1.

SERVICE SCHEMA'S

10

DD038500

1-1

SERVICE SCHEMA'S

Service schema's

5

Citea LLE

10

1-2

DD038500

Information

DD038500_group5.book

186 pages

Report File (DMCA)

Our content is added by our users. We aim to remove reported files within 1 working day. Please use this link to notify us:

Report this file as copyright or inappropriate

686879


Notice: fwrite(): send of 207 bytes failed with errno=104 Connection reset by peer in /home/readbag.com/web/sphinxapi.php on line 531