Read Inleiding text version

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Blindestraat 9-13

B ­ 2000 Antwerpen

Materiaal-technisch vooronderzoek van een van de sculpturen afkomstig uit de reeks ZEVEN HEREN EN VROUWEN VAN VEERE, origineel afkomstig van het stadhuis te Veere, Nederland. 26 cm Afstand:

Lettertype:

lettertype Arial bold (MT), lettergrootte: 10 punt interlinie: auto

Joy Bosmans, Nils Coryn, Karel De Brauwer

1 1.

ste

en 2 Meestergraad C/R STEEN

de

Michaela Zur, Hana Hrazdirova Erasmusstudenten Academiejaar: 2002/2003

Docente: Carolien van der Star Verslagnummer: 01/03

CvdS

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Inhoudstabel

febr. 2005 Moet nog worden aangepast op hele rapport.

1 2 3 4

4.1

Inleiding Registratie van de administratie: Identificatie van het kunstwerk/object Het vooronderzoek

Het (kunst)historisch onderzoek

Literatuur- en archiefonderzoek Geraadpleegde literatuur Geraadpleegde archieven 4.1.1 4.1.1.1 4.1.1.2

4.2

Beschrijving van het kunstwerk

4.2.1 Historie (data) Stadhuis van VEERE en de zeven sculpturen van Ywyns 4.2.2 Gebruik van natuursteen in het Stadhuis van Veere 4.2.2.1 Naamgeving van Witte Arduin en Baumberger kalksteen in de 16de eeuw 4.2.2.2 Grootte van de steenvolumes en de gevolgen in het gebruik 4.2.2.3 Gebruik van Witte Arduin en Baumberger kalksteen gerelateerd aan de Familie Keldermans 4.2.3 De restauraties van het stadhuizen van Middelburg en Veere aan het begin van de 20ste eeuw 4.2.3.1 Inleiding 4.2.3.2 Namen en Functies tijdens de restauraties van de stadhuizen in Middelburg en Veere aan het begin van de twintigste eeuw. 4.2.3.3 Restauratie van het Stadhuis Middelburg: de sculpturenreeks 4.2.3.4 Restauratie van het Stadhuis Veere: de sculpturenreeks

4.3

4.3.1 4.3.2

De kunstenaar/auteur: korte biografie en situering van de kunstenaar.

De beeldhouwer YWYNS Onderzoek naar beeldsnijders en steenhouwers

4.4

Iconografisch onderzoek

De Heren en Vrouwen van VEERE Het sculptuur WOLFERT VI van Borssele Inleiding Beschrijving sculptuur Wolfert VI van Borssele. Historisch-archeologisch onderzoek van de heraldiek, kostuumgeschiedenis Kleding van Wolfert VI van Borssele De Baldakijn De baldakijn, buitenzijde De baldakijn, binnenzijde De Pinakel

4.4.1 4.4.2 4.4.2.1 4.4.2.2 4.4.2.3 4.4.3 4.4.4 4.4.4.1 4.4.4.2 4.4.4.3

5

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

Materiaaltechnisch of natuurwetenschappelijk onderzoek

Noodinterventies Beschrijving van de originele techniek en materiaal. Materieel onderzoek van inscripties en signaturen Materiële geschiedenis van het kunstwerk Conditierapport

5.5.1 2.5.1. Inleiding 5.5.2 2.5.2. Schades 5.5.3 2.5.3. Stratigrafisch onderzoek (onderzoek naar de verschillende opeenvolgende of over elkaar liggende lagen) 5.5.4 Schadebeeld Baldakijn en Pinakel

6

6.1

2.

Synthese van het onderzoek: evaluatie en motivatie

Evaluatie:

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

6.2

Motivatie:

7

7.1 7.2

De behandelingsvoorstellen

Minimuminterventies: Preventieve Conservatie of Conservatie:

7.2.1 Preventieve Conservatie 7.2.2 Conservatie 7.2.2.1 Kopiëren sculptuur 7.2.2.2 Verwijdering oudere toevoegingen van de sculptuur (oude gipsrestauraties) 7.2.3 Hereniging van origineel materiaal binnen de conservatie. 7.2.3.1 Aansluitende breukvlakken herenigen of ook lacunes opvullen. 7.2.4 Museale opstelling architecturaal beeldhouwwerk na conservatie. 7.2.4.1 Voorbeelden van het exposeren van delen van volplastische sculpturen 7.2.4.2 Voorbeelden van het exposeren van volplastische sculpturen op hoogte 7.2.4.3 Voorbeelden van ondersteuningen bij het exposeren van volplastische sculpturen 7.2.4.4 Voorbeelden van ondersteuningen die werken als sokkels bij het exposeren van volplastische sculpturen

7.3

Restauraties:

8 9 10

Conclusie Bibliografie Bijlagen

Werken van Evert Spoorwater, architect, in relatie tot het stadhuis van Veere. 10.1

10.2 Werken van vier van de familieleden Keldermans, in relatie tot het stadhuis van Veere en de beeldhouwer en/of familie Ysewijnsz.

3.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

1

Inleiding

Deze rapportage bevat een verslag van het onderzoek van één natuurstenen sculptuur inclusief baldakijn. Het betreft het volplastische sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE dat deel uit maakt van een serie van zeven gelijkaardige sculpturen, namelijk de Heren en Vrouwen van Veere, Zeeland. De originele sculpturen zijn van de hand van de Mechelse beeldhouwer Michiel Ywyns en zijn afkomstig van de gevel van het Stadhuis van Veere, in de provincie Zeeland. Dit monument dateert uit het eind van de 15de eeuw. Eerst en vooral primeerde de vraag of deze volplastische sculpturen een conservatie, dan wel restauratiebehandeling nodig hebben. Na een eerste vluchtige schade-inventarisatie is deze vraag reeds met een ja te beantwoorden. Conservatie met restauratieve handelingen zijn noodzakelijk. Hierdoor werd een uitgebreid vooronderzoek noodzakelijk. In dit vooronderzoek werden meerdere aspecten van de sculptuur onderzocht: Bij het materiaaltechnische onderzoek werd de materiële waarde van het object benaderd, waarbij tevens de materiële geschiedenis van het object werd onderzocht en een conditierapport werd opgesteld. Analyse van deze gegevens leidde tot een evaluatie en motivatie voor de behandeling, met hieraan gekoppeld meerdere behandelingsvoorstellen. De mogelijke behandelingswijzen worden hierin beargumenteerd.

4.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

2

Registratie van de administratie:

· Opdrachtgever Rijksgebouwendienst, Postbus 368, 3100AJ Schiedam, Nederland, vertegenwoordigd door H.S. Jepkema, Directie Zuid-West. · ? · Uitvoerder Carolien van der Star, titularis studio STEEN, opleiding Conservatie/Restauratie Joy Bosmans, Nils Coryn, Karel De Brauwer, studenten 1ste en 2de Meestergraad C/R STEEN Michaela Zur, Erfurt, Duitsland en Hana Hrazdirova, Praag, Tjechie, Erasmusstudenten, academiejaar 2003-2004. · Beschrijving van de opdracht Literatuur en materiaaltechnisch vooronderzoek van één van de sculpturen afkomstig uit de reeks ZEVEN HEREN EN VROUWEN VAN VEERE, origineel afkomstig van het stadhuis te Veere, Nederland. · Overeenkomst volgens offerte Hacom, Keizerstraat 15 2000 Antwerpen, Belgie · Behandelingsplaats Museum De Schotse Huizen, Kaai 25-27, 4351 AA Veere, Nederland Tel 0031-118-501744 · Voorbehoud van uitbating i.v.m. eventuele publicatie De projectleider (KASKA studio Steen) behoudt zich het recht tot publicatie van het restauratiedossier. · Opsteller van verslag C.M. van der Star, titularis Studio C/R STEEN i.s.m. studenten 1ste en 2de meestergraad + Erasmusstudenten · Datum van verslag Augustus 2003 · Handtekening Eigenaar

5.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

3

Identificatie van het kunstwerk/object

Wolfert VI van Borssele Heren en Vrouwen van Veere, NL 1517 Begane grond, Museum De Schotse Huizen, Veere, NL Kaai 25-27 4351 AA Veere, Nederland Noord-gevel van het stadhuis van Veere, NL

Sculptuur Sculpturenreeks Jaartal sculpturen Plaats van bewaring sculpturen Adres Plaats Oorspronkelijke bewaarplaats · Naam van de kunstenaar Michiel Ywyns

· Titel/omschrijving van het kunstwerk Een van de heren van Veere · Voorstelling: Wolfert VI van Borssele * 1430 - 1486 · Materiaal Natuursteen, vermoedelijk Avesnessteen · Techniek Volplastisch, gekapt sculptuur · Inventarisnummer: 90828 of 50828 in zwarte verf op de steen · Datering Ca 1517-1520 · Inscripties/merktekens Een aantal letters, waarbij BORSEL goed leesbaar is, in grote letters van zwarte verf onderaan links op het voetstuk. · Verwante werken Vijf- en twintig sculpturen van graven en gravinnen afkomstig van het stadhuis van Middelburg · Afmetingen met voetstuk 167 cm 56 cm 53 cm 13 cm onderste deel 25 cm 62 cm 30 cm Voetstuk Hoogte Breedte Diepte Pinakel Hoogte Breedte Diepte 9 cm 32 cm 44 cm

Sculptuur Hoogte Breedte Diepte Muts Baldakijn Hoogte Breedte Diepte

87 cm 28 cm 25 cm

6.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4

4.1

Het vooronderzoek

Het (kunst)historisch onderzoek

Bij de start van het onderzoek naar de maker van de 16de eeuwse sculpturenreeks Heren en Vrouwen van Veere wordt het vrij snel duidelijk dat er hierover nog maar weinig archiefgegevens zullen bestaan. Archiefonderzoek naar de bouwgeschiedenis van het stadhuis in Veere wordt namelijk bemoeilijkt door de geschiedenis zelf. Voor de restauratie in de jaren 1930-'36 werden veiligheidshalve de archieven van het Walcherse platteland, liggende in het stadhuis van Veere, naar het Middelburgse stadhuis ondergebracht. Helaas brandde in mei 1940 als gevolg van een bombardement het stadhuis van Middelburg deels uit. Hierbij gingen archieven, waaronder het archief van de stad Veere, ook deels verloren. Het historisch onderzoek richt zich op de volgende vier punten: 1. Verkrijgen van informatie over de Mechelse beeldhouwer M. Ywyns in verband met de sculpturen reeksen die hij gekapt heeft voor het stadhuis van Veere en die van het stadhuis in Middelburg. Zijn deze sculpturen te vergelijken en wat levert de vergelijking aan gegevens op voor de restauratie van de sculpturen van Veere. Heeft de beeldhouwer ook andere, gelijkende sculpturenreeksen gebeeldhouwd voor bijvoorbeeld andere stadhuizen in de regio Zuid Nederland. Zijn er andere sculpturen van zijn hand ergens in een collectie te vinden. 2. Wat is de bouwgeschiedenis van het stadhuis van Veere en het daarbij behorende gebruik van natuursteen. Heeft de bouwmeester of hebben de bouwmeesters ook in andere projecten samengewerkt met de beeldhouwer M. Ywyns. Zijn hierdoor meer gegevens bekend over de beeldhouwer en zijn oeuvre. Wordt door de bouwgeschiedenis ook de restauratiegeschiedenis van de beelden van Ywyns zichtbaar? 3. Bestudering van de restauratiegeschiedenis van het stadhuis te Veere uit de jaren 1930. Is het te achterhalen hoe de originele sculpturen zijn gerestaureerd, welke materialen er zijn gebruikt en waarom men heeft besloten de sculpturen nieuw te kappen? 4. Bestudering van de kleding en sieraden van een van de originele sculpturen. Voor het begrijpen van een sculptuur en voor eventuele latere restauraties als plastische herstellingen is het nodig dat de restaurator zich kan baseren op vergelijkend materiaal.

4.1.1

4.1.1.1

Literatuur- en archiefonderzoek

Geraadpleegde literatuur

In het onderzoek naar literatuur is nagegaan wat er geschreven is over het stadhuis van Veere en uit welke bronnen de gegevens zijn gehaald. 1751-1753 Publicatie bij uitgeverij Isaac Tirion in Amsterdam van het werk Tegenwoordige staat van Zeeland en Staats-Vlaanderen geschreven door P. Boddaert, J.Plevier en N. v.d. Schatte. Hierin wordt de bouwkundige geschiedenis van Veere beschreven met daarin een beschrijving van de heren en vrouwen van Veere. De schrijvers baseren zich o.a. op een eerdere publicatie van Marcus Zuerius Boxhorn, Chronijck van Zeelandt uit 1644. Boxhorn zelf neemt als uitgangspunt de geschriften van d'heer Johan Rygersbergen. Reygersbergen of Reygersbergh uit Kortgene publiceert zijn Dye Cronijck van Zeelandt in Antwerpen in 1551. Reygersbergen heeft in zijn leven in Veere gewoond.

7.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

1780-1794

In de 18de eeuw werd de middeleeuwse geschiedenis beschreven door de Veerse geschiedschrijver Jacobus Ermerins (1725-1789) in zijn werk Eenige Zeeuwse oudheden uit de echte stukken opgeheldert en in het licht gebracht, uitgegeven in Middelburg. Hij beschrijft de geschiedenis van de heren van Veere citerend uit stadsrekeningen. Deze waren beschikbaar vanaf 1402. In het stadsarchief van Middelburg is de Inleiding tot eene beschrijving der rechten van den heer van Vere aanwezig met daarin de rekeningen beschreven die in 1940 bij de brand verloren zijn gegaan. Deze inleiding, uitgegeven door het Zeeuws genootschap in 1930 is opgesteld door de vroegere gemeentearchivaris mr. L.E. de Brakke en bevat de oudst bewaarde rekening uit 1402 en verder een serie rekeningen bijna van de hele 15de eeuw. In het boekje Het stadhuis van Veere wordt de bouwhistorie beschreven door W.S. Unger, gemeentearchivaris van Middelburg, die zich o.a. baseert op stadsrekeningen, door J.W. Perrels1 in 1928 getranscribeerd. M.J.J. Beveren, de opzichter van de restauratiewerken van het stadhuis van Veere en H.van Heeswijk, restauratiearchitect, beschrijven de restauratie. Henri Donkers, voorzitter van de restauratiecommissie schrijft het voorwoord. In de publicatie van de RDMZ, Schade aan natuursteen in Nederlandse monumenten geven A. Kramer en J. Feenstra de materiaaltechnische situatie van het stadhuis in Veere weer. Deze zijn verkregen door visuele observaties. In de jubileumuitgave van Archief, de mededelingen van het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, publiceert archivaris Peter Blom het artikel De zeldzaamheden op het gemeentehuis voorhanden. Het stadhuis van Veere met zijn inrichting. In dit artikel gaat hij vooral in op de inrichting van het stadhuis van Veere. In 1996 verscheen de studie Veere van vissersbuurt tot vestingsstad van T. Polderman en P. Blom over de bouwgeschiedenis van de stad Veere, gebaseerd op oude stadsrekeningen. In Archief, jaargang 1997, het mededelingenblad van het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, publiceerde D.M.A. Noorlander-van der Lee De stadsrekeningen van Veere 1467-68. De publicatie geeft zicht op het 15de eeuwse stadsleven in Veere.

1930

1934

1986

1994

1996

1997

4.1.1.2

Geraadpleegde archieven

Een uitvoerige bestudering naar de archieven van stadsrekeningen, ambachten en gilden, transportgeschiedenis van natuursteen etc. behoort buiten de strekking van deze opdracht. Er zijn door de studenten van de opleiding C/R Steen bezoeken gebracht aan de volgende archieven: Middelburg In Middelburg heeft in het Zeeuws archief2 een gesprek plaats gevonden met de heer P. Blom, archivaris. Hierbij werd een fotoboekje gepresenteerd van de heer van Beveren, opzichter tijdens de restauratie van het Veerse stadhuis in de jaren '30. In het fotoboekje staan wat foto's van de sculpturen nadat ze van de gevels werden gehaald en nadat ze in de kelder van het stadhuis werden opgesteld. De heer Blom verzekerde dat bij zijn weten aan informatie over de sculpturen van Ywyns niet meer te vinden was als datgene wat reeds verschenen is in de diverse voornoemde publicaties.

1

2

J.W. Perrels was agent van politie en gemeentebode in Veere (en amateur-historicus). In de Middelburgse courant publiceerde hij over historie van het Veerse stadhuis, zich baserend op de stadsrekeningen van 1473-1482. Het Zeeuws archief is een samenvoeging van het voormalig Zeeuws rijksarchief en de voormalige gemeentearchieven van Middelburg en Veere. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

8.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Mechelen

In de algemene bibliotheek van het stadsarchief van Mechelen is gezocht naar informatie over de familie Keldermans en de beeldhouwer Michiel Ywyns. In deze bibliotheek zijn oudere publicaties gevonden over Rombout Keldermans en de bouwgeschiedenis van het stadhuis te Middelburg. Bij de RDMZ in Zeist zijn de dossiers over de restauratie van het stadhuis en de sculpturen uitvoerig bestudeerd. Ook is er gekeken naar literatuur over de restauratie van het stadhuis van Middelburg.

Zeist

9.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4.2

Beschrijving van het kunstwerk

In dit hoofdstuk wordt de bouwgeschiedenis van het stadhuis van Veere en het daarbij behorende gebruik van natuursteen beschreven. Ook wordt onderzocht of de bouwmeesters ook in andere projecten samengewerkt met de beeldhouwer Michiel Ywyns. Het is de vraag of hierdoor meer gegevens bekend worden over de beeldhouwer en zijn oeuvre. Tevens is het de vraag of door de bouwgeschiedenis ook de restauratiegeschiedenis van de beelden van Ywyns zichtbaar wordt.

4.2.1

Historie (data) Stadhuis van VEERE en de zeven sculpturen van Ywyns

De bouw van het stadhuis van Veere, (op het eiland Walcheren in de provincie Zeeland, in het Bourgondische Nederland) vond in opdracht van de heer Wolfert VI van Borssele plaats tussen 1474 en 1517 en stond vermoedelijk onder leiding van bouwmeester Evert Spoorwater. Na de dood van Spoorwater in 1474 werd hij in de meer Zuidelijke Nederlanden opgevolgd door Anthonis I Keldermans3 voor o.a. de kerken in Bergen op Zoom, Veere en Dordrecht. De eerste steen voor het stadhuis in Veere wordt gelegd door de oudste zoon van Wolfert VI van Borssele, Lodewijk of Loys.

(Bouwmeesters en specifieke informatie over de sculpturenreeks van Michiel Ywyns staan in vet.) 1474

1475-76

Meester Heinric de metselaere kocht steen om `de upganc van der stede huys mede te maken'. Door zijn knecht werden de zeven tabernacelen voor de beelden uit Mechelen gehaald, gemaakt door Andries Keldermans4. Keldermans krijgt als `'steenman voor het werk (genoemd in de rekeningen uit 1475-76) 8£ 3 sc en 4 gr.56 Volgens P. Blom, (1994) is de levering door meester Andries Keldermans van de tabernaecklen7 of baldakijnen boven de beelden van latere datum8, In dit jaar en de opvolgende jaren worden er sculpturen in de hiervoor bestemde nissen naast de vensters geplaatst. Het zijn de beeltenissen van de Heren en Vrouwen van Veere. Voor de nissen aan weerskanten van de toenmalige ingang werden een sculptuur Aankondiging van de geboorte van Jezus en mogelijk Johannes de Doper geleverd9. Beeldhouwer Michiel IJsewijnsz.10 maakte de serie van zeven beelden van de Heren en Vrouwe van Veere11. Hij leverde overigens in die tijd ook voor drie pond per stuk de gravenbeelden aan de lange gevel van het stadhuis en vleeshuis12 in Middelburg.

1482 1517

Anthonis I Keldermans ( okt 1512), werkt samen met zijn vader Andries I Keldermans ( ca. 1500),. Hij neemt, na de dood van Meester Spoorwater in 1474 meerdere bouwprojecten over. Hij werkt met zijn vader samen aan het stadhuis van Middelburg in 1481. De geschiedenis van de bouwmeesters Keldermans' staat beschreven in Keldermans. Een architectonisch netwerk in de Nederlanden onder redactie van J.H. van Mosselveld, uitg. 1987. 4 Andries Keldermans, vader van Anthonis I kapt beeldhouwwerk voor Mechelen, Leuven, Zierikzee, Middelburg, Haarlem, Lier etc. Hij wordt stadslaken te Mechelen. In Keldermans, een architectonisch netwerk in de Nederlanden wordt Andries niet in relatie gebracht met het stadhuis van Veere. 5 W.S. Unger, M.J.J. van Beveren en van H. van Heeswijk, Het stadhuis van Veere, Middelburg, 1934, p. 11. 6 1 pond, livre (lb) = 20 schellingen, sous (s) = 240 penningen, deniers (d) 1 schelling = 12 penningen. Voor de waarde van de munten bestaan omrekentabellen. 7 de Tabernakel = nis met heiligenbeeld erin. Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal, 11 druk, 1989. 8 (uit GAV, DC inv. Nr 128). 9 P. Blom, De zeldzaamheden op het gemeentehuis voorhanden, Middelburg 1994, p. 24 10 Michiel Ywyns is schoonzoon van Anthonis I Keldermans, getrouwd met dochter Kathelijne. In de genealogische tabel, in de publicatie over de familie Keldermans uit 1987 wordt dit feit zichtbaar. 11 M. Beerman e.a., red. Beeldengids Nederland, Rotterdam 1994, pag. 261 12 J.H. Mosselveld, o.c. 1987, p. 95 10. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

3

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Aan Michiel Ijssewijnsz of Ywijns, te Mechelen, `dezelfde die ook de gravenbeelden voor het Middelburgse raadhuis schiep 8£ gr. betaald `ter causen van der bootscap ende heer Hendrick, die hy gemaect heeft'. En Anthonis de schildere kreeg 20 sc. Om deze beelden `te stofferene' Stofferen is het polychromeren van sculpturen.

13

Het sculptuur De Annunciatie is verloren gegaan, het beeld van de opdrachtgever van de bouw van het stadhuis is een van de serie sculpturen van heren en dames van Veere. Hoewel de stadsrekeningen over 1518-1520 ontbraken wordt aangenomen dat dezelfde beeldhouwer de volgende jaren de rest van de serie sculpturen heeft gekapt.14 Rond 1526 Anthonis de schildere is volgens Blom overigens Antoon Jansz. Van der Goude.15 Anthonis de scilder maakte ook een ontwerp voor het stadhuis in Zoutleeuw. Hij treedt daarmee in directe concurrentie met Rombout III Keldermans, die ook een ontwerp levert.16 Panorama van Walcheren, van Antoon van de Wijngaerde. Hierop is het stadhuis van Veere voor het eerst herkenbaar afgebeeld. De sculpturen zijn in 1588 reeds gerestaureerd, vanwege beschadigingen opgelopen tijdens de oorlog. `Hans van Halewijn, antijcksnijder, wordt betaald `over dat hij de beelden van de heeren ende vrouwen deser stede staende voor het stathuijs verzien ende gerepareert heeft'. Eenighe van hooffden, handen ende voeten werden verzien die in `t beginsel deser oirloghe duer moetwillichheijt van de soldaeten affgeschoten waren'.17 Het stadhuis wordt voorzien van acht trappen, van voren voorzien van vier gekapte leeuwen, zittende op even zo veel pilaren. De twee bovenste hielden de wapens van Zeeland en Prins Maurits. De onderste leeuwen het wapen van de stad Veere.

1550 afbeelding 1587

158818

W.S. Unger e.a. o.c., 1934, p. 11 W.S. Unger e.a. o.c., 1934, p. 12-13 15 P. Blom, o.c. 1994, p. 24 16 J.H. Mosselveld, o.c. 1987, p. 96 17 P. Blom, o.c. 1994, p. 25 18 P. Boddaert, J. Plevier en N. van der Schatte Tegenwoordige staat van Zeeland en Staats-Vlaanderen, Amsterdam, 1753, p.169

14

13

11.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Afb. 001 Kaart van de Bourgondische Nederlanden in 1476

Afb.002 Kaart van de Beeldenstorm rond 1566

De kaart laat de bezittingen zien van Karel de Stoute in 1476. Dit is ten tijde van het begin van de bouw van het stadhuis te Antwerpen.

In 1566 was de situatie behoorlijk gewijzigd. De beeldenstorm werd vanuit Antwerpen behoorlijk aangejaagd richting Walcheren, Zeeland.

1594-99

De nieuwe hoge, slanke toren wordt ontworpen door Adriaen de Muer of Muyr, de Middelburgse stadstimmerman, afkomstig uit Brugge. Hierdoor krijgt de gevel met het verticale accent nog een extra dimensie, het geen de schilderachtigheid van het geheel benadrukt. Bovenop de torenromp zijn op de hoeken uitkragende consoles zichtbaar. Hierop staan acht hermen voorzien van bolle buiken gesneden door Hans van Halewijn19.20 Stadhuys ter Vere uit: M.J. Smallegange, Nieuwe cronijk van Zeeland. Op de afbeelding is zichtbaar dat de sculpturen van zowel Hendrik II (uiterst links op de gevel) als Adolf van Borsselle (uiterst rechts op de gevel) aan hun rechterzijde schilddragend zijn. De standen van de armen op de afbeelding kloppen niet met de standen van de huidige armen van de originele sculpturen. Beide nissen bij de voormalige ingang op begane grondniveau zijn leeg. De sculpturen Aankondiging van de geboorte van Jezus en Johannes de Doper zijn dan niet meer aanwezig (mochten ze er ooit geweest zijn)

1696 afbeelding

19 20

Halewijn heeft eerder de zeven sculpturen gerestaureerd. R.Vos en F. Leeman, Het nieuwe ornament, De Haag, 1986, p. 88 Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

12.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Lege nissen

Afb. 003, 1696, Staduys ter Vere

Afb. 004, Kaart van Zeeland rond 1660

1743 afbeelding

Het Stadhuys ter Vere uit: Tegenwoordige staat der Verenigde Nederlanden, Zeeland. Ten opzichte van de afbeelding uit 1696 zijn er kleine veranderingen. De dakkapellen zijn, op één na, verdwenen. De gesculpteerde leeuwen aan de trap zijn niet meer aanwezig en ook de beide schilden in de sculpturen uiterst links en rechts lijken weg. De twee lege nissen op de begane grond zijn hier verdwenen.

Afb. 005, 1743 Het stadhuys ter Vere

13. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

18 of 19de eeuw 1843

De sculpturenreeks wordt voorzien van een stuclaag. Van Beveren noemt dit jaartal omdat er, volgens de stadsrekeningen, voor het laatst een verflaag is aangebracht op de Noordgevel21. Het is niet bekend of de sculpturenreeks is mee geschilderd. Cornelis Springer maakt Schetsen en fragmenten van het Veerse stadhuis. Te zien zijn verscheidene van de gevelsculpturen. Ook is zicvhtbaar dat een van de sculpturen geen handen meer heeft. W.S. Unger vermeldt deze jaren omdat daarin een niet zeer belangrijke restauratie plaats vond (voorloopige lijst VI p 246). Toestand van stadhuis beschreven door W Scheepens. De pui met vier leeuwen die werd gebouwd in 1588 is vervangen in 1751. Hierop werden de twee wapenschilden van 1588 geplaatst Restauratie van het stadhuis. `Bij het zetten van de stelling en het verwijderen van de verflagen blijkt dat de natuursteen in slechte toestand verkeerd; de beeldhouwwerken zelfs in deplorabele toestand. De baldakijnen waren nog slechts fragmentarisch aanwezig'.23 De beelden worden uit de gevel genomen. Beeldhouwer L.O. Wenkebach kapt de huidige zeven gevelbeelden. Deze nieuwe beelden zijn geen gekopieerde, maar nieuw gekapte beelden. De gedachte hierachter is gebaseerd op de Grondbeginselen24 van 1917. Hierin geldt voor beeldhouwwerk dat de hand van de meester nooit goed kon worden nagevolgd. Het nieuwe beeldhouwwerk moest daarom niet de vormen vertonen van de vroegere tijd maar het werk zijn van een kunstenaar.25

1857 afbeeldingen

1885-1886 1921 Zd tussen 14- en 22 nov.22 1931-1934 Aug 1931

Juli 1933

Van de stenen leeuwen, welke de dakvensters bekronen, wordt één originele herplaatst. De overigen zijn nieuw gehouwen en aangebracht door N. van der Schaft, evenals de baldakijnen. 26 In het boekje Het stadhuis van Veere wordt vermeld dat de originele beelden in de fraai gewelfde kelder hun laatste rustplaats hebben gevonden. Bij een verbouwing van de huizen Het lammeke en In den Struys tot museum aan de Kaai van Veere worden in het laatste huis op de begane grond de beide lange wanden voorzien van meerdere nissen, ten behoeve van de gravenbeelden van de voorgel van het stadhuis.27

1934

1948-1949

W.S. Unger e.a. o.c., 1934, p. 24 Uit archief RDMZ W.S. Unger e.a. o.c., 1934, p. 28 24 1917, Grondbeginselen en voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude bouwwerken. Jan Kalf schreef hiervoor de inleiding en baseerde zich op ideeën van o.a. J. Ruskin, W. Morris etc. Kalf vond dat verder verval moest worden voorkomen, maar verwierp reconstructie van de oorspronkelijke toestand. 25 In het artikel van P. Terwen Hakken: meer transpiratie dan Inspiratie. G.A, Graff in de Haagse wereld van de beeldhouwers staat een foto (blz 156) van het atelier van beeldhouwer H.M. Hagedoorn in Scheveningen. Diverse nieuwe beelden voor het stadhuis van Veere zijn hier zichtbaar. Ook de driepuntspasser is zichtbaar. Op het voorste sculptuur zijn de meetpunten zichtbaar. 26 W.S. Unger e.a. o.c., 1934, p. 29 27 uit: Bouwhistorische aantekening, Min. VROM, 1999, p. 17

22 23

21

14.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Afb. 006, De sculpturenreeks gerestaureerd opgesteld in de kelder van het stadhuis. v.l.n.r.Wolfert VI, Charlotte, Philips , Anna, Adolf

Het album van Van Beveren bevat foto's met de sculpturen in een soort museale situatie. De beelden staan op een sokkel en delen van de baldakijnen en pinakels staan erbij. De beelden zijn ergens in de jaren 1930 gerestaureerd en opgesteld in de gewelfde kelder van het gerestaureerde stadhuis. Deelconclusies 4.2 Wordt de geschiedenis van de sculpturen bestudeerd, dan vallen de volgende zaken op: · Bronnen spreken zowel over de sculpturenreeks van het stadhuis in Middelburg als die van het stadhuis van Veere over beeldhouwer M. Yswyns, aangetrouwde kleinzoon van Andries I Keldermans, als de maker. Het is de vraag of al de zeven Veerse beeldhouwwerken van Michiel Ywyns is omdat de stadsrekeningen hiervan ontbreken. De sculpturenreeks werd gepolychromeerd door Anthonis de Scilder. Daar hij in 1526 het ontwerp leverde voor het stadhuis van Zoutleeuw is het vermoedelijk zo dat alle sculpturen van beide stadhuizen klaar zijn in 1526. Doordat ten tijde van de beeldenstorm een aantal van de Veerse beelden zijn beschadigd worden ze gerestaureerd door Beeldhouwer Halewijn. Deze kapt daarna ook de hermen in de toren. Tot nu toe zijn meer gegevens over deze beeldhouwer onbekend. Worden de afbeeldingen van 1696 en 1743 vergeleken dan is zichtbaar dat in ieder geval op de afbeelding van 1743 geen de leeuwsculpturen en schilden aanwezig zijn. In vergelijking met nu is de stand van verscheidene armen in de originele sculpturen zeer verschillend. De beelden worden eventueel voorzien van een stucklaag en een verflaag. Hiernaar moet meer microscopisch onderzoek worden gedaan.

· ·

·

·

·

Het fotoalbum van Van Beveren toont het vervoer van de sculpturen, in gebroken delen. De beelden zijn ergens in de jaren 1930 gerestaureerd en opgesteld in de gewelfde kelder van het gerestaureerde stadhuis.

15.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4.2.2

Gebruik van natuursteen in het Stadhuis van Veere

De bestudeerde literatuur is niet eensluidend over de gebruikte steensoorten in zowel de architectuur van het stadhuis als in de sculpturenreeks. Oudere literatuur heeft het over arduin en witte arduin in gevoerd uit het huidige Vlaamse Brabant. In 1985 wordt gesproken over Baumbergersteen, een kalksteen uit het huidige Duitsland. P. Boddaert e.a. 1753 Het stadhuis van Veere wordt in De tegenwoordige staat omschreven als is een fraai, ouderwets gesticht van witte arduinsteen28. Aan de voorgevel, met een oriëntatie op het noord oosten pronken de standbeelden van sommige voorgaande Heeren en Vrouwen van Veere, ook van witte Arduinsteen. W.S. Unger e.a. 1934 A. Slinger e.a. 1980 Unger heeft het over grote hoeveelheden arduin29, en noemt Steven van Ylen30, als voornaamste steenleverancier. De informatie haalt hij uit de artikelen van Perrels. Slinger zegt dat het basement en de zijgevel van Gobertange31 zijn gemaakt. De overige paramenten zijn van Ledesteen. De beelden van Wenckenbach zijn gemaakt van Coutarnoux. Slinger geeft geen informatie over de originele beelden. Ook Kramer herkent door visuele bepaling dezelfde gebruikte steensoorten in de voorgevel. Maar de originele beelden zijn volgens Kramer gemaakt van Baumberger kalksteen32.

A. Kramer e.a. 1985

4.2.2.1

Naamgeving van Witte Arduin en Baumberger kalksteen in de 16de eeuw

Wat is witte Arduin en waar werd deze steensoort gebruikt in de 15de en 16de eeuw. Wanneer en waar werd Baumberger kalksteen toegepast? Gobertange en Ledesteen (of Balegemse steen) zijn allebei witte stenen en in de 15de en 16de eeuw op grote schaal toegepast in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden. Janse en de Vries signaleren verschillende namen voor beide stenen. Witte arduin, Brabantse steen, Orduin Plaats Vindplaatsen Kenmerk steen

28 29

Noordoosten en oosten van Brussel Diegem Harde steen

Tussen Gent en Brussel Affligem Dilbeek Zachte, meer gele steen33

P. Boddaert e.a., o.c.1753, p. 169 W.S. Unger e.a. o.c., 1934, p. 30 Janse en de Vries noemen in Werk en merk van de steenhouwer verscheidene malen Stefan Elen van Affligem. Deze levert rond 1450 aan het Goudse stadhuis. In 1458-'59 levert hij steen voor de Romboutstoren in Mechelen, in 1470 steen voor de St.Bavokerk te Haarlem en in 1473 voor de St. Gummaruskerk te Lier. 31 A. Slinger en H. Janse en G. Berends, Natuursteen in monumenten, Zeist 1982, P. 43 en 46 32 A. Kramer en J.F. Veenstra, Schade aan natuursteen in Nederlandse monumenten, Zeist, 1985, P. 16. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Naamgeving

Steen van Diegem Brusseliaanse steen, Gobertange, Gobertingensteen (B) Gobertanger (NL). Brabantse arduin (naamgeving Janse en de Vries)

Balegem (B) Ledesteen (NL) Witte of Vlaamse arduin

Nieuwe naamgeving

Vlaamse arduin (naamgeving Janse en de Vries)

F. Doperé34 heeft bouwrekeningen onderzocht in verband met het gebruik van Gobertangesteen in de belangrijkste Brabantse bouwwerken. Al in de 15de eeuw werd de meeste Gobertangesteen volledig in de steengroeve afgewerkt, daar waar het profielwerk betrof. De bouwmeesters controleerden in de groeve regelmatig de afwerking. Het beeldhouwwerk kapte men meer in de bouwloods, dus in situ. Uit de bouwrekeningen kon Doperé ook een vocabularium opstellen van de verschillende geproduceerde bouwelementen. Hieruit blijkt de gewoon behouwde steen aangeduid werd met de woorden Arduyne, ordune, oerduynen, orduynen. De term arduin kan dus eventueel niets te maken hebben met de gebruikte steensoort maar met het de afwerkingsstaat van het geleverde bouwelementen; het type van steenbewerking.

Afb. 007, Naamgeving getailleerde steen van de 14de tot de 16de eeuw Uit: La Gobertange. Une pierre, des hommes Glimes 2000, p. 125

33

Dat Vlaamse Arduin, (nu Ledesteen of Balegemse steen genaamd) zachter is dan Gobertange is informatie die in vele boeken terug te vinden is maar in de praktijk niet wordt bevestigd. Volgens ervaringsdeskundigen is de Balegemse steen heel hard. 34 F. Doperé,' L'exploitation du calcaire greseux de Gobertange au Moyen Age' In: La Gobertange. Une pierre, des hommes Glimes 2000, p. 125 17. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4.2.2.2

Grootte van de steenvolumes en de gevolgen in het gebruik

Brabantse arduin of Gobertange wordt gedolven in schollen die niet groter zijn dan 15 tot 30 cm. In zijn artikel Onderzoek naar de geschiedenis van de technieken in de kunstgeschiedenis heeft F. Doperé het zelfs over Gobertange met een maximale hoogte van 15 cm. Door deze geringe hoogte wordt van Gobertangesteen alleen specifiek beeldhouwwerk gemaakt. Doperé stelt dat het typische Brabants gotische koolbladmotief op kapitelen juist is ontstaan omdat grote bladeren moeilijk te kappen te zijn wegens de geringe hoogte van de steen. Door de verkrijgbaarheid van grotere volumes en een zachtere kwaliteit is de steen uit Affligem en Dilbeek (Vlaamse arduin of Balegem) voor beeldhouwwerk en groter beeldhouwwerk meer geschikt. De verkrijgbare steenstukken waren alleen toch niet zo groot voor het maken van groot beeldhouwwerk. Balegemse steen is verkrijgbaar in een grootte tot een halve meter. In Balegem kunnen ook allerlei onregelmatigheden voorkomen. In Werk en merk van de steenhouwer, De invoer van zandsteen in Nederland 35 wordt het gebruik van de Baumberger kalksteen beschreven. Deze wordt, samen met de Bentheimer zandsteen, vanaf ca 1440 in Oost-Nederland veel gebruikt. De steen werd via de rivieren de Lippe en de Rijn vervoerd. Vanuit Deventer werd in 1499-1500 Baumbergersteen ingevoerd voor de Utrechtse Dom36. Rond deze tijd komt de steen voor in constructieve en decoratieve delen op adellijke en kerkelijke gebouwen in Midden- en OostNederland, veelal gecombineerd met Bentheimer zandsteen. Kerkelijke gebeeldhouwde gebruiksvoorwerpen komen minder vaak voor. In het westen van Nederland komt het gebruik van de Baumberger kalksteen niet voor rond de laatste helft van de 15de eeuw en de eerste helft van de 16de eeuw. In Werk en merk van de steenhouwer zijn steenleveranties in het tijdvak 14751525 aan de gebroeders Keldermans' of aan de stad Veere of Middelburg niet aan de orde, laat staan naar Mechelen, de woon- en werkplaats van Michiel Ywyns. Leveranties van Baumberger steen komen voor in steden als Kampen, Deventer, Nijmegen, Rhenen en Utrecht. In Schade aan natuursteen staan monumenten genoemd waar geconstateerd is dat Baumberger steen werd gebruikt: geografisch springt Veere hier tussenuit: alle andere plaatsen liggen meer in het noorden, oosten en midden van Nederland. Baumberger kalkzandsteen is steeds in grotere volumes te verkrijgen geweest, waardoor groot beeldhouwwerk gemaakt kon worden. In het boekje Bestendige vergankelijkheid37 beschrijft H. Tolboom overigens dat het Renessemonument in de Grote Kerk van Breda jarenlang, en zelfs na determinatie, werd gezien als Baumbergersteen. Pas na restauratie van het monument werd de steen geïdentificeerd als Avesnessteen. Dit verschil maakte overigens niets uit voor de in de restauratie gebruikte materialen.

Brabantse arduin

Vlaamse arduin

Baumberger of Munsterkalksteen

Avesnessteen

Als gekeken wordt naar het gebruik van natuursteen voor beeldhouwwerk in de zuidelijke Nederlanden in de 15de en 16de eeuw dan blijkt dat in de 15de eeuw in Brabant al veel vraag naar een goede steen om beelden te snijden. Vaak werd

d

D de Vries `Werk en merk van de steenhouwer- De invoer van zandsteen in Nederland', in: Sporen in zandsteen, Ludinghousen 1999, p. 80-81 36 Mathijs Keldermans levert overigens dezelfde tijd Avesnessteen aan de Utrechtse Dom. 37 Bestendige vergankelijkheid : het gerestaureerde grafmonument voor Frederik van Renesse in de Grote Kerk te Breda / Harry Tummers. - Zeist : RDMZ, 2004. 18. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

35

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

gebruik gemaakt van de steen van Loets. Zo werd de Avesnessteen in de 15de eeuw vaak genoemd. Deze steen was, in vergelijking met de steen van Dilbeek, in grotere stukken verkrijgbaar. Helaas erodeerde de steen buiten iets sneller in vergelijking met de Dilbeekse steen. Daarom werd de Avesnessteen behandeld met allerlei producten, geheim van samenstelling. De groevemeesters van Avesnes concurreerden in de 15de eeuw al behoorlijk met de de groevemeesters van de Dilbeekse steen. Jan Keldermans kocht deze steen al in 1440 in Antwerpen. Jan II Keldermans, bouwmeester van het Leuvense stadhuis vanaf 1439, voerde de sculpturale versieringen aan de achterste vleugel van het stadhuis uit in Avesnessteen. Zijn opvolger Mattheus de Layens (ook Lalaing genaamd, 1400-1487) ontwierp samen met andere bouwmeesters, het voorste deel van het Leuvense stadhuis, met veel versierselen als tabernackelen en beelden. Beeldhouwwerk maar ook deels het paramentwerk werd uitgevoerd in Avesnessteen. Tussen 1448 en 1459 komen er meer dan 23 scheepsladingen van deze steen uit Avesnes-leSec. Doordat de Avesnessteen zachter was, werd de tijd van het tailleren van de steen ook bekort. Hierdoor werd de prijs van de steen goedkoper. Avesnessteen is dus al in de 15de eeuw veel gebruikt als steen voor groot beeldhouwwerk en in paramentwerk. Over de verwering van de Avesnessteen schreef L. Guigciardini in 1567 dat hij onder invloed van slecht weer, vorst en vochtigheid brak, en zeker niet tegen zeelucht kon. Hij vermeldt overigens ook dat het gewoonte was om monumenten in te oliën. Dit oliën kan een geel uitzicht verklaren. Maesschalck en Viane38 vermelden in hun artikel over bouwmeester Mattheus de Layens dat in de helft van de 15de eeuw de Avesnessteen vooral diende als steen voor beeldhouwwerk binnen. Maar de steenhouwers van Avesnes-le-sec hadden een middel uitgevonden om ter bescherming van de steen.

4.2.2.3

Gebruik van Witte Arduin en Baumberger kalksteen gerelateerd aan de Familie Keldermans

In de Zuidelijke Nederlanden domineerde het gebruik van beide witte arduinsoorten in de 15de eeuw. Meischke stelt dat de Barbantse arduin vooral werd gebruikt voor het bekleden van muurvlakken. De Vlaamse arduin werd meer gebruikt voor geprofileerde natuursteenonderdelen. Rond 1400 is het centrum van de natuursteenhandel in Brabant de stad Brussel. Dit centrum verschuift naar Mechelen en verder door naar Antwerpen als de vraag om natuursteen in de noordelijke Nederlanden steeds groter word. De familie Keldermans' , zeker ten tijde van Rombaut II, kopen veel natuursteen in voor de vele bouwprojecten als kastelen en stadspaleizen. Rombaut II is zelfs eigenaar van een steengroeve. In hun bouwprojecten wordt gebruik gemaakt van de witte kalkzandstenen die nu bekend staan onder de namen Gobertange en Balegemse (of Lede) steen. Zij bouwen voorts met blauwe steen (blauwe hardsteen) Ook Avesnessteen werd rond 1500 al op grote schaal gebruikt voor groot beeldhouwwerk, zowel voor binnen als buiten. De familie Keldermans leverde ook Avesnessteen tot aan Utrecht.

38

M. Smeyers, red. Het Leuvense stadhuis, Leuven, 1998p. 66 en p. 92 Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

19.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Met de Bentheimer zandsteen is Anthonis II Keldermans veelvuldig in aanraking geweest. De steen is door hem vervoerd naar de zuidelijke Nederlanden. Hij heeft met de steen veel gebouwd. Deelconclusies 4.2.2. · · · Onderzoek kan worden gedaan naar de gebruikte oliën ter consolidatie van de Avesnessteen. De vraag is of de familie Keldermans ook de Baumberger steen heeft vervoerd en of zij er mee hebben(laten) werken. Hierover kan meer onderzoek worden gedaan.

20.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4.2.3

De restauraties van het stadhuizen van Middelburg en Veere aan het begin van de 20ste eeuw

4.2.3.1

Inleiding

De restauratiegeschiedenis van het stadhuis te Veere uit de jaren 1930 is bestudeerd om te achterhalen hoe de sculpturenreeks is gerestaureerd, welke materialen zijn gebruikt en waarom men heeft besloten de beelden nieuw te kappen. Omdat het enige andere bekende werk van beeldhouwer Michiel Ywyns de sculpturenreeks op het stadhuis in Middelburg is, werd ook specifiek onderzoek gedaan naar de restauratie van de verwante sculpturenreeks uit Middelburg. Het stadhuis van Middelburg is eerder gerestaureerd dan het stadhuis van Veere. De restauratie in Middelburg aan het begin van de 20ste eeuw stond onder leiding van een van de belangrijke figuren in de monumentenzorg van Nederland; Pierre Cuypers. In het begin van de jaren 1930 werd de beslissing genomen om het stadhuis van Veere te restaureren. In de archieven van de RDMZ in Zeist is in het panddossier 1757-1758 documentatie aanwezig over de restauratie. Belangrijke figuur daarin is de heer Jan Kalf, die brak met de restauratietraditie van Cuypers en eigen restauratiebeginselen opstelde.39 In de beide restauraties spelen verscheidene heren zo hun rol.

4.2.3.2

Namen

Namen en Functies tijdens de restauraties van de stadhuizen in Middelburg en Veere aan het begin van de twintigste eeuw.

Functies College van Rijksadviseurs voor de Monumenten van geschiedenis en Kunst. Adviesorgaan voor de regering inzake monumentenzorg en rijksgebouwen. Het college bestond van 1874 tot 1879. Onafhankelijk advieslichaam voor het ministerie van Binnenlandse zaken. Afd. A. Inventarisatie en beschrijving van Nederlandse monumenten. Afd. B. Afdeling voor het Behoud en de Herstelling. Subcomité voor de beeldhouwkunst van de Rijkscommissie. Ambtelijk apparaat voor de minister van Binnenlandse zaken. Opgericht in 1918. Grondbeginselen en Voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude bouwwerken. Ontstaan in de jaren '20 door een bundeling van diverse bestaande rijksgebouwendiensten. 1827-1921. Genoot zijn opleiding in Antwerpen. Architect van zowel nieuw- als restauratiebouw. Had in Roermond een atelier Cuypers & Stoltzenberg Co. Voor beeldhouwwerk en meubilair. Belangrijk lid van het college van Rijksadviseurs. Vertegenwoordiger van het 19de eeuwse historisme. 1865-1945. Tot 1924 eerste secretaris Rijksbureau van de Monumentenzorg, afdeling B. voor het Behoud en de Herstelling. Werkte samen met P.J.H. Cuypers aan de restauratie van de St.-Bavokerk te Haarlem.

College van Rijksadviseurs

Rijkscommissie voor de monumentenzorg

Rijksbureau voor de Monumentenzorg Rijksgebouwendienst Cuypers, P.J.H.

Van den Steur, J.A.G.

39

Een uitvoerige beschrijving van visies in de restauratie van monumenten is beschreven door W.F. Denslagen in het boek Omstreden herstel. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

21.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Kalf, J.

1873-1954. Was van 1918 tot 1939 directeur van de Rijksbureau van de Monumentenzorg. 1924 Eerste secretaris afdeling B. voor het Behoud en de Herstelling, Had zitting in de Rijkscommissie, Subcomité voor de beeldhouwkunst. Kunsthistoricus en directeur van het museum voor geschiedenis en kunst (verzamelafdeling van het Rijksmuseum Amsterdam). Bekend door baanbrekend werk in de kunstnijverheid. Hij hadt zitting in de Rijkscommissie, Subcomité voor de beeldhouwkunst. Beeldhouwer met een traditionele academische signatuur. Hoogleraar beeldhouwkunst te Delft. Directeur bij het Rijksbureau voor de Monumentenzorg. Zitting in de Rijkscommissie, Subcomité voor de beeldhouwkunst. Werkte als beeldhouwer samen met Hagendoorn. Hoogleraar kunstgeschiedenis Rijksuniversiteit Utrecht. Zitting in de Rijkscommissie, Subcomité voor de beeldhouwkunst. 1872-1947. Rijksarchitect. Restauratie-architect van Het Lammetje, Veere. Heeft ook zitting in de Rijkscommissie, Subcomité voor de beeldhouwkunst. Vooral actief in het zuiden des lands. Opzichter van de restauratie van het raadhuis van Veere. Beeldhouwer, vernieuwde de baldakijnen van het stadhuis van Veere naar de oude voorbeelden. Kapte drie van de vier leeuwen op het stadhuis. Beeldhouwer van het beeld Keizer Maximiliaan bij de restauratie aan het stadhuis van Middelburg. Beeldhouwer bij het Rijksbureau voor de Monumentenzorg. Werkt bij/met van der Schaft. 1895-1962. Beeldhouwer. Kapte de set nieuwe sculpturen voor het stadhuis van Veere. Beeldhouwer Rotterdamseweg 102 Scheveningen. Uitvoerder van de beelden in opdracht van Wenckebach. Assisteerde ook de Delftse hoogleraar 0dé. Beeldhouwer bij het Rijksbureau voor de Monumentenzorg.

Pit, A.

Odé, A.W.M.

Vogelsang, W. Van Heeswijk, H.

Van Beveren, J.J. Van der Schaft, N.

Woudenberg, A. Wenckebach, L. O. Hagedoorn

Nolens

4.2.3.3

Restauratie van het Stadhuis Middelburg: de sculpturenreeks

P. Don beschrijft in zijn kandidaatsscriptie Het stadhuis van Middelburg en de Keldermansen de restauratie hiervan aan het begin van de twintigste eeuw. Hierin zijn twee feiten belangrijk. Het stadhuis werd gerestaureerd onder de leiding van architect P.J.H. Cuypers en L.C. Hezenman, waarbij werd besloten de 25 beelden vanYwyns te vervangen. Van 1916 tot 1918 werden twintig beelden opnieuw gekapt in het atelier van Cuypers te Roermond. Deze nieuwe beelden werden gekopieerd naar de overblijfselen van de oude sculpturen.. J. Kalf, in zijn hoedanigheid als directeur van het Rijksbureau van de Monumentenzorg geeft zijn commentaar op de vervanging van de beelden. '..niet alleen vervangen door nieuwe, karakterloze poppen en minstens 10 cm. te lang, .....maar de oude op schandelijke manier verkwanseld of stukgeslagen'.40 De vijf resterende beelden zijn later in de tijd gemaakt door Lambertus Zijl en H.J. Etienne. J.W. Frederiks schrijft in 1917 een boekje rond Kamervragen over de restauratie van het stadhuis te Middelburg. In dit boekje, Het voorlopige verslag der tweede kamer op hoofdstuk V der staatbegroting

40

Don, P. (z.j.) p. 47-48 Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

22.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

worden twee vragen gesteld. De tweede vraag gaat over de beelden van Michiel Ywijns. De tweede kamer wil weten op welke plaatsen de originele sculpturen zijn geborgen die door nieuwe sculpturen werden vervangen. Uit de beantwoording van de tweede vraag blijkt dat de oude- én de nieuwe beelden naar het gemeentebestuur van Middelburg zijn verzonden. De originele sculpturen, benevens een groot aantal daarvan afkomstige brokstukken, zijn in particulier bezit geraakt. In de toelichting geeft Frederiks de geschiedenis van de beelden weer en een verantwoording over de verkoop aan particulieren van de overblijfselen van de originele sculpturen. 41 1561 Hoewel de sculpturen rond 1518 werden geplaatst wordt nauwelijks 50 jaar later op een der beelden een nieuw hoofd geplaatst. 1696 Aan Louis Ramaut wordt een aanbesteding gedaan voor het vernieuwen van alle beelden van het stadhuis, toen 22 stuks. Ook deze (vernieuwde beelden) worden in 1699 gerestaureerd. 1744-`75 P.J. Baurscheidt (de jonge) vernieuwd het beeld van Graaf Jan de 21ste. Beeldhouwer Hendrik van der Diest wordt in 1747-`48 en 1765 gevraagd om steen aan te kopen om de beelden te herstellen. In 1775 worden door Johannes Bretel twee beelden vernieuwd in Bentheimer zandsteen. 1838 Door de Middelburgse steenhouwer P.J. Freit wordt de sculpturenreeks opgekalefaterd (een in de Middelburgse courant genoemde kunstmatige herstelling). Rond 1900 De bouwmeester Cuypers laat de 25 beelden, ontdaan van alle toevoegingen van cement en andere plakmiddelen onderzoeken op oude sporen. Daarna werden ze opgeborgen in de kruisgang van de abdij te Middelburg. Het blijkt daar een chaos van zwaar beschadigde beelden, stukken afgevallen ledematen, brokken cement en resten van wapens. In 1907 gaven burgemeester en wethouders de orde om de massa steenbrokken naar een puinplaats te rijden. De schrijver van het boekje, J.W. Frederiks, ontdekte in die hoop steenpuin nog verschillende gave fragmenten en kreeg toestemming om deze te houden. Deze werden naar Dr. Pit, directeur van het Museum voor Kunsten Geschiedenis (Rijksmuseum) te Amsterdam verzonden met de vraag of de fragmenten enige waarde hadden om ze in het museum op te nemen. De heer Pit vond deze fragmenten te onbelangrijk om ze op te nemen in de verzameling van het museum. 1912, 13 dec. Op deze datum werden drie later ontvangen oude beelden geveild terwijl andere fragmenten uit de puinplaats werden verkocht aan liefhebbers van curiositeiten. W.S. Unger voegt in 1934 in zijn beschrijving over het stadhuis te Middelburg toe dat een drietal fragmenten (Maximiliaan van Oostenrijk, Maria van Bourgondie en Philips de Schone)42 bewaard bleven in de stedelijke verzameling, terwijl een paar in particulier bezit zijn geraakt. Deze zouden zich bevinden op het kasteel Nijenrode te Breukelen.43. Waar de beelden en fragmenten uit particulier bezit zich nu bevinden is

41

In de Tegenwoordige staat van Zeeland (1751-1753) staat het stadhuis vermeld. De start van het stadhuis is in het jaar 1468. Ook wordt de sculpturenreeks van 25 beelden vermeld. De sculpturen zijn meer dan levensgroot en tot nu toe meest ongeschonden. 42 De conservator van Museum de Schotse Huizen te Veere, Han van den Broeke, vermoedt dat deze nu in de Vleeshal staan. Van horen zeggen is de informatie als zouden fragmenten bij particulieren in Maastricht staan. (Cuypers zou fragmenten gewoon hebben uitgedeeld.) 43 Unger, pag. 23 23. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

tijdens het schrijven van deze rapportage nog niet duidelijk geworden. Deelconclusies 4.2.3.3. · · Het is niet duidelijk in hoeverre al deze data uit archiefmateriaal komt. Vanuit deze historische data is duidelijk dat van de originele sculpturenreeks van het stadhuis in Middelburg van Michiel Ywijns vermoedelijk niet veel meer over schiet. Het blijft zeer de vraag in hoeverre de originele sculpturen deels of geheel in de loop de tijden vervangen is. De originele fragmenten, door wie dan ook gemaakt, zijn deels verdwenen, deels terecht gekomen in particuliere verzamelingen. Verder onderzoek moet worden gedaan naar de originele fragmenten van de sculpturen van de Middelburgse reeks, evt. te gebruiken als vergelijkingsmateriaal voor de restauratie van de schulpturen van Veere. Verder onderzoek moet worden gedaan naar de restauratie van de Middelburgse sculpturenreeks vanuit Cuypers' atelier. Misschien wordt hierdoor meer materiaal-technische geschiedenis van de sculpturenreeks duidelijk. Hopelijk wordt meer duidelijk over de restauratiepraktijk van sculpturen.

· ·

·

4.2.3.4

Restauratie van het Stadhuis Veere: de sculpturenreeks

In de archieven van de Rijksdienst voor de monumentenzorg in Zeist wordt vanuit de dossiers nrs. 1757 en 1758 de werking van de restauratie in de jaren '30 van de 20ste eeuw van het stadhuis in Veere zichtbaar. Hieronder het overzicht in data. 1921 Unger schrijft in de hoedanigheid als secretaris van de provinciale Zeeuwse schoonheids- en archeologiecommissie en als stadsarchivaris van Middelburg in september aan het Rijksbureau in Den Haag dat het houtwerk van de toren van het stadhuis te Veere slecht is. M.Q. Buys Ballot, burgemeester van Veere, schrijft in hetzelfde jaar een brief aan het ministerie van O.K. en W. dat er al in 1909 gevraagd is om subsidies. Tijdens een najaarsstorm in november dat jaar stort een deel van de toren in. Er wordt 2000 gulden uitgetrokken op staatsbegroting voor restauratiewerkzaamheden. De uiteindelijke 4500 gulden subsidie wordt besteed aan noodherstellingen en de rest is gereserveerd voor een grotere restauratie. Architect H. van Heeswijk begroot ongeveer 25.000 gulden voor de restauratie van het raadhuis van Veere waarin 4500 gulden door de gemeente Veere moet worden gereserveerd. Provincie en het Rijk zullen in de volgende jaren de rest subsidiëren. (zie ook Bijlage 10.3) Afd B. van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg in Den Haag gunt de restauratiewerken aan firma MK Jeras en Zn. te Middelburg. Het wordt hierbij niet zichtbaar of de firma opdracht krijgt om ook de restauratie van de originele beelden ter hand te nemen.

1922

1926

1931, 2 juni

24.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

1931, 17 dec

Begroting van de kosten wegens het verrichten van herstellingswerkzaamheden, gedurende het jaar 1932. Hierin komt de volgende post voor: Figuraal en ornamentaal beeldhouwwerk aan den voorgevel met inbegrip van de modelkosten Fl 5800,Daar de totale kosten van alle herstellingswerkzaamheden op 41.000,komen is de som besteed aan de restauratie ongeveer 14%.

Afb. 009, RDMZ dossier 1758

1931 17 dec

Opgave der werkzaamheden welke tot herstel van het Raadhuis te Veere zullen worden verricht gedurende het jaar 1932. Deze opgave is ter verzoeke van het gemeentebestuur opgemaakt door architect Hellerswijk Voor de originele beeldhouwwerken staat vermeld: Vernieuwen van beelden en baldakijns aan de voorgevel. Prof. Odé vraagt aan beeldhouwer N. van der Schaft hoe het met het model van het baldakijn voor de figuren van Veere is. De heer Woudenberg antwoordt dat hij bezig is met het boetseren van het baldakijn. Van der Schaft vraagt en krijgt ook twee foto's van de stenen leeuwtjes. Nota van de rijkscommissie van de Monumentenzorg. Bezoek van de subcomité voor de beeldhouwkunst aan het atelier van D. Wenckenbach te Noordwijkerhout ter bezichtiging van een model van een van de beelden van het raadhuis van Veere. Het subcommitee bestaat uit de heren van Heeswijk, Pit, Odé, Vogelsang en Kalf.

1932, 3 febr.

1932, 13 maart 1932, 21 juni

25.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Afb. 010, RDMZ dossier 1758

1932, 4 juli 1932, 28 juli

De beeldhouwer van het rijksbureau ontvangt van Van Beveren de afmetingen van de beelden van Veere. Bezoek van het subcomité voor de beeldhouwkunst aan Veere ter bezichtiging van Wenckebach's model op ware grootte van een van de beelden van het raadhuis van Veere. Wenckebach schrijft Kalf dat de figuurtjes voor Veere klaar zijn om bezichtigd te worden. In het antwoord wordt gevraagd of de figuurtjes in gips worden afgegoten. In een verdere briefwisseling wordt besloten de beeldjes in het atelier van Van der Schaft te bekijken. Op een niet gedateerd briefje gaat O. Wenckenbach, beeldhouwer te Noordwijkerhout akkoord met het maken van zes stenen beelden voor Fl. 2800 per stuk, exclusief steen + fl 150,- voor het maken van de modellen 1 op 5 Fl 600,- voor het maken van een model op ware grootte Fl 1000,- voor de uitvoering in ??? Nolens, Beeldhouwer bij het Rijksbureau vd MZ, is aanwezig bij het verplaatsen van een beeld te Veere. Vermoedelijk gaat dit over de originele beelden.

1932, 13 dec

Tussen 16-3 en 17-5 1933

1933, 22 mei

26.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Afb. 011, Uit het fotoalbum Van Beveren, Philips van Bourgondie in de gevel van het stadhuis te Veere

1933, 16-12 1934, 28-09 Jaren '30

Rekening van Wenckebach voor het proeffiguur van Wolfert VI van Borssele en voor kleinere- en gipsmodellen. Uitnodiging aan de subcommissie voor het bezoek aan het stadhuis van Veere (beelden). Uit mondelinge informatie van de heer P. Blom blijkt dat de sculpturen van het stadhuis in Veere eerst enige tijd opgeslagen hebben gelegen in de Grote Kerk alwaar ze ook waren opgesteld. Daar werden ze vermoedelijk ook gerestaureerd. Na de restauratie van het stadhuis zijn ze overgebracht naar de gewelfde kelder van het stadhuis alwaar ze wederom werden opgesteld. In dit boek wordt beschreven hoe uit dezelfde panddossiers 1757 en 1758 een materiaal-technische oorzaak voor het kappen van nieuwe beelden voor het stadhuis te Veere wordt gehaald: Begroting met de volgende posten: Herstel figuraal en ornamentaal beeldhouwwerk aan de voorgevel en bovenste gedeelte van de voorgevel. Uit latere foto's blijkt dat de baldakijnen zijn vernieuwd. Twee oudste beelden. Achteruitgang. Op een aantal plaatsen stukjes afgebroken en schilfers los. Andere delen van de beelden zijn even scherp als voorheen. Men besluit nieuwe beelden te laten maken. De nieuwe beelden zijn een ontwerp van Wenckenbach maar worden gekapt door Hagedoorn te Scheveningen. · Over het restauratieconcept voor de originele Veerse beelden

CvdS

Het boek Schade aan Nederlandse monumenten 1932

1933

1936

Deelconclusies:

27.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4.2.3.4.

wordt er uit de bovengenoemde verzamelde gegevens niets duidelijk. De begeleidende subcommissie voor de beeldhouwkunst oordeelt over de nieuwe beelden, maar er wordt niets zichtbaar over enige visie over het omgaan met de originele beelden. Het is tot op heden duidelijk zichtbaar dat ook bij deze reeks van beeldhouwwerken de subcommissie niet gedacht heeft de originele te laten opnemen in de verzameling van het Rijksmuseum. · Dat er zonder (in de archieven teruggevonden zichtbare) discussie besloten is tot het maken van nieuwe beelden voor het stadhuis van Veere is vermoedelijk ingegeven door de tijdgeest die binnen de commissie heerste. Jan Kalf had al stelling genomen tegen de gekopieerde sculpturen van het stadhuis van Middelburg door P. Cuyper. Tenslotte gold in die tijd voor beeldhouwwerk dat de hand van de meester nooit goed kon worden nagevolgd. Het nieuwe beeldhouwwerk moest niet de vormen vertonen van de vroegere tijd maar het werk zijn van een kunstenaar. Over de verschillen in restauratieopties en de uitwerking daarvan in de praktijk van de restauratie van sculpturen in de eerste decennia van de 20ste eeuw kan nog veel onderzoek worden gedaan (en gepubliceerd).

·

28.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4.3

4.3.1

De kunstenaar/auteur: korte biografie en situering van de kunstenaar.

De beeldhouwer YWYNS

Over de beeldhouwer Ywyns is nauwelijks iets terug te vinden in de gebruikte literatuur. Veelal wordt hij alleen vernoemd in relatie met de sculpturenreeksen in Middelburg en Vlissingen. Voorts is er een steenleverancier Ywijns, in dezelfde tijd en omgeving functionerend als de beeldhouwer Ywyns. Binnen de gekende steenleveranciers in de Lage Landen door de eeuwen heen komt de naam Ywyns niet meer voor. Schrijfwijze In de hiervoor genoemde teksten wordt de familienaam op verscheidene manieren geschreven. Ywyns, Ywijns, Ysewijns, Yssewijn, IJsewijns, IJwijnsz, IJssewijn De voornaam is meestal Michiel of Machiel. Of met de naam Anthonis op dezelfde figuur wijst, dan wel iemand is die tot dezelfde familie behoord is niet bekend. Jan Crab 44 maakt overigens de aantekening dat schrijfwijzen in 15de eeuwse en begin 16de eeuwse bronnen zelden uniform zijn. Hierdoor is het steeds de vraag of andere personen worden beschreven of dat het bij verschillende schrijfwijzen gaat om dezelfde persoon. Ook toevoegingen als bijnamen kunnen zeer verschillend zijn voor dezelfde persoon. Dezelfde persoon kan ook onder een andere beroepsnaam vermeld worden. Een zelfde persoon kan door de jaren heen in het archief voorkomen als beeldsnijder, schrijnwerker, steenhouwer en metser.

Schrijfwijzen

Turner, J. (1996)

Yssewijn, Michiel zie Ywyns, Michiel. In dit lemma worden alleen zijn werken in Middelburg en Veere vermeld. Verder vermeld Turner dat in 1838 de beelden in Middelburg een extensieve restauratie hebben ondergaan. In het lemma wordt vermeld dat IJwyns als een exponent van de Noordelijke renaissance kan worden gezien, maar hij wordt ook gerelateerd aan de bronzen portretfiguren van Jaques Gerines rond 1450. In het lemma Ywyns worden alleen de beelden van Middelburg en Veere genoemd. Hierin wordt beschreven dat Michiel Ywyns in het eerste kwart van de 16de eeuw een beeldhouweratelier in Mechelen leidde, dat nauwe banden onderhield met de bouwmeestersfamilie Keldermans. Wordt de genealogische tabel van de Keldermans familie bekeken dan is de nauwe band onmiddellijk duidelijk. Michiel Ywyns was getrouwd met Kathelijne Keldermans, de zus van Anthonis II ( 1515) en Rombout II45 Keldermans (Ook Rombout III genoemd.)46) gestorven in 1531. De geboortedata van de verschillende familieleden zijn niet bekend. In de biografie over Rombaut Keldermans uit 1898 wordt Michiel Ywyns ook genoemd als man van zuster Catherine.

Thieme-Becker (1947) Encyclopedie van Zeeland, pag. 346

44 45 46

J. Crab, Het Brabants beeldsnijcentrum Leuven, Leuven 1977 In de genealogische tabel uit: Keldermans, een architectonisch netwerk in de Nederlanden In de genealogische tabel uit: J. Crab, Het Brabants beeldsnijcentrum Leuven Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

29.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

P. Don47 beschrijft in zijn afstudeerscriptie over Rombout Keldermans dat rond 1514-1518 in Mechelen de beelden voor de gevels van de stadhuizen van Middelburg 25 Graven en Gravinnen van Holland en Zeeland worden gekapt. Ywyns kreeg drie pond per stuk voor de beelden. 'Deze steenen persoenagien staende voir de stadhuis' werden in Mechelen vervaardigd en in Middelburg gestoffeerd. Ywyns kapt in 1517 de zeven beelden Heren en Vrouwen van Veere en wordt in 1522 betaald voor vier stenen leeuwen 'dienende aan de trappen van het Stadhuis bij het Vleeshuis' te Middelburg. 1517-1530 Michiel Ysewijns + Antoine de Vleeshouwere. Neeffs48 noemt de naam van Michiel Ysewijns in verband met vier verschillende gebouwen in Mechelen. Zijn naam wordt samen genoemd met die van Antoine de Vleeshouwere. Het Vishuis In den grooten salm aan de Zoutwerf Het voormalig paleis van Margaretha van Oostenrijk waar Rombout Keldermans van 1517 tot 1530 het poortgebouw en een dwarsvleugel bouwde. Het voormalig Schepenhuis dat werd verfraaid van 1473 tot 1616. Er bestaat een Michiel Ysewyn die in 1525 steenleverancier is voor de refter van de abdij van Tongerloo. Er bestaat een Machiel Ysewyn die leveranties van witte steen verzorgt in 1526-27 voor een uitbreiding van het hof van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen, door meester Rombout II Keldermans. Ook Serge Migom49 vermeldt dit feit rond de bouw van de abdij van Tongerloo: `In 1526 leverde Michiel IJzerwijns en Klaas de Vleeschouwer van Mechelen nog een lading arduin en witte steen... Janse en De Vries50 noemen een Anthonis Yselwyns die in 1536 steen levert aan de kerk in Hoogstraten. Hij werkte samen met Anthonis de Vleeschouwer, een telg uit de Mechelse steenkoopmanfamilie de Vleeschouwer die samenwerkte met Anthonis Keldermans. Rombout II Keldermans maakte in 1525 het patroon voor de kerk.

1525 Michiel Ysewijns 1526-`27 Machiel Ysewyn 1526 Michiel IJzerwijns + Klaas de Vleeschouwer 1536 Anthonis Yselwyns

47 48 49 50

Don, P (z.j.) Em. Neeffs, Histoire de la peinture et de la sculpture a Malines, Gent 1876 Serge Migom, 2004 D. Janse en de Vries, 1991 Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

30.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Onderzoek naar beeldsnijders en steenhouwers

Jan Crab heeft in zijn boek Het Brabants Beeldsnijcentrum Leuven onderzoek gedaan naar beeldsnijcentra in Zuid Nederland. In de 15de eeuw zijn steenhouwers meestal aangesloten bij het Metsersambacht zoals in Gent en Brugge (1445). In andere centra als Doornik, Oudenaarde en Bergen waren de beeldsnijders ondergebracht in het St. Lucasgilde. Hierbij wordt niet duidelijk of de beeldhouwers in steen hierbij hoorden. Antwerpen had een ambacht van Steenhouwers (beeldhouwers die alleen in steen werkten) en houten beeldsnijders (St.-Lucasgilde). De laatste worden al genoemd in 1434. Van waarmerken in steensculpturen van het Antwerpse metsersgilde was de schrijver niets bekend51. In Brussel werden metselaars steenhouwers en beeldsnijders aangeduid als Steenbickeleren. Dit ambacht komt voor sinds 1306. Vanaf 1384 moest men hiervoor ingeschreven zijn als poorter van de stad. Het Leuvense gilde voor metsers, steenhouwers beeldsnijders en kleinstekers bestaat sinds 1360. De oudst vermelde ambachtsrol is van maart 1492. Wordt gekeken wie bijvoorbeeld in het Leuvense ingeschreven staat als steen- of beeldhouwer dan komt daar Michiel Ywyns niet in voor. Mechels beeldhouwersgilde In Mechelen bestaat het beeldsnijdersambacht voor 1386. Rond 1451 wordt onenigheid geconstateerd. De steenhouwers worden daarna lid van het metsersambacht. Beeldsnijders mochten werken in hout, albast en steen, maar dit mocht niet ten nadele zijn van de steenhouwers. Pas in 1543 gaan de beeldhouwers vanuit het gilde der metsers over in het St. Lucasgilde, gevormd door de kunstschilders. Reglementen van de diverse gilden worden in de 16de eeuw opgesteld.

Mechelse beeldhouwers Rond 1500 werken een aantal beeldhouwers in Mechelen. Bekende namen uit die tijd zijn Christoffel van Stackenbroeck, Jan Thiens, Bartholomeus Beren en Jan van der Wijckt. Michiel Ywyns wordt niet genoemd. 52 Leuvens beeldsnijders Jan Crab heeft getracht een chronologische lijst op te stellen van Leuvense beeldsnijders en beeldsnijders die in Leuven werkzaam zijn geweest. Op beide lijsten komen verschillende leden van de familie Keldermans voor: Antoon I (1478), Mathys II (1492) Mathys III (1492). Anthonis II en Laurys Keldermans worden vermeld in 1511, Andries I in 1512. Hij sneed doksalen voor kerken te Tienen, Werchter en Tervuren. Andries III Keldermans komt voor in 1519, Rombout III Keldermans in 1526 als buitenstedelijke beeldhouwer die in het Leuvense werkte. · Vanuit de literatuur wordt niet duidelijk dat Michiel Ywyns meer heeft gebeeldhouwd dan beide stadhuisseries op Walcheren. Archiefonderzoek in het huidige Vlaanderen kan misschien meer opheldering geven. 1) Naar de familiale verhoudingen van de figuur van Ywyns kan verder worden gezocht in Mechelse archieven. ) 2) Een van de aanknopingspunten is de periode van 18 jaar waarin een Michiel Ywyns wordt genoemd als steenleverancier in gebouwen rond Mechelen. 3) Verder is onderzoek naar bouwprojecten in Vlaams Brabant in het tijdvak 1500-1540 aangewezen. Dit archiefonderzoek kan zich richten op steenleverancier Ywyns en de samenwerking met leden van de families Keldermans en De Vleeschouwer in zake van

Deelconclusies 4.3.

· · ·

51 52

J. Crab, Het Brabants beeldsnijcentrum Leuven, blz 54 Gegevens uit het boek Geschiedenis van Mechelen tot op het einde der middeleeuwen van J. Laenen, 1934 Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

31.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

·

steenleveranties. Hiermee wordt in de literatuur de naam van Michiel Ywyns tenslotte vaker verbonden. 4) Een ander aanknopingspunt is onderzoek naar de beeldhouwersgilden. Wordt in de literatuur gekeken naar de inschrijvingen van de gilden rond 1500 dan lijkt duidelijk te worden dat Michiel Ywyns niet tot enig Beeldsnijdersgilde behoorde. Het is de vraag inhoeverre de vermelding van Ywyns en het hebben van een beeldhouwatelier in Mechelen serieus genomen moet worden. Algemeen kan gesteld worden dat over het vervoer van steen in de middeleeuwen en daaraan klevende informatie over steenvervoerders en de binnenscheepvaart nog vrij weinig bekend is.

·

32.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4.4

Iconografisch onderzoek

De zeven sculpturen tonen een deel van de heren en vrouwen van Veere. In de Tegenwoordige staat van Zeeland uit 1753 worden de verschillende uitgebeelde personen van de familie kort beschreven. Op het moment dat Michiel Ywyns zijn opdracht krijgt de zeven sculpturen te kappen zullen van de zeven personen Anna en haar zoon Adolf nog in leven zijn.

4.4.1

De Heren en Vrouwen van VEERE

Hendric van Borselle, Grave van Grampre, Heere van der Veere 1436-1441 Rentmeester van Zeeland. Raad van de hertog en kamerling (= kamerheer ook schatmeester). 1445 Ridder van het Gulden Vlies, te Gent53. Dijkgraaf van de Oostwatering en dijkgraaf oost en west van Yerseke. Benoemd door Philips de Goede tot kapitein-generaal en admiraal ter zee onder de koning van Frankrijk. 1452 Hertog Filips van Bourgondie verkoopt op 25 maart de steden, landen en heerlijkheden van Vlissingen, Westkapelle en Domburg aan Hendrik II. 1470 In Frankrijk Hendrik II tot graaf van Grandpré verheven. Hij vecht als admiraal van Zeeland tegen de graaf van Warwick. Hendrik II geeft opdracht voor de bouw van Des heren huis: het stadhuis in Veere. 1474 Sterft op kasteel Zandenburg, vlakbij Veere.

Zijn kinderen bij een onbekende vrouw: 1.WOLFERT VAN BORSELEN, bastaard, geboren op 10 oktober 1440, 2.PAUWELS VAN BORSELEN, zeekapitein 1472 en stichte in 1495 de St. Pauwelkapel te Vere. Hij is getrouwd met ALEIJT VAN HAERLEM. 3.KATERINE VAN BORSELEN. Zij is getrouwd voor 1487 met CORNELIS VAN SCHENGEN. 4.LIJSBETH VAN BORSELEN. Zij is getrouwd met JAN VAN EMINCHOVEN, overleden voor 1484.

Hendrik II van Borssele

Voor 1409- 1474

Eerste beeld links in de gevel van het stadhuis

Janna van Halewijn Jane van Haelewijn, Gravinne van Grandpré, Vrouwe van der Veere

?-1467 Dochter van Olivier van Halewijn en Margaretha van der Clijte 1429 Huwelijk op Slot Zandenburg met Hendrik IV van Borssele. Overleden op 18 maart 1467 en begraven in de Groote kerk te Veere, Tweede beeld links in de gevel

Wolfert VI van Borsselle

1430-1487.

Zoon van Hendric II van Borsselle, Graaf van Grandpré, Heere van der Veere, 1444? Huwelijk met Maria Stuart, zus van de Schotse koning. Hierdoor wordt hij graaf van Buchnan. 1465 Overlijden van Mary Stuart. 1467-1468 Wolfert VI dient Karel de Stoute tegen Dinand, tegen St.-Truiden en Luik. 1469 Huwelijk met Charlotte van Bourbon, dochter van Lodewyk, graaf van Montpensier. Uit dit huwelijk komen een zoon, Adriaan 1468 en drie

Brugge, 30 april 1478. Het dertiende kapittel van de Orde van het Gulden Vlies vindt plaats. Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk wordt als ridder in de vliesorde opgenomen, evenals Wolfert VI van Borssele. Maximiliaan werd tevens tot waardigheid van soeverein van de orde verheven. 33. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

53

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

dochters (w.o. Anna) voort. 1470 Als opvolger van Hendrik II benoemd tot kapiteins-generaal en admiraal van der zee. Wolfert VI van Borsselle is een van de eerste admiraal generaal van het admiraliteitscollege (sinds 1487 zetel der Bourgondische Nederlanden en diens raad). Tot midden in de 16de eeuw was Veere de voornaamste vlootbasis van de Nederlanden. 1477 Wordt namens Maria van Bourgondië stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland. 1478 Opgenomen in de orde van het Gulden Vlies. Overlijden van zijn vrouw. 1480 Legt zijn ambt als stadhouder neer. 1487 Sterft in Gent op 19 april 1487 Derde beeld links in de gevel van het stadhuis

Charlotte van Bourbon

1445? -1478

Dochter van Lodewijk van Bourbon, Graaf van Montpensier en Gabrielle de la Tour d'Auvergne 1469 Huwelijk met Wolfert VI van Borssele. 1478 Overlijden te Zandenburg Vierde beeld links in de gevel

Philips van Bourgondië

?-1498

Heer van Beveren. 1485 Huwelijk met Anna van Borsselle. Admiraal der zee en Generaal van Vlaanderen. 1498 Overlijden te Brugge. Derde beeld rechts in de gevel

Anna van Borssele

1471-1518

Vrouwe van Veere en van Beueren, van Vlisfinge, Brouwershave Dochter van Wolfert VI. 1485 Huwelijk met Philips van Bourgondie (zoon van de Antonie van Bourgondie, kleinzoon van Philips de Goede). Heer van Beveren. Deze werd door zijn huwelijk Heer van Veere. 1489 Geboorte zoon Adolph 1498 Overlijden van Philips van Bourgondie te Brugge. 1502 Huwelijk met Lodewijk van Montfoort. Deze werd ook Heer van Veere. (Overlijden te Brugge in 1505) Tweede beeld rechts in de gevel

Adolf van Bourgondie

1489-1539 of 41

Heer van Beveren, Veere, Vlissingen etc. 1489 Zoon van Anna van Borssele en Philips van Bourgondie 1509 Huwelijk met Anna van Bergen. 1519 Inhuldiging als heer van Veere, na de dood van zijn moeder. Ervaren in de bouwkunst 1539 of 41 Overlijden van beide echtelieden Beeld geheel rechts in de gevel

34.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4.4.2

4.4.2.1

Het sculptuur WOLFERT VI van Borssele

Inleiding

Het materiaal-technisch onderzoek heeft zich beperkt tot één sculptuur uit de serie van zeven. In het museum De Schotse Huizen staat de serie in deze volgorde gerangschikt:

Hendrik II van Borssele *voor 1409- 1474 Janna van Halewijn 1474 *1430-1487 Wolfert VI van Borssele

ingang

Adolf van Bourgondie *1489-1540

Anna van Borssele *1471-1518

Philips van Bourgondie 1498

Charlotte van Bourbon Montpersier 1478

Bij het fotograferen met de technische camera werd het duidelijk dat twee van de zeven sculpturen niet goed bereikbaar waren; Anna van Borssele en Philips van Bourgondie. Door een tijdelijke tentoonstelling stonden deze sculpturen geheel of gedeeltelijk achter expositieschotten. Deze schotten weghalen bleek een te grote ingreep. Hierdoor zijn deze twee sculpturen niet gefotografeerd. Na het fotograferen van de beelden bleek dat op het eerste zicht elk beeld representatief kon zijn voor verschillende soorten schade, complexiteit van de originele uitvoering, herstelling, afwerking etc. Dat de keuze viel op de sculptuur van Wolfert VI van Borssele had voornamelijk praktische redenen. Het onderzoek op de stelling, kon in de hoek het makkelijkst worden gedaan met de minste ingrepen aan de inrichting van de tijdelijke tentoonstelling en last voor de bezoekers.. Zonder gevaar voor personen, beelden of andere kunstwerken bleek een onderzoek van het baldakijn overigens met deze stelling niet mogelijk. De stelling was te laag. De baldakijn is daardoor tot nader overleg buiten het onderzoek gebleven. De sculptuur van Wolfert VI van Borssele staat in de hoek van de tentoonstellingsruimte. De linkerzijde van de sculptuur was daardoor moeilijk in beeld te brengen. Het sculptuur staat vast op een sokkel. Manipulatie met de sculpturen is daardoor niet mogelijk.

4.4.2.2

Beschrijving sculptuur Wolfert VI van Borssele.

Allereerst volgt een beschrijving van de sculptuur, met de nadruk op houding. De bijna volplastische figuur staat rechtop. Het gezicht is iets naar rechts gebogen; de ogen kijken naar beneden. De rechterschouder staat iets naar voor. De rechterarm is gebogen naar het middel waarbij de hand gebald is met de vingers tegen de navel. De linkerarm is gebogen in een rechte hoek naar voren vanuit het middel. De linkerhand houdt het heft van een zwaard vast. De benen staan iets uit elkaar. Het linkerbeen is het standbeen. Het rechterbeen is het spilbeen: deze staat iets naar voren waardoor ook de rechterknie iets gebogen staat.

35. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Houding

De houding van de armen van het sculptuur kunnen worden vergeleken met die op de prent van het stadhuis te Veere uit 1696. Op deze prent zijn de richtingen van de armen van de zeven sculpturen, duidelijk zichtbaar. Op de afbeelding, aangenomen dat Wolfert VI van Borssele ook derde van links staat, heeft de figuur een rechterarm die een andere richting beschrijft. In de afbeelding hangt de rechterarm meer naar beneden en lijkt een schild vast te houden dat voor het rechterbeen staat.

Afb. 013, 1696, Stadhuys van Veere. Wolfert VI is derde van links

Afb. 014, Wolfert VI van Borssele, origineel. Museum De Schotse Huizen. De rechterarm is meer naar de linker gericht, ter hoogte van het middel.

Het gezicht

Het gezicht van het sculptuur staat iets naar rechts gebogen. De bovenste en onderste oogleden zijn als een bol gekapt. De pupillen kijken naar beneden. De oren of aanzetten van oren zijn niet zichtbaar. Het volume van het oor is iets gesuggereerd door de verdikkende golf in de haarstrengen. Snorof baardhaar ontbreken. De kin is vrij spits en er is een verdeling zichtbaar. De nek loopt breeduit en gaat snel over in de kleding De haarcoupe is in een ponymodel gekapt. Doordat de hoedrand ver over het voorhoofd doorloopt zijn van de pony alleen bundels haarstrengen zichtbaar. Deze bundels lopen over in de hoedrand. Het haar valt rond in haarstrengen naar de wangen, over de oren en rond naar de nek. Het haar reikt tot in de nek. Het haar vertoont een golvende structuur met duidelijk afgebakende

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Het haar

36.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

haarstrengen die grote golven maken. Deze golven zijn redelijk diep ingesneden.

Afb. 015, Wolfert VI van Borssele, Hoofd

-Beeldhouwtechnische opmerkingen

· · ·

· · ·

Het hoofd is niet scherp uitgewerkt maar eerder wat vaag van vorm. Het kaakbeen en jukbeen zijn te onderscheiden maar niet duidelijk geaccentueerd. De neusvleugels zijn zichtbaar maar de overgang van neusvleugels naar het gezicht is vaag. De indraai van de neusvleugels is nauwelijks uitgewerkt. De neusbrug is flink uitgewerkt in naar de wortel, verticaal naar boven. De wenkbrauw start daar ook als `een worstje'. Hierdoor is er een kleine holling bij de oorsprong van wenkbrauw waardoor een frons ontstaat. Er is geen indraai van de mondhoeken zichtbaar. De mond loopt rechtstreeks in de wangspieren door. De onderlip maakt een putje. Er is een verschil zichtbaar tussen kin en wang.

4.4.2.3

Historisch-archeologisch onderzoek van de heraldiek, kostuumgeschiedenis

Om iets te kunnen zeggen over de kleding van 16de eeuwse sculpturen is het handig om iets te weten over de kleding die in die tijd gedragen werd.

37. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Wolfert VI van Borssele leefde van 1430 tot 1487. De originele sculptuur is vervaardigd rond 1517. Over de aspecten van de kleding van dit sculptuur zal gezocht moeten worden naar kledingvoorbeelden van 1450 tot 1517 gedragen in de Lage Landen. Welke stoffen werden in die tijd gebruikt, wat was de mode uit die tijd en volgens welk modebeeld is de sculpturenreeks gekleed. Is van Borssele gekleed naar de mode van zijn tijd of naar die in de tijd dat de sculpturen zijn gemaakt? Veranderde de mode in die tijd sterk en was de mode regionaal verschillend. Anders gezegd; zien wij hier de Wlacherse, Zeeuwse of Bourgondische hofkleding van rond 1460 of Mechelse kledij van rond 1515? Kleding in twee en drie dimensionale objecten Kleding gedragen in de 15de, begin 16de eeuw is vooral te vinden op miniaturen, schilderijen, grafiek en muurschilderingen. In deze tweedimensionale kunstuitingen zijn ook kleur en patronen in stoffen waarneembaar. In sculpturen worden kleding en bijbehorende stoffen op een andere manier zichtbaar gemaakt. Verschil in diktes van stoffen zijn zichtbaar te maken, maar meestal is veel nuance niet mogelijk. Ondoorschijnende stoffen als wol en laken vormen veelal massa met weinig plooival, die meestal recht naar beneden valt. Eventueel zijn uitstekende rondingen van het lichaam hierdoor een weinig zichtbaar. Doorschijnende stoffen bedekken vooral de naaktheid van het sculptuur. Stoffen van een gemiddelde dikte vormen meestal de rondingen van het lichaam maar maken zich los van het lichaam waar de stof niet gespannen is. In sculptuur worden motieven54 in zware stoffen veelal zichtbaar gemaakt via reliëfs waarbij motieven omhoog in het steenvlak liggen. Borduursels en kantwerk worden ook via reliëfwerk gemaakt maar meestal laag in hoogte en veelal uitgevoerd d.m.v. de boortechniek.

Gebruikte stoffen in de 16de eeuw55

Engelse wol of laken was rijkelijk aanwezig en werd uit Engelse wol vervaardigd in de Vlaamse steden Gent, Brugge (stapelmarkt), Ieper en Mechelen en in Brabant. Deze lakenstoffen waren van gegarandeerd goede kwaliteit en werden gecontroleerd door de lakenwevers. Antwerpen nam overigens in 1495-1520 de functie van de stapelmarkt in Engelse wol van Brugge over. Laken van Spaanse wol werd gemaakt in kleinere steden en gebruikt voor lichtere draperieën. De plaatselijke, dus Vlaamse wol wordt ook verwerkt in lakensoorten. Uit afbeeldingen is zichtbaar dat laken door iedereen gedragen kan worden in kleding met veel plooival. Fluweel was in de 16de eeuw een luxe stof die vanuit Italië werd ingevoerd. Ook brokaat werd vanuit Italië ingevoerd. Brokaat komt van het Italiaanse broccato, wat met gouddraad bewerkt, betekend. Ook gebruikte men zilverdraad of veelkleurige zijde. De motieven werden hierdoor in reliëf uitgewerkt in zijden, satijnen of fluwelen stoffen De dessins in damast worden zonder kleurcontrast ingeweven en worden pas zichtbaar door de reflectie van het licht op het weefsel in een matglanzend effect. Borduursels konden de kleding versieren. Ook werd kleding afgewerkt met linten franjes en kwasten. Bont wordt gebruikt om kleding mee te voeren. Veelal werden pelzen van konijnen, eekhoorns, hermelijnen en marters gebruikt. Pelzen konden zichtbaar

Deze motieven kunnen weer vergeleken worden met originele stoffen uit die tijd. In het boek Catalogue d'Étoffes uit 1927 de de worden onder andere voorbeelden gegeven van stoffen gebruikt in de 15 en 16 eeuw in Frankrijk en de Nederlanden. 55 De catalogus Met fluwelen Paltrocken en Hoeykens met Plumagien, het kostuum op de muurschilderingen in de begijnhofkerk te St. Truiden Uitg. Provincie Limburg, Culturele aangelegenheden, St. Truiden 1987 levert vele feiten voor deze tekst. Hierin wordt de kleding geanalyseerd in drie grote fases: de vroeggotische (1300), de late middeleeuwen (1500-1520) en de periode de de van de late 16 en begin 17 eeuw. De late middeleeuwen zijn in de muurschilderingen het best geillustreerd. 38. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

54

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

worden in zomen van gewaden, manchetten en kragen. Kleding in de 15de en 16de eeuw. Periode 1500-1520 In het boek Met fluwelen Paltrocken en Hoeykens met Plumagien wordt deze periode (15de en 16de eeuw) zowel historisch als kunsthistorisch beschreven als een van veranderingen. Door de dood van Karel de Stoute in 1477 worden de Lage Landen opgenomen in het wereldrijk van de Habsburgers (Oostenrijk, Duitsland, Spanje en Italië). De tijd van de Bourgondische hertogen is voorbij, dus ook de tijd van de Bourgondische kostuums die vooral in de vrouwelijke kledij sterk verticaliserend zijn. De Duitse kledij komt in de mode waarbij kleurrijke fantasievolle kleren gedragen worden met overdadige uitsnijdingen, splitten en schoenen met brede neuzen. De mannelijke kleding is het meest vooruitstrevend waarbij de horizontale lijn wordt geaccentueerd in een brede schouderlijn. De kleding is kort en het schoeisel breed. Het mannelijk silhouet bestaat uit brede schouders met een slanke taille. De hoeden zijn meestal groot. De broek of kousen zijn nauw aansluitend en zorgen daarmee voor het slanke effect. Het overkleed, de houppelande of de Bourgondische robe is een zeer wijd kleed, met veel plooien en wijde mouwen. Dit overkleed kan ook een hoge kraag hebben. In het midden, voor en achter, zijn meestal grote plooien zichtbaar. De mouwen zijn wijd, soms met een grote split. De houppelande was lang in lengte, maar kon ook over de knie reiken. Vaak is er een voering in bont aanwezig en is er een decoratie in bont uitgevoerd. Maar ook kan de houppelande worden versierd met borduursels of emblemen. De tabbert, chamarre of schaube is bovenkleding, een ruim hangende wijde mantel met wijde mouwen, met talrijke ronde plooien. De schouders zijn breed. De tabbert is gevoerd met bont. Ook buitenshuis hangt de tabbert steeds open Ook de wambuis of paltrok hangt ruim om het lichaam heen. De wambuis reikt tot over het dijbeen en is middenvoor gesloten. In de loop van de eeuw wordt de wambuis wat korter en heeft een kort schootje. De orgelpijpenplooien (pourpoint) zijn zichtbaar aan de voor- en achterkant. De hals kan met een opstaand boord afgewerkt of is vierkant uitgesneden. Borst en heuppartij zijn vaak gewatteerd. De mouwen zijn meestal wijd poffend door de vullingen. De mouwen diende als steun voor het overkleed. Halsuitsnijdingen en mouwen zijn veelal geaccentueerd met bont. De mouwen werden ook met nestels aan de wambuis bevestigd. Hierdoor kwam het hemd tussen de nestels te voorschijn. Het hemd wordt zichtbaar door de halsuitsnijding van wambuis of paltrok. De ronde halsopening van het hemd wordt opgesmukt door fijne pijpplooien en is afgewerkt met goudgalon. De hozen, de broek of de kousen zijn nauwsluitend voor het slanke effect. Veelal niet in broekvorm maar twee losse beenstukken met een middenstuk, het schaamkapsel. Ze worden onder de paltrok gedragen. Er worden soms twee hoeden boven elkaar gedragen. De bovenste heeft dan een brede, omgeslagen rand en midden op de kruin staan bijvoorbeeld struisvogelveren. Hoeden kunnen gekartelde randen hebben. Onder de baret wordt een haarnet of huyve gedragen; een kapje van gouddraad wat het haar samenhoudt en op de kruin gedragen word. De puntige, laat gotische toot of snavelschoenen werden vervangen door brede, schoenen met rechte neus. Ook worden laarzen en korte laarzen, zgn.

39.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

bottines gedragen.

In het boek Geschiedenis van het kostuum van Lucienne Brunin staat een prent van de Vlaamse militaire kleding uit het begin van de 16de eeuw.

Afb. 016, Keizer Anthonius Overwint de Saracenen. Jean Wauquelin, Histoire de Sainte Helene. Jean Wauquelin leefde aan het Bourgondische hof.

Het harnas bestaat meestal uit een kuras, een rug en borststuk, waarin veelal op de rechterborst veelal een haak is gemonteerd, (een lansschoen voor het opleggen van de lans) Hieraan zijn buikstroken, schouderstukken en armstroken gemonteerd. Veelal worden ook gesloten armstukken en vinger handschoenen gedragen, evenals deelbare bovenbeenstukken en onderbeenstukken met schoenen. De vliesketen is een verplicht kledingstuk voor Gulden Vliesridders56. De vorm van de officiële keten is vanaf het begin vastgelegd. De genummerde keten is eigendom van de orde, en wordt aan de betreffende ridder voor den duur van het leven aan de ridder uitgeleend. De vorm mocht niet veranderen of door edelstenen versierd worden. De keten is samengesteld uit officieel 56 briquets of vuurslagen en 28 vuurstenen57. Aan de keten hangt het symbool van de orde, het gulden vlies, de vacht van een ram 58. De ridders waren dit symbool altijd verplicht te

59

56

Hertog Filips van Bourgondie, sticht op 10 Januari 1430 de orde van het Gulden Vlies in Brugge; voor 31 ridders waarbij steeds een hertog van Bourgondië aan het hoofd staat. Karel V (keizer 1519-1558) breidt het aantal ridders met toestemming van paus Leo X (Giovanni de Medici, 1513-1521) uit naar 50, exclusief de soeverein van de orde. Onder Filips II (koning 15551598) werd het aantal ridders vermeerderd. 57 Vuurslagen en vuurstenen zijn Bourgondische symbolen. De vuurslagen en vuurstenen vormen de schakels van de keten van de orde. Met de ijzeren vuurslag wordt overigens op de vuursteen geslagen waardoor vuur ontstaat. 58 Dit symbool werd gekozen door hertog Filips de Goede 40. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

dragen.59 Het vlies kon ook aan een ketting een lint of een leren riem gedragen worden over de wambuis of harnas. In harnassen van vliesridders zijn veelal de kettingen en het vlies in de kuras gegraveerd.

Afb. 017, Miniatuur Simon Nackart biedt Filips De Goede de Kronieken van Henegouwen aan. 1448

1449-1450

Op het miniatuur staan Filips De Goede voor de troon (met tapijt). Verscheidene vliesridders kijken toe hoe vertaler Jean Mielot Filips de Goede de codex aan bied. De wambuis heeft orgelpijpplooien en een lagere halsuitsnijding. De taille is geserreerd. Een afzetting van bont aan de mouwen en de onderkant van de schoot is zichtbaar. Onder de nauw aansluitende kousen worden lange spitse lange schoenen gedragen. Duidelijk zichtbaar is de vliesketting.

4.4.3

Kleding van Wolfert VI van Borssele

De kleding van de sculptuur van Wolfert VI van Borssele is deels een uitdrukking van verschillende dikten in kledingstoffen. Er zijn ook onderdelen zichtbaar van een ijzeren ruiterharnas. Het betreft hier de handschoenen met gesloten armstukken, bovenbeenstukken, kniestukken, onderstukken en schoenen.

Muts

Wolfert VI van Borssele draagt een muts met een ronde vorm. De muts is vlak van boven en vanuit midden boven naar beneden afgerond gekapt. De muts heeft een opgeslagen rand. Aan de onderrand van de muts is aan de voorzijde een geprofileerde decoratierand van 1,5 cm aangebracht. Het profiel is bol-hol-bol. In het holle deel van het profiel is een decoratie van parelsnoermotief aangebracht. Bovenkant van de muts heeft een verdikking of uitstulping. In de opgeslagen rand zijn als verdere decoratie op regelmatige afstand horizontale lijnen aangebracht (vermoedelijk rondom rond). Daarin is een bloemmotief verwerkt van zes kelkblaadjes in hartvorm en een bolleke in het midden.

59

De minimale grootte was 0,5 cm. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

41.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Afb. 018 Bovenkant muts

Afb. 019 Muts met bloemetje

Beeldhouw technische opmerking

Door de afronding van de bovenkant van de muts kan regenwater op de muts er vanaf lekken.

Overkleed of Houppelande

Het overkleed loopt over de schouders als een stofstrook aan de borst tot over de schouders. Vanaf schouders loopt het overkleed door tot op de voetplaat. Het overkleed heeft een dikke versierende rand die loopt van schouder tot schouder over de borst. Deze versierende rand stopt juist achter de schouder. De rand heeft een decoratie die bestaat uit verticale versieringsdelen. De rand is opgebouwd uit twee lagen van stukken stof opgebouwd uit versieringsdelen van een rechthoek met een uiteinde van steeds een driehoek van 90 graden en een druppel motief. Elk deel heeft een verticale belijning als versiering. De bovenste rand bestaat uit tien versieringsdelen, waarvan er zes min of meer duidelijk zichtbaar zijn. De onderste rand bestaat uit tien bestaande versieringsdelen maar het zijn er vermoedelijk dertien geweest.

42.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Afb. 020, Versierende rand met druppelvormen

Afb. 021, Vliesketen met ramskop

Decoratieve halsketen Wambuis

Over de versierende rand is de halsketen van de orde van het Gulden Vlies zichtbaar. In het midden hangt de vacht van de ram. De wambuis heeft een ronde, dikke belijning in de hals. In de lendenen is de wambuis samengebonden in kleine, nauwelijks zichtbare plooien en loopt uit tot op de knie. De wambuis valt stijf, wat duidt op zware stof. Aan de rok is een decoratief relief in bladmotief gekapt. De wambuis is geplooid op de linkerarm en eindigend boven de pols. De mouw van de wambuis loopt op de rechterarm tot op de elleboog. De plooival is zwaar en strak. Er zijn weinig plooien ingekapt. De stofdikte is bij de rechterknie 0,5 cm., aan achterkant knie 1 cm. De onderrand is een boord van twee cm. Deze bestaat uit twee stroken boven elkaar met niveauverschil. Er is 0,5 ruimte tussen eerste en tweede strook en 1 cm tussen onderste en de boord. De binnenkant van de wambuis is volledig voorzien van verticale reliëfstrepen, gelijkmatig gekapt.

Decoratieve motieven in de stof

Er zijn een aantal catalogi gepubliceerd met daarin voorbeelden van oudere en nieuwere stoffen. Hierin zijn gelijkende motieven als die op de wambuis in terug te vinden.

43.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Uit Catalogue d'Etoffes, anciennes et

modernes60

Afb. 022, Taille met weinig plooival, reliëfwerk op de wambuis

Afb. 023, Eindafwerking van de rok van de wambuis

De handschoenen bestaan uit een polsstuk waaraan naar de vingers toe drie geledingen zijn gehecht. Deze geledingen zijn onder een vorige geleding vastgehecht. De vingers worden geheel vrijgelaten. Naar de elleboog zijn twee geledingen zichtbaar. De linkerhand is gebogen, zit aan het lichaam vast en omvat een kokerachtige vorm. Deze kokerachtige vorm heeft een doorsnede van ± 4 cm. In het midden is een gat zichtbaar. Het is niet duidelijk of de kokerachtige vorm deel is van het harnas. De handschoen omvat vier geledingen, waarvan het grootste deel de onderarm en de pols omvat. Daarna liggen drie stroken over elkaar heen tot onder de eerste kootjes van de hand.

60

Errera, I., Catalogue d'Etoffes. Anciennes et modernes, Vromant & Co, Brussel 1927 Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

44.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Vier gebogen vingers zijn zichtbaar, maar geen nagels. Aan de geldingen van de duim is zichtbaar dat aan het harnas ook een vinger handschoen heeft gezeten. De rechterhand omvat het zwaard en de vingers zijn derhalve gebogen. De handschoen ligt in vier lagen stroken over elkaar heen en eindigt op de knokkels van de hand. De vingers zijn gebogen. De vingers zijn tot aan eerste kootje zichtbaar. De linkerduim heeft een nagel evenals de drie kleinste vingers. Van de tweede vinger is alleen het gedeelte tot het eerste kootje zichtbaar Het tweede en derde vingerdeel zit onder de duim.

Afb. 024, De rechterhand

Afb. 025, De linkerhand met gat. Hierin getapte draad van het zwaard

Benen en laarzen

De benen zijn gehuld in kurrasierslaarzen; laarzen met een hoge schacht behorende bij een harnas. De kniescharnieren zijn zichtbaar. De kniestukken vertonen zowel naar boven als naar beneden een geleding. Aan de buitenkant van het kniestuk is een verbindingsknop aanwezig. Aan de onderbeenstukken is een aanhechtingspunt zichtbaar aan buitenkant van de knie en een decoratiepunt aan de voorkant. De laars bedekt het onderbeen. De onderbenen lopen met twee geledingen naar beneden op de wreef van de voet en laat de hiel vrij. Er zijn aan de zijkanten geen naden zichtbaar. De beenstukken lijken daarom niet deelbaar te zijn. Het voetdeel heeft ronde, platte neuzen. Vijf geledingen van stroken zijn van de punt van het voetdeel naar boven geplaatst. De geledingen lopen uit in een accoladeboog naar boven. Er is een stukje van de zool zichtbaar.

Achterkant sculptuur Aangekapt grondvlak

De achterkant van het sculptuur is, waar zichtbaar, vlak gekapt, iets mee met de vorm van de figuur. Het grondvlak is vlak gekapt. Van voren gaat de vorm scherp naar onder. De plooien van de mantel lopen door in het grondvlak. Ook steekt de helft

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

45.

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

van de rechtervoet volledig uit grondvlak.

Afb. 026, Onderkant van de laarzen met aangekapt grondvlak. Ook zijn er geschilderde letters BORSEL zichtbaar.

Het zwaard

Het zwaard is van metaal. De kling is vrij lang en vertoont een zgn. bloedgeul. Het staat iets gebogen naar het sculptuur. De parreerstang is asymmetrisch en heeft zeven nagels dienende als ronde versiering. De knop wordt in de hand gehouden en is daardoor niet zichtbaar. · Kledinghistorici kunnen aanwijzingen geven over de uitgebeelde kostuums van zowel de dames en de herensculpturen. Ook textielhistorici kunnen uitspraken doen over uitgebeelde stoffen, zoals ook gekeken kan worden naar de uitgebeelde harnassen van de heren. Het is de vraag van welke datum het zwaard is. Kunsthistorisch onderzoek naar het model van het zwaard kan meer aanwijzingen geven. Materiaal technisch onderzoek evenzo.

Deelconclusies 4.4.3.

·

4.4.4

De Baldakijn

Het baldakijn bestaat uit één steenstuk. De vorm is die van een kruisvorm, waarvan slechts de helft zichtbaar is uitgevoerd. Er zijn nergens afwateringskanalen voorzien. Baldakijn en pinakel zijn aan elkaar gezet met een grijze mortel.

4.4.4.1

De baldakijn, buitenzijde

Om de bespreking van de buitenkant van de baldakijn te vergemakkelijken zijn de zichtbare vlakken van het baldakijn kloksgewijs genummerd, van 1 tot 5.

46.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

Schuine vlakken 2 en 3

Afb.27, Baldakijn Wolfert VI van Borssele

Afb. 028, Baldakijn Charlotte van Bourbon

Afb. 029, Baldakijn Hendrik Van Borssele

De schuine zijden (nrs 2 en 4) zijn vanaf de helft naar achteren toe versierd met drie bloemetjes op een uitstekende onderrand. Deze onderrand is tevens de bovenrand van de spitsboog. De schuine zijde (nr. 2) wordt in twee gesplitst door een opstaande rand die naar binnen toe loopt (dus eigenlijk een driehoek). Bij schuine zijde (nr. 4) is de aanzet tot die opstaande rand er wel, maar wordt verder vervangen door twee halve bolletjes. De hoek die gevormd wordt tussen vlakken nr. 4 en 5 is versierd met een bloemetje en enkele florale elementen. De hoek gevormd tussen nrs. 1 en 2 wordt eveneens versierd met florale elementen. Op het voorvlak (nr 3) bevindt zich centraal, op 6 cm. van de bovenrand een

47. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

uitsteeksel (min of meer afgerond). De twee voorste hoeken zijn bovenaan versierd met een ornament (floraal). De zijvlakken werden tot de helft in de muur geplaatst en afgewerkt met een frijnslag. Vermoedelijk zat het deel met de beitelsporen volledig in de muur, nergens op zichtbare delen zijn beitelsporen te vinden.

4.4.4.2

De baldakijn, binnenzijde

De binnenkant van de baldakijn bestaat uit een zeshoekige vorm, uitgewerkt in een kruisribgewelf met zes ribben die eindigen in een rond ornament (de sluitsteen). De sluitsteen is een rond vlak met een diameter van 7cm waar de ribben samenkomen. Hierop komt een rood gekleurd, gesculpteerd ornament dat ca. 4cm dik is. Het motief is niet duidelijk. Polychromie binnenkant De binnenkant van de baldakijn bevat resten van een monochrome baldakijn afwerkingslaag (grijs-bruin, zowel de ribben als de vlakken ertussen).

Afb. 030, Binnen kant van de baldakijn ten opzichte van het sculptuur

Afb. 031, Binnenkant van de baldakijn met een deel van de muts. Delen van de afwerkingslaag zijn hier goed zichtbaar.

4.4.4.3

De Pinakel

De pinakel is opgebouwd uit twee delen, waarvan het onderste deel een geleding heeft en het bovenste deel drie geledingen. De delen zijn aan elkaar gezet met een grijze mortel. De hele pinakel heeft een zeshoekige grondvorm, waarvan de hoeken uitspringen en de tussenliggende vlakken dieper liggen. De pinakel is achteraan over de hele lengte vlak. -Onderste deel Vier hoeken zijn zichtbaar, op elk van de hoeken staat in het midden een hogel.

48.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

-Bovendeel

De drie geledingen zijn gescheiden door uitstekende geprofileerde en geornamenteerde randen. Het eindigt in een pumeel (bolvorm met geledingen die overeenkomen met deze van de pinakel.)

49.

Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen

CvdS

Materiaal-technisch onderzoek sculptuur WOLFERT VI VAN BORSSELE

aug. 2003

4.5

Conclusie

De geschiedenis van de restauraties van de beelden van de stadhuizen van zowel Middelburg als Veere maken duidelijk dat de gebruikte natuursteen veel te lijden heeft gehad. Beide sculptuurreeksen hebben door de eeuwen heen veel restauraties ondergaan. Mochten al de v verschillende data kloppen dan is het frappant te zien hoe snel de sculpturen aangetast werden door allerlei invloeden van buiten af. De invloeden kunnen zeker gerangschikt worden onder vandalisme (de tijden van de beeldenstorm etc. waren woelig) maar de gebruikte steen zelf is daar ook debet aan. Tenslotte schrijft Ludovico Guicciardini in 1567 niet voor niets dat de steen onder invloed van slecht weer, vorst en vochtigheid breekt. Bovendien voegt hij toe dat de steen de zeelucht slecht verdraagt. Het is ook wat betreft de Middelburgse reeks de vraag wat er van de originele sculpturen is overgebleven. De deelconclusies achter de diverse hoofdstukken geven aanwijzingen voor verder onderzoek. Zeker als gekozen wordt voor restauratie van de sculpturen, met interpretaties van vorm via plastische herstellingen zijn die onderzoeken erg belangrijk. Om het beeldhouwwerk van Michel Ywyns te vergelijken zal uitgebreid aandacht moeten worden besteed aan de overgebleven sculpturen van het stadhuis te Middelburg en aan eventueel ander overgebleven beeldhouwwerk van zijn hand. Verder kunnen gegevens verzameld worden van andere stadhuissculpturen gemaakt rond die tijd (1510-1520). Ook is het interessant om gegevens te verzamelen van niet-religieuze sculpturen van de hand van andere beeldhouwers rond de familie Keldermans. Uitgebreid onderzoek kan worden verricht naar de kleding en het wapengebruik. Dit kan bepaalde interpretaties voor plastische herstellingen aan de sculpturen makkelijker maken. De restauratiegeschiedenissen van de sculpturen, met bijbehorende beeldhouwers / restauratoren (als Hans Halewijn en P. Cuypers) kan misschien meer gegevens opleveren over de restauraties aan de beide reeksen stadhuisbeelden. Bestudering van de restauratiegeschiedenissen geven ook een kijkje op de beeldhouwerspraktijk. De archieven over de restauratie van Veere laten iets zien over de (vaak slechte) economische positie van beeldhouwers in de jaren '3061. (zie ook Bijlage 10.1.: Dossier 1457 RDMZ Zeist, NL)

Zie ook Terwen, P. Hakken: meer transpiratie dan inspiratie: G.A. Graff in de Haagse wereld van de beeldhouwers, In: Jaarboek 2004 geschiedkundige vereniging Die Haghe 50. Hogeschool Antwerpen, Kaska, opleiding C/R Steen CvdS

61

Information

Inleiding

50 pages

Find more like this

Report File (DMCA)

Our content is added by our users. We aim to remove reported files within 1 working day. Please use this link to notify us:

Report this file as copyright or inappropriate

632432