Read TWEEKOLOMS/van der dussen text version

Nieuwsbrief De Tuin van Sjef

Nr. 2, Januari 2005

De grote vijver, eind juli. Foto: Sjef van der Molen

Inmiddels is het al weer drie jaar geleden dat onze eerste nieuwsbrief de deur uitging. De afgelopen periode is er natuurlijk veel gebeurd in de tuin, de werkzaamheden en ontwikkeling hebben niet stilgestaan. De komende maanden zal er flink gesnoeid moeten worden in het bomen- en struikenbestand, anders zullen veel zonminnende planten en bijbehorende insecten verdwijnen. De afgelopen jaren is er al veel gesnoeid (het lijkt de regering wel!). Vorig jaar heb ik ervoor gekozen om van het snoeisel een takkenwal te vlechten, samen met en tussen de levende struiken en geknotte bomen in het gedeelte langs de beek boven de waterval. Zo'n takkenwal trekt tal van houtbewonende insecten die op hun beurt weer vogels lokken. Dagelijks zie je hier roodborst, heggenmus en winterkoning scharrelen. Ook de zwarte elzen langs de beek onder de waterval zullen een snoeibeurt ten deel vallen, anders raakt de grote vijver overschaduwd waardoor een aantal water- en oeverplanten het zal laten afweten. Eveneens kunnen braam en klimop rekenen op het hun toeroepen van een stevig `halt' om overwoekering van kwetsbaardere plantensoorten tegen te gaan of te voorkomen. Natuurlijk wordt er niet alleen gezaagd en gehakt in de tuin. Langzaam maar zeker `groeien' de poort en andere objecten. En de tuin leeft, zoals u in deze nieuwsbrief kunt lezen. Sjef van der Molen

LEVEN IN DE TUIN VAN SJEF De snoepboom In de takkenwal op zo'n tien meter van ons keukenraam staat een vogelkers (Prunus padus). Onder deze boom bevindt zich een oude dode Thuja-stronk, waarin sedert jaren een nest van de glanzige houtmier (Lasius fuliginosus) is gevestigd. Vanaf het vroege voorjaar tot begin november zijn de mieren actief, onder andere met het melken van de bladluizen die op de vogelkers en andere struiken zitten. De mieren lopen in colonnes de takken op en af. Niet alleen de eerder genoemde roodborst, heggenmus en winterkoning bezoeken dagelijks deze `snoepboom', maar vooral ook de zwartkop, tjiftjaf en staartmees. Ook pimpel- en koolmezen weten dit luilekkerlandje te vinden. Het paartje zwartkoppen dat hier sinds jaren in de tuin broedt (of zijn het elk jaar andere?) komt enkele malen per dag zo'n half uurtje 'mieren'. Hetzelfde doen de tjiftjafjes, ook hier een broedvogel van de laatste tien jaren. Zij houden het meestal met z'n tweetjes, soms met z'n drietjes, wel een uur lang vol en eten dan ook veel bladluizen. Met de staartmezen is het weer iets anders gesteld, want die hebben het binnen een kwartiertje al bekeken, na druk en intensief onderzoek. Zij komen, gebruikelijk voor deze soort, één voor één aanvliegen. Zo verlaten zij ook weer deze stek, meestal met zes of acht stuks. Het zijn niet steeds dezelfde, want er zitten soms één of twee `witkoppen' tussen (noordelijke vorm).

Hun bezoek vindt doorgaans vroeg in de ochtend en laat in de middag plaats en wordt aangekondigd en begeleid door de bekende doordringende contactroepjes waar ik 's ochtends altijd wakker van word: Ontwakend hoor ik staartmeesjes. Zij vliegen van mijn linkernaar mijn rechteroor en één gaat zelfs binnendoor. Een gedichtje van enkele jaren geleden dat ik jullie niet wil onthouden! Staartmezen blijken overigens de enige Europese vogels te zijn met een sociale broedzorg; (nog) niet seksueel actieve exemplaren helpen een broedend paartje bij het voeren van de jongen. Ik heb dit verschijnsel, en dat is alweer een paar jaar terug, zelf kunnen waarnemen in onze tuin. Vlinders Het was vorig jaar maar magertjes met de vlinders, in tegenstelling tot 2003. Toch spreekt de Vlinderstichting niet van een slecht vlinderjaar. In 2003 hadden we er zelfs drie nieuwe soorten bij: het koevinkje, het bruine zandoogje en het bonte zandoogje. Ook vorig jaar zag ik een bont zandoogje, terwijl beide andere soorten ontbraken, evenals het hier al 15 jaar aanwezige landkaartje. 2003 was een topjaar voor verschillende trekvlinders, zoals de distelvlinder en de kolibrievlinder. De laatste zag je dagelijks in juli en augustus, soms met meerdere tegelijk. Op 25 juli vloog er een koninginnepage door de tuin, waarvan in 2004 twee rupsen werden gevonden bij de buren, één op venkel en één op wortelloof. Omdat door de grote droogte de struikheide vrijwel nergens goed bloeide, gingen vlinders die in heidegebieden thuishoren aan het zwerven, op zoek naar nectar. Zo hadden we eind augustus dagenlang maar liefst twee heivlinders op de Buddleja's, terwijl de dichtstbijzijnde biotoop van deze soort toch gauw zo'n twee kilometer hemelsbreed hiervandaan is. Opmerkelijk is verder dat de aantallen van de gehakkelde aurelia, het oranjetipje en het boomblauwtje weinig verschilden met een jaar eerder. Ook waren er weer twee sleedoornpages aanwezig. Op 31 juli vloog er een mannetje rond en op 18 augustus zette een wijfje een eitje af op een nauwelijks één meter hoog struikje vogelkers. Zij liep doelbewust met gekromd achterlijf over de takken om vervolgens bij een takvork stil te blijven staan. Ik zag dit door mijn keukenraam, op ongeveer vijf meter afstand. Om de vlinder niet te verstoren ben ik niet direct naar buiten gerend om foto's te maken, maar heb ik gewacht tot zij na enige minuten wegvloog. Tot nu toe heb ik nergens in de literatuur iets kunnen vinden over de vogelkers als voedselplant van de rups van deze soort. In de meeste boeken worden sleedoorn, pruim en kerspruim genoemd en die hebben we alle drie in de tuin. In oude boeken kom je ook de berk tegen, de vlinder werd vroeger zelfs abusievelijk berkenpage genoemd! De Latijnse naam Thecla betulae duidt op

berk = Betula. Manfred Koch noemt ook nog hazelaar, meidoorn en zoete kers, eveneens hier aanwezig, maar bij deze laatste drie heb ik de vlinders nooit in de buurt gezien. Dus deze waarneming is misschien wel bijzonder. Heel erg jammer is dat het hagelwitte eitje dat pas in het voorjaar uit zou komen er niet meer zit. Is het weggepikt door een vogel of zouden de mieren het meegenomen hebben? Amfibieën en vissen De gewone pad en de bruine kikker doen het nog steeds erg goed. Ieder jaar zijn er weer duizenden dikkopjes, die van de pad zijn verreweg in de meerderheid. Met de kleine watersalamander gaat het weer wat beter na de stekelbaarsjesexplosie eind vorige eeuw, het aantal driedoornige stekelbaarsjes is flink teruggelopen en heeft zich de laatste jaren redelijk gestabiliseerd. De populatie kleine modderkruipers is ongeveer op hetzelfde niveau als tien jaar geleden. In het voorjaar en de zomer zie je ze 's avonds en 's nachts met behulp van een zaklamp overal op de bodem langs de oever liggen. In de herfst en winter trekken ze naar het diepere deel van de vijver. Ieder jaar zie je ook kleintjes, dus de soort plant zich voort. Het bittervoorntje is ook een succesnummer. Van een bevriend bioloog kreeg ik vijf jaar geleden tien van deze visjes, nu zwemmen er een paar honderd rond! Een andere vriend gaf me twaalf schildersmosselen, anders zou dit nooit gelukt zijn. Het bittervoorntje kan zich namelijk slechts voortplanten met zoetwatermosselen in de buurt, want daar leggen ze hun eitjes in. Op zijn beurt heeft de mossel grofschubbige vissen, zoals het bittervoorntje, nodig ter overleving van zijn nakomelingschap. Een schoolvoorbeeld van symbiose! De gewone rivierkreeft (Astacus astacus) Over de gewone rivierkreeft is alleen maar een triest verhaal te vertellen. Na de schoonmaak- en opknapbeurt van de Rozendaalse beek in de winter 1996/1997 ging het fantastisch met deze in heel Europa steeds zeldzamer wordende en in vele landen uitstervende diersoort. We hadden een aantal kreeften gered en in onze vijver gezet, het zullen er zo'n 25 zijn geweest. De volgende jaren plantten ze zich dermate voort dat we er in onze vijver enige honderden hadden. Ook in het Rozendaalse beektraject vanaf halverwege Kasteel Rozendaal tot aan de Ringallee zaten er vele. Iedereen was enthousiast over de aantallen kreeften die in de beek en de hiermee verbonden particuliere vijvers werden aangetroffen. Helaas bleek dit geluk van beperkte duur, want sinds 2001 is er geen enkele kreeft meer gezien. Hij komt in Nederland nu nog maar op één plek voor. De oorzaak is vermoedelijk het uitzetten van de gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes limosus) of de rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus clarkii). De eerstgenoemde, afkomstig uit het westen van de V.S, is zich in Middenen West-Europa schrikbarend aan het uitbreiden in tal van riviersystemen. Deze soort zit in ons eigen Rijn- en Maassysteem en alles wat hiermee in verbinding staat, na in de tweede helft van de negentiende eeuw uit kwekerijen te zijn ontsnapt. Bovendien kan hij, in tegenstelling tot onze Astacus, goed tegen watervervuiling. De rode Amerikaanse rivierkreeft, van oorsprong uit het zuiden van de V.S., wordt tegenwoordig veel gekweekt. Hij is

Links: Eitje van sleedoornpage (Thecla betula) op vogelkers. Rechts: Vrouwtje van de sleedoornpage. Foto & tekening: Sjef van der Molen

bloeitijd: de eerste bloeit in augustus en de andere in juli, de hybriden zijn intermediair in hun habitus en bloeiperiode. Hetzelfde deed zich voor bij de beemdkroon (Knautia arvensis) en bosknautia (Knautia dipsacifolia). De kruising van deze twee knautia's valt op door het forsere formaat, heterogene bladvorm en de bloem- en bladkleur. Ja, dat kun je krijgen als je nauwverwante planten die in het wild, gescheiden door verschillende biotopen, nooit of nauwelijks in elkaars buurt voorkomen, in je tuin zet! Libellen De weidebeekjuffer (Calopteryx splendens) is zich na het herstel van de beek aardig aan het uitbreiden. Zo zag je vóór 2000 bijna jaarlijks een zwervend mannetje, de laatste jaren zijn er steeds meer en bovendien ook wijfjes. Een mager vlinderjaar, 2004, maar het aantal libellen (zowel wat betreft soorten als individuen) verschilde weinig met vorige jaren. De blauwe glazenmaker (Aeschna cyanea) werd weer tot eind oktober waargenomen. Herfst De blauwe glazenmaker tuimelt wel meer dan een meter omlaag met het gele blad waarop zij wilde uitrusten voordat ze het grapje door heeft.

De gewone rivierkreeft (Astacus astacus). Foto: Willem Kolvoort

zowel bij de visboer in gekookte toestand (ter garnering van salades) als in tuincentra en aquariumzaken levend en wel onder de benaming `vijverkreeft' verkrijgbaar. Ze willen nog wel eens het water verlaten en op straat bij oplettende wandelaars voor enige hilariteit zorgen en zo zelfs de kranten halen. Beide soorten staan bekend als overbrengers van de `kreeftenpest', een schimmelinfectie waarmee, eenmaal besmet, een hele populatie gewone rivierkreeften binnen twee weken tijd volledig ten gronde gaat. De Amerikanen zelf zijn nauwelijks gevoelig hiervoor. Ook vissen en waterplanten en dergelijke die uit `besmet' water worden gehaald, schijnen deze schimmel (Aphanomyces astaci) over te kunnen brengen. We hebben tijdens enkele nachtelijke zoekacties (kreeften zijn meestal 's nachts actief) echter geen Amerikaans kreeften kunnen vinden. Bij tijd en wijle zien we allerhande `siervissen' in de beek. Deze zijn of ontsnapt uit met de beek verbonden tuinvijvers, dan wel moedwillig losgelaten: koikarpers, goudvissen en goudwindes. Bovendien viste ik in 2002 een volwassen roodwangschilpad op. De beek loopt nu eenmaal voor driekwart door de bebouwde kom! Het zou mijn inziens zeer verstandig zijn aanwonenden goede voorlichting te geven over hoe hiermee om te gaan. Dit zou goed zijn voor de kwaliteit van de flora en fauna in het algemeen en de gewone rivierkreeft in het bijzonder. Er bestaat nu een werkgroep die zich bezint over mogelijke herintroductie van Astacus. Plantengroei De tongvarens breiden zich verder uit, zo ook de kruidvlier, zwartmoeskervel, bosmuur en schaafstro. Een echte verrassing is de explosieve groei van de trilgraszegge (Carex brizoides) die afgelopen jaar ineens enkele vierkante meters op het zevenblad heeft veroverd. Trilgraszegge is een in Nederland uiterst zeldzaam schijngras dat zeer spaarzaam bloeit, maar vegetatief flinke gesloten bestanden kan vormen. Ik heb dit gezien in ZuidDuitsland en Tsjechië, waar deze soort in diverse moerassige bossen vele tientallen vierkante meters besloeg. De taaie, 60 centimeter tot 1 meter lange en zeer smalle bladen werden daar tot de tweede helft van de vorige eeuw gebruikt voor het vullen van legermatrassen, zo vertelde de florist Fons Rijerse mij. Daar heb je natuurlijk erg veel voor nodig, wat wij nu in onze tuin hebben staan zou nét voldoende zijn voor een kinderkussentje. Dus daar kunnen we de oorlog nog niet mee winnen. Hertsmunt en rivierenkruiskruid blijken zich niet alleen vegetatief uit te breiden, maar hebben zich ook op een paar plekken uitgezaaid. Het rivierenkruiskruid (Senecio fluviatilis) heeft zelfs gehybridiseerd met schaduwkruiskruid (Senecio nemorensis subsp. fuchsii). Deze soorten hebben een kleine overlap in

De slanke sleutelbloem (Primula elatior) bloeide reeds half maart. Foto: Sjef van der Molen

TUINBEZOEK Het bezoek aan de Tuin van Sjef is redelijk constant gebleven in vergelijking met de voorgaande jaren en bestaat vooral uit tuinclubs en biologen. Ofschoon ik als beeldend kunstenaar ook met vormgeving bezig ben en dit als een essentieel aspect van de tuin beschouw, zien we relatief weinig medekunstenaars voorbijkomen. Getuige het gastenboek zijn de meeste bezoekers zeer enthousiast. Ook een aantal buurtbewoners komt regelmatig een kijkje nemen, soms vergezeld van kinderen en andere familieleden, vrienden of kennissen.

ANDERE ACTIVITEITEN Wandelstokken Sinds enkele jaren houd ik me bezig met het van snoeihout vervaardigen van wandelstokken. Deze zijn onder andere geschikt voor mensen die wat minder goed ter been zijn. Ik gebruik hiervoor voornamelijk de nagenoeg rechte twee- à driejarige takken van rotskers, rode kornoelje, wegendoorn en Franse esdoorn. Dit zijn vier harde en taaie houtsoorten die, van hun bast ontdaan, een paar maanden worden gedroogd. De takken moeten een doorsnee van 2,5 tot 3 centimeter hebben en een lengte van minstens 90 centimeter, het liefst wat langer. Overigens heb ik ook van andere houtsoorten zoals Taxus en jeneverbes, die me aangeleverd werden, wandelstokken gemaakt. Ik heb ook Vitex en Eucalyptus gebruikt die ik uit Griekenland heb meegenomen. Voor mensen die onder medische behandeling zijn, laat ik altijd de lengte van de stok bepalen door hun fysiotherapeut. De verlijming geschiedt uitsluitend met professionele houtlijm. De handvatten maak ik van kromme stukken van dezelfde of andere harde houtsoorten. Daarna breng ik op het geheel wat kleurige accenten aan met duurzame verf. Natuurlijk niet al te clownesk, anders durft niemand met zo'n raar ding de straat op...! Door het handvat wordt een gaatje geboord voor een stuk zwart nylonkoord, waarmee de gebruiker desgewenst de stok aan pols en kapstok kan hangen. Vervolgens lak ik de stok twee maal met jachtlak of parketvernis en als laatste handeling plaats ik een bruine of zwarte rubberen anti-slipdop op de onderzijde. Voor sommige gebruikers, het type `stevige wandelaar', boor ik in de onderzijde een gat waarin een roestvrijstalen pin wordt gelijmd. Natuurmuseum Het is nu bijna vijf jaar geleden dat ik voor het eerst een donderdagse prepareeravond in het Natuurmuseum Nijmegen meemaakte. Sindsdien ben ik daar bijna elke donderdagavond, ik assisteer Wiet Fliervoet bij het opnieuw inrichten van de insectencollectie. Momenteel neem ik de dagvlinders voor mijn rekening. Het eind is in zicht is, hierna zijn de waterwantsen en waterkevers aan de beurt. Ook help ik soms met determineren van zogenaamde `moeilijke gevallen' zoogdieren, vogels en andere dieren. Welke muis of spitsmuis is dit? Is dit nou een tjiftjaf, een fitis of een spotvogel? Een fijn `clubje' van zeer diverse mensen, ieder op eigen wijze geïnteresseerd in de natuur, onder de bezielende leiding van conservator Wyboud Stijns. Als het me uitkomt, ga ik ook wel eens overdag in mijn eentje met de vlinders aan het `stoeien', dan kan ik me lekker concentreren en ongestoord doorwerken. Nog meer beest- en plantaardigheden Thuis kweek ik met allerlei inheemse vlinders, het is natuurlijk vooral voor kinderen leerzaam om bijvoorbeeld rupsen uit eitjes en vlinders uit poppen te zien komen. Wekelijks word ik gebeld door mensen die biologische probleempjes van allerlei aard hebben: "Is deze rups of kever wel of niet schadelijk voor mijn tuin?" "Wat voor planten zou ik op deze

kale plek kunnen zetten?" Of men komt aan de deur met een plantje in de hand of een insect in een potje. Zo ook met het dode vogeltje dat door de kat is gevangen of tegen een raam of auto is gevlogen. Als ik iets niet weet, zoek ik altijd het antwoord in boeken of bij een specialist. Afgelopen voorjaar heb ik voor de afdeling Doetinchem van het IVN een avond over algemene entomologie (insectenkunde) verzorgd. Deze avond was onderdeel van hun `Groencursus'. Voor de Zevenaarse IVN-afdeling heb ik hier thuis een `keveravond' gehouden. Gekweld door een jichtige voet kon ik toen niet naar de aanvankelijk buiten in het Zevenaarse geplande excursie. Doordat ik de kevercollectie van mijn vriend Jerry Willemsen opknap en een deel hiervan in huis had, kon ik deze gebruiken voor de cursisten, tot hun grote genoegen. Democratie De bekende natuurcolumnist Henk van Halm heeft mij geïnterviewd voor het dagblad Trouw. Op 2 augustus 2003 leverde dit een mooi artikel op, met twee fraaie kleurenfoto's op driekwart krantenpagina. Op dit artikel heb ik verscheidene leuke en positieve reacties gehad. Jammer dat vriend Henk sinds meer dan een jaar nog maar een dagelijks kleine hoekje toebedeeld heeft gekregen met een zwart-wit fotootje. Een teken aan de wand, milieubesef en liefde voor de natuur zijn weer ondergeschoven kindjes aan het worden. Het lijkt wel `terug naar af.' Ik verwacht en hoop als onverbeterlijk optimist op een kentering en kijk even naar een papiertje dat ik ooit op de keukenmuur plakte en waarop met grote letters staat: DEMOCRATIE KAN PAS BEGINNEN MET EEN WELOPGEVOED VOLK. Waarschijnlijk zullen we dus een poosje geduld moeten betrachten. Geduld is een heel bruikbare eigenschap in deze tijden en tevens een schone zaak...

STICHTING DE TUIN VAN SJEF Eind 1999 is de Stichting de Tuin van Sjef opgericht met het doel de activiteiten in en rond de tuin een steviger basis te geven. Zo is de Stichting de Tuin van Sjef een belangrijk hulpmiddel voor het werven van fondsen. Het geld dat de stichting binnenhaalt is bestemd voor onder andere: - aanschaffen en beheren van materialen voor de aanleg en het onderhoud van de tuin; - aanschaffen van vakliteratuur; - brengen van werkbezoeken aan andere tuinen; - uitgeven van een nieuwsbrief en ander documentatiemateriaal; - organiseren van lezingen, exposities en andere bijeenkomsten; - opbouwen en beheren van een dia-archief; - aanschaffen van audiovisuele en kantoorapparatuur. Het bestuur van de Stichting de Tuin van Sjef bestaat uit Sjaak van 't Hof (voorzitter), Truus Schennink (secretaris/ penningmeester), Willem Kolvoort en Sjef van der Molen. Bezoek welkom, bijdragen ook... De Tuin van Sjef kunt u bezoeken (in de periode 1 april ­ 31 oktober) na een telefonische afspraak met Sjef van der Molen, Boulevard 33a, 6881 HP Velp, tel.: 026 - 363 61 13. Ook kunt u het werk in de Tuin van Sjef steunen door een gift over te maken op Postbankrekening 9484665 ten name van Stichting de Tuin van Sjef, te Velp.

De harlekijnwants (Graphosoma lineatum) leeft op diverse schermbloemen en is niet algemeen in Nederland. Op 8 september 2004 vonden we dit exemplaar in de tuin. Foto: Sjef van der Molen

Information

TWEEKOLOMS/van der dussen

4 pages

Report File (DMCA)

Our content is added by our users. We aim to remove reported files within 1 working day. Please use this link to notify us:

Report this file as copyright or inappropriate

37658